Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
emadabus 1
emeruth 1
emmer 1
en 1019
én 1
enasis 1
enenius 1
Frequency    [«  »]
-----
-----
-----
1019 en
901 de
423 van
219 het

Het derde boek Ezra

IntraText - Concordances

en

1-500 | 501-1000 | 1001-1019

     Chapter, Verse
501 5, 54| en timmerlieden, en spijs en drank,~ 502 5, 55| 55 En karren aan de Sidoniërs 503 5, 55| karren aan de Sidoniërs en Tyriërs, opdat zij hun cederhout 504 5, 56| 56 En in het tweede jaar nadat 505 5, 56| de zoon van Sealthiël, en Jozua de zoon van Josedek, 506 5, 56| Jozua de zoon van Josedek, en hun broederen, en de priesters, 507 5, 56| Josedek, en hun broederen, en de priesters, de Levieten, 508 5, 56| priesters, de Levieten, en allen die uit de gevangenis 509 5, 57| 57 En legden het fundament van 510 5, 57| maand, als zij in Judea en Jeruzalem waren gekomen.~ 511 5, 58| 58 En stelden de Levieten, die 512 5, 58| over de werken des Heren; en Jozua stond met zijn zonen 513 5, 58| Jozua stond met zijn zonen en broederen, en Kadmiël zijn 514 5, 58| zijn zonen en broederen, en Kadmiël zijn broeder, en 515 5, 58| en Kadmiël zijn broeder, en de zonen van Emadabus, en 516 5, 58| en de zonen van Emadabus, en de zonen van Joda, de zoon 517 5, 58| van Eliadad, met hun zonen en broederen; al deze Levieten 518 5, 59| 59 En de bouwlieden bouwden de 519 5, 59| bouwden de tempel des Heren, en de priesters stonden in 520 5, 59| klederen met snarenspel en bazuinen; en de Levieten, 521 5, 59| snarenspel en bazuinen; en de Levieten, de kinderen 522 5, 60| 60 Zingende en lovende de Here, naar de 523 5, 61| 61 En zij verhieven hun stemmen 524 5, 61| Here, dat zijn goedheid en zijn heerlijkheid is tot 525 5, 62| 62 En het ganse volk blies met 526 5, 62| volk blies met bazuinen, en riep met grote stem, zingende 527 5, 63| enigen uit de priesters en Levieten, en oversten naar 528 5, 63| de priesters en Levieten, en oversten naar hun geslachten, 529 5, 63| geslachten, die ouder waren, en het huis, dat voor dezen 530 5, 64| van dit huis met schreien en met groot geroep, en velen 531 5, 64| schreien en met groot geroep, en velen met bazuinen en vreugde 532 5, 64| geroep, en velen met bazuinen en vreugde in grote stem.~ 533 5, 66| 66 En als de vijanden der stammen 534 5, 66| vijanden der stammen Juda en Benjamin dat hoorden, zo 535 5, 67| 67 En zij verstonden, dat degenen, 536 5, 68| 68 En zij kwamen tot Zerubabel 537 5, 68| zij kwamen tot Zerubabel en Jozua, en tot de overste 538 5, 68| tot Zerubabel en Jozua, en tot de overste der geslachten, 539 5, 68| overste der geslachten, en zeiden tot hen, laat ons 540 5, 69| aan uw God gelijk als gij, en doen hem offeranden, van 541 5, 70| zeiden tot hen Zerubabel, en Jozua en de oversten der 542 5, 70| hen Zerubabel, en Jozua en de oversten der vaderlijke 543 5, 71| 71 Het komt ons en u niet toe tezamen het huis 544 5, 73| 73 En de volken van dit land drongen 545 5, 73| degenen die in Judea woonden, en hen bezettende, verhinderden 546 5, 74| 74 En hinderlagen, en oploop, 547 5, 74| 74 En hinderlagen, en oploop, en samenrottingen 548 5, 74| hinderlagen, en oploop, en samenrottingen makende, 549 5, 74| bouw niet werd voleindigd, en al de tijd van het leven 550 5, 74| leven des konings Cyrus; en zo werd de bouw verhinderd 551 6, 1 | profeteerde de profeet Haggaï en Zacharia de zoon van Addo, 552 6, 1 | over de Joden, die in Judea en Jeruzalem waren, in de naam 553 6, 2 | de zoon van Sealthiël, en Jozua de zoon van Josedek, 554 6, 2 | Jozua de zoon van Josedek, en begonnen weder te bouwen 555 6, 2 | des Heren bij hen waren, en hen hielpen.~ 556 6, 3 | de ondervoogd van Syrië en Fenicië, en Sathrabusan 557 6, 3 | ondervoogd van Syrië en Fenicië, en Sathrabusan en hun metgezellen, 558 6, 3 | Fenicië, en Sathrabusan en hun metgezellen, en zeiden 559 6, 3 | Sathrabusan en hun metgezellen, en zeiden tot hen:~ 560 6, 4 | bevolen dat huis te bouwen, en dat dak, en al deze andere 561 6, 4 | huis te bouwen, en dat dak, en al deze andere dingen te 562 6, 4 | andere dingen te voltooien, en wie zijn de bouwlieden die 563 6, 5 | 5 En nadat het onderzoek gedaan 564 6, 5 | Joden genade van de Here, en werden niet verhinderd in 565 6, 5 | hiervan zou doen weten, en men antwoord zou bekomen.~ 566 6, 6 | Darius heeft geschreven en gezonden, is dit:~ 567 6, 7 | de ondervoogd van Syrië en Fenicië, en Sathrabusan, 568 6, 7 | ondervoogd van Syrië en Fenicië, en Sathrabusan, en hun metgezellen 569 6, 7 | Fenicië, en Sathrabusan, en hun metgezellen die in Syrië 570 6, 7 | metgezellen die in Syrië en Fenicië oversten zijn, wensen 571 6, 8 | zijnde in het land van Judea, en gegaan zijnde in de stad 572 6, 9 | bouwende waren een nieuw en groot huis voor de Here 573 6, 9 | gehouwen kostelijke stenen, en houtwerk in de muren gelegd;~ 574 6, 10| 10 En dat deze werken met vlijt 575 6, 10| werken met vlijt geschieden, en dat het werk gelukkig voortgaat 576 6, 10| voortgaat onder hun handen, en hetzelve in grote heerlijkheid, 577 6, 10| hetzelve in grote heerlijkheid, en zorgvuldigheid wordt volbracht.~ 578 6, 11| vroegen wij deze oudsten, en zeiden: Wie heeft u bevolen 579 6, 11| bevolen dat huis te bouwen, en de grond van deze werken 580 6, 12| 12 En wij hebben hun dit gevraagd, 581 6, 12| het u zouden bekend maken, en u mogen aanschrijven welke 582 6, 12| die hierover gesteld zijn; en wij hebben hun ook schriftelijk 583 6, 13| zij hebben ons geantwoord en gezegd: Wij zijn kinderen 584 6, 13| des Heren, die de hemel en de aarde heeft geschapen,~ 585 6, 14| 14 En dit huis is van over zeer 586 6, 14| jaren gebouwd door een groot en machtig koning Israëls, 587 6, 14| machtig koning Israëls, en is voltooid.~ 588 6, 15| 15 En daar onze vaders tegen de 589 6, 15| hemel is, hadden gezondigd, en hem hadden verbitterd, zo 590 6, 16| Welke dit huis afgebroken en verbrand hebben en hebben 591 6, 16| afgebroken en verbrand hebben en hebben het volk gevankelijk 592 6, 18| 18 En de heilige gouden en zilveren 593 6, 18| 18 En de heilige gouden en zilveren vaten, die Nabuchodonosor 594 6, 18| Gods dat te Jeruzalem was, en die hij in zijn tempel gezet 595 6, 18| tempel die te Babylon is, en werden overgegeven aan Zerubabel, 596 6, 18| overgegeven aan Zerubabel, en Sabanasser de ondervoogd.~ 597 6, 19| 19 En hem werd bevolen, dat hij 598 6, 19| die vaten zou wegnemen, en zetten in de tempel te Jeruzalem, 599 6, 19| de tempel te Jeruzalem, en dat de tempel des Heren 600 6, 20| des Heren te Jeruzalem, en van die tijd af tot nu toe 601 6, 20| nu toe werd het gebouwd, en heeft nog zijn voltooiing 602 6, 22| 22 En indien bevonden wordt, dat 603 6, 22| koning Cyrus is geschied, en het de koning onze Heer 604 6, 23| boekkassen die te Babylon zijn; en daar is bevonden, te Ekbatana 605 6, 25| hoogte zou zijn zestig ellen, en de breedte zestig ellen, 606 6, 25| wanden van gehouwen stenen, en een wand van nieuw hout 607 6, 25| nieuw hout van dat land, en dat men de onkosten zou 608 6, 26| 26 En de heilige vaten van het 609 6, 26| des Heren, beide gouden en zilveren, die Nabuchodonosor 610 6, 26| Heren dat te Jeruzalem was, en naar Babylon gebracht had, 611 6, 27| de ondervoogd van Syrië en Fenicië, en Sathrabusan 612 6, 27| ondervoogd van Syrië en Fenicië, en Sathrabusan en hun metgezellen, 613 6, 27| Fenicië, en Sathrabusan en hun metgezellen, en de andere 614 6, 27| Sathrabusan en hun metgezellen, en de andere landvoogden, die 615 6, 27| landvoogden, die in Syrië en Fenicië waren verordineerd, 616 6, 27| plaats zouden onthouden; en dat zij de knecht des Heren 617 6, 27| zij de knecht des Heren en overste van Judea, Zerubabel, 618 6, 27| overste van Judea, Zerubabel, en de oudsten der Joden, dit 619 6, 28| 28 En ik ook schreef hij heb daarbij 620 6, 28| geheel zullen opbouwen, en dat men wel toezie, dat 621 6, 29| inkomsten van Celo-Syrië en Fenicië met vlijt een bijleg 622 6, 29| namelijk tot stieren, rammen en lammeren;~ 623 6, 30| 30 Desgelijks ook koorn, en zout, en wijn, en olie, 624 6, 30| Desgelijks ook koorn, en zout, en wijn, en olie, gedurig alle 625 6, 30| koorn, en zout, en wijn, en olie, gedurig alle jaren; 626 6, 30| dagelijks gebezigd wordt en dit zonder vertraging.~ 627 6, 31| hoogste God, voor de koning, en zijn kinderen; en dat zij 628 6, 31| koning, en zijn kinderen; en dat zij bidden voor hun 629 6, 32| nemen van zijn eigen huis en hem daaraan zal hangen, 630 6, 32| hem daaraan zal hangen, en dat zijn goederen aan de 631 6, 33| teniet een ieder koning en volk, welke zijn hand zal 632 7, 1 | ondervoogd in Celo-Syrië en Fenicië, en Sathrabusan 633 7, 1 | in Celo-Syrië en Fenicië, en Sathrabusan en hun metgezellen 634 7, 1 | Fenicië, en Sathrabusan en hun metgezellen gehoorzaam 635 7, 2 | 2 En hielden vlijtig de hand 636 7, 2 | hand aan de heilige werken: en waren de oudsten der Joden 637 7, 2 | waren de oudsten der Joden en de opzieners des tempels 638 7, 3 | 3 En de heilige werken gingen 639 7, 3 | als de profeten Haggaï en Zacharia profeteerden.~ 640 7, 4 | 4 En zij volbrachten die, door 641 7, 4 | Heren de God van Israël, en met goedvinden van Cyrus, 642 7, 4 | met goedvinden van Cyrus, en Darius, en Artaxerxes, de 643 7, 4 | goedvinden van Cyrus, en Darius, en Artaxerxes, de koningen 644 7, 6 | 6 En de kinderen Israëls, en 645 7, 6 | En de kinderen Israëls, en de priesters en de Levieten, 646 7, 6 | Israëls, en de priesters en de Levieten, en de anderen 647 7, 6 | priesters en de Levieten, en de anderen die uit de gevangenis 648 7, 7 | 7 En offerden tot de inwijding 649 7, 8 | 8 En voor de zonden des gansen 650 7, 9 | 9 En de priesters en de Levieten 651 7, 9 | 9 En de priesters en de Levieten stonden naar 652 7, 9 | volgens het boek van Mozes: en de deurwachters stonden 653 7, 10| 10 En de kinderen Israëls, die 654 7, 10| maand, als de priesters en Levieten geheiligd waren.~ 655 7, 12| 12 En zij slachtten het Pascha 656 7, 12| kinderen der gevangenis, en voor hun broederen de priesters, 657 7, 12| broederen de priesters, en voor zichzelf.~ 658 7, 13| 13 En de kinderen Israëls, die 659 7, 13| der volken van het land, en die de Here zochten.~ 660 7, 14| 14 En zij hielden het feest der 661 8, 1 | 1 EN na deze, als Artaxerxes, 662 8, 4 | 4 En de koning had hem heerlijkheid 663 8, 5 | 5 En met hem trokken naar Jeruzalem 664 8, 5 | uit de kinderen Israëls, en uit de priesters en Levieten, 665 8, 5 | Israëls, en uit de priesters en Levieten, en uit de heilige 666 8, 5 | de priesters en Levieten, en uit de heilige zangers en 667 8, 5 | en uit de heilige zangers en deurwachters, en dienaars 668 8, 5 | zangers en deurwachters, en dienaars des heiligdoms.~ 669 8, 7 | 7 En kwamen te Jeruzalem onder 670 8, 8 | de wet des Heren waren, en van de geboden om gans Israël 671 8, 8 | gans Israël al de rechten en gerichten te leren.~ 672 8, 9 | Artaxerxes tot Ezra de priester en leermeester van de wet des 673 8, 10| wenst Ezra, de priester en leermeester van de wet des 674 8, 11| begeren uit het Joodse volk, en de priesters, en de Levieten 675 8, 11| Joodse volk, en de priesters, en de Levieten in ons koninkrijk 676 8, 12| trekken; gelijk het mij, en mijn zeven vrienden mijn 677 8, 13| Opdat zij hetgeen in Judea en Jeruzalem is bezoeken, en 678 8, 13| en Jeruzalem is bezoeken, en doen volgens hetgeen in 679 8, 14| 14 En zij de Here Israëls gaven 680 8, 14| gaven toebrengen, die ik en mijn vrienden voor Jeruzalem 681 8, 14| Jeruzalem beloofd hebben; en al het goud en zilver, dat 682 8, 14| beloofd hebben; en al het goud en zilver, dat zou mogen bevonden 683 8, 15| Gods, die te Jeruzalem is; en dat men vergadere het goud 684 8, 15| dat men vergadere het goud en het zilver tot stieren, 685 8, 15| het zilver tot stieren, en rammen, en lammeren, en 686 8, 15| tot stieren, en rammen, en lammeren, en hetgeen daartoe 687 8, 15| en rammen, en lammeren, en hetgeen daartoe behoort.~ 688 8, 17| 17 En alles wat gij en uw broederen 689 8, 17| 17 En alles wat gij en uw broederen zult willen 690 8, 17| willen doen met het goud en zilver, volbrengt dat naar 691 8, 18| 18 En de heilige vaten des Heren, 692 8, 20| 20 En ik Artaxerxes, koning, heb 693 8, 20| over de schatten van Syrië en Fenicië zijn gesteld,~ 694 8, 21| zo wat Ezra, de priester en leermeester, van de wet 695 8, 22| tot honderd mudden koorn, en honderd metreten wijn, en 696 8, 22| en honderd metreten wijn, en andere, dingen met menigte.~ 697 8, 23| koninkrijk des konings, en zijn zonen.~ 698 8, 24| 24 En ulieden wordt ook geboden, 699 8, 26| 26 En gij Ezra, naar de wijsheid 700 8, 26| Gods, stel tot rechters en scheidslieden, opdat zij 701 8, 26| gericht houden in geheel Syrië en Fenicië, al degenen die 702 8, 27| 27 En al die de wet uws Gods en 703 8, 27| En al die de wet uws Gods en des konings overtreden, 704 8, 28| 28 En Ezra de schriftgeleerde 705 8, 29| 29 En die mij heeft geëerd gemaakt 706 8, 29| geëerd gemaakt voor de koning en zijn raadsheren, en al zijn 707 8, 29| koning en zijn raadsheren, en al zijn vrienden, en zijn 708 8, 29| raadsheren, en al zijn vrienden, en zijn groten.~ 709 8, 30| 30 En ik werd welgemoed, naar 710 8, 30| hulp des Heren, mijns Gods; en vergaderde mannen uit Israël, 711 8, 31| 31 En deze zijn de oversten naar 712 8, 31| hun vaderlijke geslachten en verdelingen der heerschappijen, 713 8, 33| kinderen van Foros: Zacharia, en met hem zijn aangetekend 714 8, 34| Eljaonia de zoon van Zarea, en met hem tweehonderd mannen.~ 715 8, 35| Sechenia, de zoon van Jezel, en met hem driehonderd mannen.~ 716 8, 36| Obed, de zoon van Jonathan, en met hem tweehonderdvijftig 717 8, 37| Jesia, de zoon van Gotholia, en met hem zeventig mannen; 718 8, 37| Zaraja, de zoon van Michaël, en met hem zeventig mannen.~ 719 8, 38| Abadja, de zoon van Jezel, en met hem tweehonderdentwaalf 720 8, 39| Salimoth, de zoon van Josafir, en met hem honderdenzestig 721 8, 40| Zacharia, de zoon van Bebai, en met hem achtentwintig mannen.~ 722 8, 41| van Astath, Joannes Aratan en met hem honderdentien mannen.~ 723 8, 42| van Adonikam, de laatsten, en deze zijn hun namen: Elifala, 724 8, 42| Elifala, de zoon van Gevel, en Jamaja, en met hen zeventig 725 8, 42| zoon van Gevel, en Jamaja, en met hen zeventig mannen; 726 8, 42| de zoon van Istaleumi, en met hem zeventig mannen.~ 727 8, 43| 43 En ik verzamelde hen aan de 728 8, 43| de rivier genoemd Thera, en wij sloegen daar ons leger 729 8, 43| leger drie dagen lang op, en ik overzag ze.~ 730 8, 44| 44 En uit de priesters en uit 731 8, 44| 44 En uit de priesters en uit de Levieten niemand 732 8, 45| 45 Zond ik tot Eleazar, en Iduël, en Maja, en Masma, 733 8, 45| ik tot Eleazar, en Iduël, en Maja, en Masma, en Alnatha, 734 8, 45| Eleazar, en Iduël, en Maja, en Masma, en Alnatha, en Jamla, 735 8, 45| Iduël, en Maja, en Masma, en Alnatha, en Jamla, en Joribon, 736 8, 45| Maja, en Masma, en Alnatha, en Jamla, en Joribon, Nathan, 737 8, 45| Masma, en Alnatha, en Jamla, en Joribon, Nathan, Ennathan, 738 8, 45| Nathan, Ennathan, Zacharia en Mosollamon de oversten, 739 8, 45| Mosollamon de oversten, en geleerden.~ 740 8, 46| 46 En ik zeide hun, dat zij zouden 741 8, 47| bevelende, dat zij Loddo en zijn broederen, en de schatbewaarders 742 8, 47| Loddo en zijn broederen, en de schatbewaarders in die 743 8, 48| 48 En zij brachten tot ons, naar 744 8, 48| Israël, namelijk Asebebia en zijn zonen, en zijn broederen, 745 8, 48| Asebebia en zijn zonen, en zijn broederen, zijnde achttien;~ 746 8, 49| 49 En Asebia, en Annu, en Hosea 747 8, 49| 49 En Asebia, en Annu, en Hosea zijn broeder, 748 8, 49| 49 En Asebia, en Annu, en Hosea zijn broeder, uit 749 8, 49| de kinderen van Chanun, en hun zonen, twintig mannen;~ 750 8, 50| 50 En van degenen, die de tempel 751 8, 50| tempel dienden, die David en de oversten gegeven hadden 752 8, 51| 51 En ik beval daar een vasten 753 8, 51| een goede reis voor ons, en voor degenen die bij ons 754 8, 51| namelijk onze kinderen en ons vee.~ 755 8, 52| van de koning voetknechten en ruiters te begeren, en ander 756 8, 52| voetknechten en ruiters te begeren, en ander geleide tot verzekering 757 8, 54| 54 En wij baden al deze dingen 758 8, 54| deze dingen van de Here, en wij vonden hem zeer genadig.~ 759 8, 55| 55 En ik zonderde van de oversten 760 8, 55| priesters twaalf mannen af, en Eresebia, en Lamia en met 761 8, 55| mannen af, en Eresebia, en Lamia en met hem uit hun 762 8, 55| af, en Eresebia, en Lamia en met hem uit hun broederen 763 8, 56| 56 En ik woog hun het zilver en 764 8, 56| En ik woog hun het zilver en het goud, en de heilige 765 8, 56| het zilver en het goud, en de heilige vaten van het 766 8, 56| Heren, welke de koning, en zijn raadsheren, en de groten, 767 8, 56| koning, en zijn raadsheren, en de groten, en het ganse 768 8, 56| raadsheren, en de groten, en het ganse Israël gegeven 769 8, 57| 57 En als ik het gewogen had, 770 8, 57| zeshonderdvijftig talenten zilvers, en honderd talenten aan gouden 771 8, 57| talenten aan gouden vaten, en honderd talenten aan goud;~ 772 8, 58| 58 En twintig gouden schalen, 773 8, 58| twintig gouden schalen, en twaalf koperen vaten van 774 8, 59| 59 En ik zeide tot ben: Gijlieden 775 8, 59| zijt ook de Here heilig, en de vaten zijn heilig, en 776 8, 59| en de vaten zijn heilig, en het goud, en het zilver, 777 8, 59| zijn heilig, en het goud, en het zilver, het zijn geloften 778 8, 60| 60 Zo waakt, en bewaart ze, totdat gij ze 779 8, 60| de oversten der priesters en Levieten, en aan de oversten 780 8, 60| der priesters en Levieten, en aan de oversten der vaderlijke 781 8, 61| 61 En deze priesters en Levieten, 782 8, 61| 61 En deze priesters en Levieten, die dit zilver, 783 8, 61| Levieten, die dit zilver, en goud, en de vaten tot zich 784 8, 61| die dit zilver, en goud, en de vaten tot zich genomen 785 8, 62| 62 En wij trokken weder op van 786 8, 63| 63 En hij heeft ons verlost van 787 8, 63| ingang aan van alle vijanden; en wij kwamen te Jeruzalem, 788 8, 63| wij kwamen te Jeruzalem, en als wij daar drie dagen 789 8, 63| vierde dag het gewogen zilver en goud overgeleverd in het 790 8, 64| 64 En met hem was Eleazar de zoon 791 8, 64| Eleazar de zoon van Pinehas, en met hem waren Josabdos de 792 8, 64| Josabdos de zoon van Jozua, en Moëth de zoon van Laban: 793 8, 64| Moëth de zoon van Laban: en de Levieten leverden het 794 8, 64| alles over naar het getal en gewicht;~ 795 8, 65| 65 En het gehele gewicht daarvan 796 8, 66| 66 En die uit de gevangenis aangekomen 797 8, 68| 68 En gaven de bevelen des konings 798 8, 68| rentmeesters des konings, en aan de landvoogden van Celo-Syrië 799 8, 68| landvoogden van Celo-Syrië en Fenicië; en zij verheerlijkten 800 8, 68| van Celo-Syrië en Fenicië; en zij verheerlijkten het volk 801 8, 68| verheerlijkten het volk en de tempel des Heren.~ 802 8, 69| 69 En als deze dingen volbracht 803 8, 69| kwamen de oversten tot mij, en zeiden: Het volk Israëls, 804 8, 69| zeiden: Het volk Israëls, en de oversten, en de priesters, 805 8, 69| Israëls, en de oversten, en de priesters, en de Levieten 806 8, 69| oversten, en de priesters, en de Levieten hebben zich 807 8, 69| vreemde volken van dit land, en van hun onreinheden:~ 808 8, 70| volken der Kanaänieten, en Chetteeërs, en Feresieten 809 8, 70| Kanaänieten, en Chetteeërs, en Feresieten en Jebusieten, 810 8, 70| Chetteeërs, en Feresieten en Jebusieten, en Moabieten, 811 8, 70| Feresieten en Jebusieten, en Moabieten, en Egyptenaars 812 8, 70| Jebusieten, en Moabieten, en Egyptenaars en Idumeeërs.~ 813 8, 70| Moabieten, en Egyptenaars en Idumeeërs.~ 814 8, 71| dochteren, zij zelf namelijk en hun zonen; en het heilige 815 8, 71| zelf namelijk en hun zonen; en het heilige zaad is vermengd 816 8, 71| vreemde volken des lands; en aan deze zonde zijn de oversten 817 8, 71| deze zonde zijn de oversten en de groten van het begin 818 8, 72| 72 En zodra als ik dit hoorde, 819 8, 72| verscheurde ik mijn klederen, en mijn heilige rok; en ik 820 8, 72| klederen, en mijn heilige rok; en ik plukte mijn haren van 821 8, 72| mijn haren van mijn hoofd, en van mijn baard, en ik zat 822 8, 72| hoofd, en van mijn baard, en ik zat vol gedachten en 823 8, 72| en ik zat vol gedachten en zeer treurig.~ 824 8, 73| 73 En tot mij zijn vergaderd allen 825 8, 73| treurig was over deze misdaad, en ik zat droevig tot het avondoffer 826 8, 74| 74 En ik stond op van het vasten, 827 8, 74| de klederen verscheurd, en de heilige rok; en ik knielde 828 8, 74| verscheurd, en de heilige rok; en ik knielde neder, mijn handen 829 8, 75| Here, ik ben beschaamd, en bevreesd voor uw aangezicht:~ 830 8, 76| vermenigvuldigd boven onze hoofden, en onze misdaden zijn verhoogd 831 8, 77| 77 En wij zijn in grote zonde 832 8, 78| 78 En om onzer zonde wil, en om 833 8, 78| 78 En om onzer zonde wil, en om de zonden onzer vaderen. 834 8, 78| zijn wij met onze broederen en met onze koningen, en met 835 8, 78| broederen en met onze koningen, en met onze priesters overgegeven 836 8, 78| koningen der aarde, tot zwaard, en gevangenis, en roof, tot 837 8, 78| tot zwaard, en gevangenis, en roof, tot op de huidige 838 8, 79| 79 En nu is ons een weinig genade 839 8, 79| een wortel over te laten, en een naam, in de plaats uws 840 8, 80| 80 En om ons een licht te ontdekken 841 8, 80| huis des Heren onzes Gods, en om ons spijs te geven in 842 8, 82| 82 En om de tempel onzes Heren 843 8, 82| Heren te verheerlijken, en het verwoeste Sion op te 844 8, 82| verwoeste Sion op te richten, en om ons een vastigheid te 845 8, 82| vastigheid te geven in Judea en Jeruzalem.~ 846 8, 83| 83 En nu, Here, wat zullen wij 847 8, 85| 85 En nu zult gij uw dochteren 848 8, 85| niet geven aan hun zonen, en hun dochteren zult gij niet 849 8, 86| 86 En gij zult niet zoeken te 850 8, 86| opdat gij machtig wordt en eet het goede des lands, 851 8, 86| eet het goede des lands, en het uw kinderen doet erven 852 8, 87| vanwege onze boze werken en onze grote zonden.~ 853 8, 88| wortel in het land gegeven, en wij zijn weder achterwaarts 854 8, 92| 92 En toen Ezra bad, en de zonden 855 8, 92| 92 En toen Ezra bad, en de zonden bekende, en weende, 856 8, 92| bad, en de zonden bekende, en weende, liggende voor de 857 8, 92| schare uit Jeruzalem, mannen, en vrouwen, en jongelingen, 858 8, 92| Jeruzalem, mannen, en vrouwen, en jongelingen, want het wenen 859 8, 93| 93 En Jechonia, de zoon van Jeëli, 860 8, 93| de kinderen Israëls riep en zeide: Ezra, wij hebben 861 8, 94| 94 En nu, gans Israël is in twijfel, 862 8, 95| Gelijk u zal goeddunken, en al degenen die de wet des 863 8, 95| gehoorzaam zijn; sta op, en doe alzo.~ 864 8, 96| Want u komt deze zaak toe, en wij zijn met u om de kracht 865 8, 97| 97 En Ezra stond op, en beëedigde 866 8, 97| 97 En Ezra stond op, en beëedigde de oversten der 867 8, 97| de oversten der priesters en Levieten van gans Israël, 868 8, 97| zij hiernaar doen zouden, en zij zwoeren.~ 869 9, 1 | 1 EN Ezra opstaande, van de voorhof 870 9, 2 | 2 En bleef daar, en at geen brood 871 9, 2 | 2 En bleef daar, en at geen brood en dronk geen 872 9, 2 | bleef daar, en at geen brood en dronk geen water, treurig 873 9, 3 | 3 En daar werd een aankondiging 874 9, 3 | gedaan door geheel Judea en Jeruzalem, aan allen die 875 9, 4 | 4 En dat hun, die binnen twee 876 9, 4 | vee zou verbannen worden, en zij zelf zouden afgescheiden 877 9, 5 | 5 En zij vergaderden allen, die 878 9, 5 | uit de stammen van Juda en Benjamin waren, binnen drie 879 9, 5 | dit was de negende maand, en de twintigste dag der maand.~ 880 9, 6 | 6 En de gehele menigte zat op 881 9, 7 | 7 En Ezra stond op, en zeide 882 9, 7 | 7 En Ezra stond op, en zeide tot hen: Gijlieden 883 9, 7 | Gijlieden hebt onrecht gedaan, en hebt uitlandse vrouwen ten 884 9, 8 | 8 Maar nu, bekent het, en geeft heerlijkheid de Here, 885 9, 9 | 9 En doet zijn wil, en scheidt 886 9, 9 | 9 En doet zijn wil, en scheidt u van de volken 887 9, 9 | de volken van dit land, en van de uitlandse vrouwen.~ 888 9, 10| Toen riep de ganse menigte, en zeide met luider stem: Wij 889 9, 11| Maar de menigte is groot, en het is wintertijd, en wij 890 9, 11| groot, en het is wintertijd, en wij kunnen niet staan onder 891 9, 11| staan onder de blauwe hemel, en dit is geen werk voor ons 892 9, 12| voorgangers der menigte staan, en al degenen die uit onze 893 9, 13| 13 Dat zij hier komen, en tijd nemen, en de oudsten 894 9, 13| hier komen, en tijd nemen, en de oudsten en rechters van 895 9, 13| tijd nemen, en de oudsten en rechters van iedere plaats, 896 9, 14| Jonathas, de zoon van Azaël, en Esekia, de zoon van Theoran, 897 9, 14| volgens deze bepaling aan: en Mesullamas, en Levis, en 898 9, 14| bepaling aan: en Mesullamas, en Levis, en Sabbateüs waren 899 9, 14| en Mesullamas, en Levis, en Sabbateüs waren hun mede-rechters.~ 900 9, 15| 15 En die uit de gevangenis waren, 901 9, 16| 16 En Ezra de priester verkoos 902 9, 16| huizen, allen met namen, en op de nieuwe maan der tiende 903 9, 17| 17 En het is ten einde gebracht, 904 9, 18| 18 En onder de priesters werden 905 9, 19| Jozua, de zoon van Josedek en zijn broederen, Nathelas, 906 9, 19| zijn broederen, Nathelas, en Eleazar, en Joreb en Joadan.~ 907 9, 19| broederen, Nathelas, en Eleazar, en Joreb en Joadan.~ 908 9, 19| Nathelas, en Eleazar, en Joreb en Joadan.~ 909 9, 20| 20 En legden de hand daaraan; 910 9, 20| hun vrouwen verstieten; en dat zij rammen offerden 911 9, 21| 21 En van de kinderen van Emmer: 912 9, 21| kinderen van Emmer: Ananias, en Zabdeûs, en Manes, en Lameös, 913 9, 21| Emmer: Ananias, en Zabdeûs, en Manes, en Lameös, en Hereël, 914 9, 21| Ananias, en Zabdeûs, en Manes, en Lameös, en Hereël, en Azarias.~ 915 9, 21| Zabdeûs, en Manes, en Lameös, en Hereël, en Azarias.~ 916 9, 21| Manes, en Lameös, en Hereël, en Azarias.~ 917 9, 22| 22 En van de kinderen van Fesur: 918 9, 22| Elionais, Massias, Ismaël, en Nathaneël, en Okodel, en 919 9, 22| Massias, Ismaël, en Nathaneël, en Okodel, en Saloas.~ 920 9, 22| en Nathaneël, en Okodel, en Saloas.~ 921 9, 23| 23 En van de Levieten: Josabad, 922 9, 23| van de Levieten: Josabad, en Semeïs, Kovis (deze is Kalitas) 923 9, 23| Kovis (deze is Kalitas) en Patheüs, en Judas, en Jonas.~ 924 9, 23| is Kalitas) en Patheüs, en Judas, en Jonas.~ 925 9, 23| Kalitas) en Patheüs, en Judas, en Jonas.~ 926 9, 24| heilige zangers: Eliaseb, en Bacchu.~ 927 9, 25| Van de deurwachters: Salum en Telbanes.~ 928 9, 26| kinderen van Foros: Hiermas, en Jezias, en Melchias, en 929 9, 26| Foros: Hiermas, en Jezias, en Melchias, en Maël, en Eleazar, 930 9, 26| en Jezias, en Melchias, en Maël, en Eleazar, en Asebias, 931 9, 26| Jezias, en Melchias, en Maël, en Eleazar, en Asebias, en 932 9, 26| Melchias, en Maël, en Eleazar, en Asebias, en Baneas.~ 933 9, 26| en Eleazar, en Asebias, en Baneas.~ 934 9, 27| kinderen van Ela: Mathanias, en Zacharias, en Jezriël, en 935 9, 27| Mathanias, en Zacharias, en Jezriël, en Joabdi, en Jeromoth, 936 9, 27| en Zacharias, en Jezriël, en Joabdi, en Jeromoth, en 937 9, 27| en Jezriël, en Joabdi, en Jeromoth, en Aidias.~ 938 9, 27| en Joabdi, en Jeromoth, en Aidias.~ 939 9, 28| 28 En van de kinderen van Zamoth: 940 9, 28| Eliazim, Othonias, Jarimoth, en Labath, en Zeralias.~ 941 9, 28| Othonias, Jarimoth, en Labath, en Zeralias.~ 942 9, 29| 29 En van de kinderen van Bebai: 943 9, 29| kinderen van Bebai: Joannes, en Ananias, en Josabdus, en 944 9, 29| Bebai: Joannes, en Ananias, en Josabdus, en Amathias,~ 945 9, 29| en Ananias, en Josabdus, en Amathias,~ 946 9, 30| 30 En van de kinderen van Mani: 947 9, 30| Olam, Manuch, Jedar, Jasub, en Jasaël, en Hieremoth.~ 948 9, 30| Jedar, Jasub, en Jasaël, en Hieremoth.~ 949 9, 31| 31 En van de kinderen van Addi: 950 9, 31| kinderen van Addi: Naäth, en Moosias, Lacrum en Naïd, 951 9, 31| Naäth, en Moosias, Lacrum en Naïd, Matthanias, en Sesthel, 952 9, 31| Lacrum en Naïd, Matthanias, en Sesthel, en Balim, en Manassias.~ 953 9, 31| Matthanias, en Sesthel, en Balim, en Manassias.~ 954 9, 31| Matthanias, en Sesthel, en Balim, en Manassias.~ 955 9, 32| 32 En uit de kinderen van Anan: 956 9, 32| kinderen van Anan: Elionas, en Asajas, en Melchias, en 957 9, 32| Anan: Elionas, en Asajas, en Melchias, en Sabbeüs, en 958 9, 32| en Asajas, en Melchias, en Sabbeüs, en Simon Chosameüs.~ 959 9, 32| en Melchias, en Sabbeüs, en Simon Chosameüs.~ 960 9, 33| 33 En van de kinderen van Asom: 961 9, 33| kinderen van Asom: Altaneüs, en Matthatias, Sabbaneüs, en 962 9, 33| en Matthatias, Sabbaneüs, en Elifalat, en Manasses, en 963 9, 33| Sabbaneüs, en Elifalat, en Manasses, en Semer.~ 964 9, 33| en Elifalat, en Manasses, en Semer.~ 965 9, 34| 34 En van de kinderen van Baäni: 966 9, 34| Momdi, Ismaër, Juël, Mabdaï, en Pedias, en Anos, Rabasion, 967 9, 34| Juël, Mabdaï, en Pedias, en Anos, Rabasion, en Enasis, 968 9, 34| Pedias, en Anos, Rabasion, en Enasis, en Mammitanem, Eliasis, 969 9, 34| Anos, Rabasion, en Enasis, en Mammitanem, Eliasis, Bannus, 970 9, 34| Sameis, Selemias, Nathanius. En van de kinderen van Ezora: 971 9, 35| 35 En van de kinderen van Ethma: 972 9, 36| uitlandse vrouwen ten huwelijk, en verlieten ze met hun kinderen.~ 973 9, 37| 37 En de priesters, en de Levieten, 974 9, 37| 37 En de priesters, en de Levieten, en die anderen 975 9, 37| priesters, en de Levieten, en die anderen uit Israël zetten 976 9, 37| zich neder te Jeruzalem, en in het land op de nieuwe 977 9, 37| maan van de zevende maand, en de kinderen Israëls waren 978 9, 38| 38 En de gehele menigte kwam eendrachtig 979 9, 39| 39 En zij zeiden tot Ezra, de 980 9, 39| zeiden tot Ezra, de priester en leermeester der wet, dat 981 9, 40| 40 En Ezra, de overste priester, 982 9, 40| mannen als der vrouwen, en voor al de priesters om 983 9, 41| 41 En hij las die in de grote 984 9, 41| tegenwoordigheid van mannen en vrouwen; en de gehele menigte 985 9, 41| tegenwoordigheid van mannen en vrouwen; en de gehele menigte keerde 986 9, 42| 42 En Ezra, de priester en leermeester 987 9, 42| 42 En Ezra, de priester en leermeester der wet, stond 988 9, 43| 43 En bij hem stonden Matthatias, 989 9, 44| 44 En aan de linkerhand Chaldeüs, 990 9, 44| de linkerhand Chaldeüs, en Misaël, Melchias, Haothasufus, 991 9, 45| 45 En Ezra nam het boek op voor 992 9, 45| boek op voor de menigte, en zat heerlijk in de tegenwoordigheid 993 9, 46| 46 En als hij de wet uitlegde, 994 9, 46| zo stonden zij rechtop. En Ezra loofde de Here, de 995 9, 47| 47 En al het volk antwoordde daarop 996 9, 47| antwoordde daarop Amen! En hun handen opwaarts heffende, 997 9, 47| handen opwaarts heffende, en op de aarde vallende, baden 998 9, 48| 48 Jozua nu, en Anniuth, en Sarabias, en 999 9, 48| 48 Jozua nu, en Anniuth, en Sarabias, en Jadin, en Jakobus, 1000 9, 48| en Anniuth, en Sarabias, en Jadin, en Jakobus, Sabateas,


1-500 | 501-1000 | 1001-1019

Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License