1-500 | 501-901
Chapter, Verse
1 1, 1 | en slachtte het Pascha op de veertiende dag der eerste
2 1, 2 | 2 En stelde de priesters, die met lange
3 1, 2 | naar hun dagordening in de tempel des Heren.~
4 1, 3 | 3 En hij zeide tot de Levieten, die het heilige
5 1, 3 | bedienden, dat zij zichzelf de Here zouden heiligen, om
6 1, 3 | Here zouden heiligen, om de heilige ark des Heren te
7 1, 3 | zetten in het huis, dat de koning Salomo de zoon Davids
8 1, 3 | huis, dat de koning Salomo de zoon Davids gebouwd had;~
9 1, 4 | moogt deze niet meer op de schouders dragen. En nu:
10 1, 4 | schouders dragen. En nu: dient de Here uw God, en hebt acht
11 1, 5 | het voorschrift Davids; de koning Israëls, en naar
12 1, 5 | koning Israëls, en naar de heerlijke instelling Salomo'
13 1, 5 | staat in het heiligdom naar de verdeling der oversten uwer
14 1, 5 | der oversten uwer vaderen, de Levieten, die voor uw broederen
15 1, 5 | Levieten, die voor uw broederen de kinderen Israëls dienen.~
16 1, 6 | ordelijk het Pascha, en bereidt de offeranden voor uw broederen;
17 1, 8 | 8 Dit werd uit de goederen des konings, volgens
18 1, 8 | belofte, aan het volk en aan de priesters en de Levieten
19 1, 8 | volk en aan de priesters en de Levieten gegeven.~
20 1, 9 | tempels waren, schonken aan de priesters voor het Pascha,
21 1, 9 | overste over duizend, gaven de Levieten, voor het Pascha
22 1, 10| geschiedden, zo stonden de priesters en Levieten, hebbende
23 1, 10| priesters en Levieten, hebbende de ongehevelde broden naar
24 1, 10| naar hun stammen, en naar de verdeling van de oversten
25 1, 10| en naar de verdeling van de oversten der vaderen, voor
26 1, 11| 11 Om de Here te offeren, volgens
27 1, 13| dat voor zichzelf, en voor de priesters, hun broederen,
28 1, 13| priesters, hun broederen, de zonen Aärons.~
29 1, 14| 14 Want de priesters offerden het vette,
30 1, 14| offerden het vette, totdat de tijd verliep; en de Levieten
31 1, 14| totdat de tijd verliep; en de Levieten bereidden het voor
32 1, 14| het voor zichzelf, en voor de priesters, hun broederen,
33 1, 14| priesters, hun broederen, de zonen Aärons.~
34 1, 15| 15 En de heilige Zangers, de kinderen
35 1, 15| 15 En de heilige Zangers, de kinderen Asafs, waren in
36 1, 15| Zacharia, en Jeduthun, die door de koning gesteld was.~
37 1, 16| 16 En de deurwachters stonden aan
38 1, 16| aftreden. Want hun broeders, de Levieten, bereidden het
39 1, 17| voleindigd alles wat tot de offerande des Heren op die
40 1, 19| 19 En de kinderen Israëls, die daar
41 1, 20| gehouden in Israël, van de tijden van de profeet Samuël
42 1, 20| Israël, van de tijden van de profeet Samuël af.~
43 1, 21| Josia gehouden heeft, en de priesters en de Levieten,
44 1, 21| heeft, en de priesters en de Levieten, en de Joden en
45 1, 21| priesters en de Levieten, en de Joden en geheel Israël,
46 1, 23| 23 En de werken van Josia zijn gericht
47 1, 23| zijn gericht geworden voor de Here, met een hart vol van
48 1, 24| die zijn beschreven in de vorige tijden, vanwege hen,
49 1, 24| goddeloosheid bedreven hebben tegen de Here, meer dan enig volk
50 1, 24| hem bedroefd hebben; en de woorden des Heren zijn opgestaan
51 1, 25| het geschied, dat Farao de koning van Egypte kwam,
52 1, 25| verwekte te Karchamis bij de Eufraat gelegen; en Josia
53 1, 26| 26 En de koning van Egypte zond tot
54 1, 27| Ik ben tegen u door God de Here niet uitgezonden, want
55 1, 27| uitgezonden, want mijn krijg is op de Eufraat; en nu, de Here
56 1, 27| is op de Eufraat; en nu, de Here is bij mij, en de Here
57 1, 27| de Here is bij mij, en de Here is haastig bij mij;
58 1, 27| mij, en stel u niet tegen de Here.~
59 1, 28| bestrijden, niet lettende op de woorden van de profeet Jeremia,
60 1, 28| lettende op de woorden van de profeet Jeremia, die hij
61 1, 28| Jeremia, die hij hem zeide uit de mond des Heren.~
62 1, 29| in het veld Megiddo, en de oversten kwamen af tegen
63 1, 29| oversten kwamen af tegen de koning Josia.~
64 1, 30| 30 En de koning zeide tot zijn knechten:
65 1, 30| knechten: Voert mij af uit de strijd, want ik ben zeer
66 1, 30| voerden hem terstond af uit de slagorden.~
67 1, 32| over Josia, en Jeremia, de profeet beklaagde Josia,
68 1, 32| profeet beklaagde Josia, en de voornaamsten met hun vrouwen
69 1, 33| beschreven in het boek van de geschiedenissen der koningen
70 1, 33| en van zijn wetenschap in de wet des Heren. En hetgeen
71 1, 33| verhaald in het boek van de koningen van Israël en Juda.~
72 1, 34| En het volk nam Joachas, de zoon van Josia, en maakte
73 1, 35| Jeruzalem drie maanden. En de koning van Egypte zette
74 1, 37| 37 En de koning van Egypte stelde
75 1, 38| En verplichte Jojakim en de groten aan zich; maar zijn
76 1, 39| deed wat kwaad was voor de Here.~
77 1, 40| toog op Nabuchodonosor, de koning van Babylon, en bond
78 1, 41| En Nabuchodonosor nam van de heilige vaten des Heren,
79 1, 42| beschreven in het boek van de tijden der koningen.~
80 1, 44| deed dat kwaad was voor de Here.~
81 1, 45| naar Babylon, tezamen met de heilige vaten des Heren;~
82 1, 47| deed dat kwaad was voor de Here; en vreesde niet voor
83 1, 47| Here; en vreesde niet voor de woorden, die door Jeremia
84 1, 47| woorden, die door Jeremia de profeet gesproken waren
85 1, 47| profeet gesproken waren uit de mond des Heren.~
86 1, 48| hij een eed gedaan had aan de koning Nabuchodonosor, bij
87 1, 48| koning Nabuchodonosor, bij de naam des Heren, zo werd
88 1, 48| en zijn hart, en overtrad de inzettingen des Heren, des
89 1, 49| 49 En ook de oversten des volks en der
90 1, 49| goddeloosheden, ook bovenal de onreinheden van al de heidenen,
91 1, 49| bovenal de onreinheden van al de heidenen, en bevlekten de
92 1, 49| de heidenen, en bevlekten de tempel des Heren, die te
93 1, 50| 50 En de God hunner vaderen zond
94 1, 51| bespotten zijn boden, en op de dag dat de Here tot hen
95 1, 51| boden, en op de dag dat de Here tot hen sprak, belachten
96 1, 52| vanwege hun goddeloosheid, de koningen der Chaldeeën tegen
97 1, 53| met het zwaard zelfs in de omgang van hun heilige tempel,
98 1, 54| allen in hun handen, en al de heilige vaten des Heren
99 1, 54| Heren groot en klein, en de ark des Heren, en de koninklijke
100 1, 54| en de ark des Heren, en de koninklijke schatkisten
101 1, 55| huis des Heren, en braken de muren van Jeruzalem, en
102 1, 57| kinderen dienstknechten, totdat de Perzen regeerden, opdat
103 1, 57| des Heren, gesproken door de mond van Jeremia;~
104 1, 58| een welbehagen had, en al de tijd van zijn verwoesting
105 2, 1 | 1 ALS Cyrus over de Perzen regeerde, in het
106 2, 1 | vervuld werd dat hij door de mond van Jeremia gesproken
107 2, 2 | 2 Zo verwekte de Here de geest van Cyrus,
108 2, 2 | 2 Zo verwekte de Here de geest van Cyrus, de koning
109 2, 2 | Here de geest van Cyrus, de koning der Perzen, die liet
110 2, 3 | 3 Dit zegt Cyrus, de koning der Perzen: De Here
111 2, 3 | Cyrus, de koning der Perzen: De Here Israëls, de allerhoogste
112 2, 3 | Perzen: De Here Israëls, de allerhoogste Here, heeft
113 2, 3 | tot koning gemaakt over de gehele aarde;~
114 2, 5 | van u is uit zijn volk, de Here zij met hem, en hij
115 2, 5 | Heren van Israël; deze is de Here, die te Jeruzalem woont.~
116 2, 7 | als geloften toebrengt in de tempel des Heren, die te
117 2, 8 | 8 Toen stonden op de voornaamsten uit de vaderlijke
118 2, 8 | stonden op de voornaamsten uit de vaderlijke stammen van Juda
119 2, 8 | van Juda en Benjamin, en de priesters en Levieten, en
120 2, 10| 10 En de koning Cyrus bracht tevoorschijn
121 2, 10| Cyrus bracht tevoorschijn de heilige vaten des Heren,
122 2, 11| 11 En Cyrus, de koning der Perzen, die tevoorschijn
123 2, 12| overgeleverd aan Schesbatzar, de stadhouder van Judea.~
124 2, 14| 14 Al de vaten dan, die overgebracht
125 2, 15| Schesbatzar, met degenen, die uit de gevangenis van Babylonië
126 2, 16| ten tijde van Artaxerxes, de koning van Perzië, schreven
127 2, 16| en Balthemus en Samellius de schrijver, en de overigen
128 2, 16| Samellius de schrijver, en de overigen die met hen verordineerd
129 2, 17| 17 De koning Artaxerxes onze Heer;
130 2, 17| dienaars Rathymus, gesteld over de voorvallende zaken, en Samellius
131 2, 17| voorvallende zaken, en Samellius de schrijver, en de anderen
132 2, 17| Samellius de schrijver, en de anderen van hun raad, en
133 2, 18| 18 Het zij nu de Heer koning bekend gemaakt,
134 2, 18| koning bekend gemaakt, dat de Joden, die van u tot ons
135 2, 18| hun muren herstellen, en de tempel weder oprichten.~
136 2, 19| willen geven, maar zullen ook de koningen wederstaan.~
137 2, 20| het werk is met hetgeen de tempel aangaat, zo heeft
138 2, 21| 21 Maar de Heer koning zulks te laten
139 2, 21| zo het u goeddunkt, in de boeken van uw vaderen nagelaten,
140 2, 22| 22 En gij zult in de gedenkboeken, daarover geschreven,
141 2, 23| 23 En dat de Joden daarin zich, van ouds
142 2, 25| 25 Toen schreef de koning terug aan Rathymus,
143 2, 25| koning terug aan Rathymus, de schrijver, die over de voorvallende
144 2, 25| de schrijver, die over de voorvallende zaken gesteld
145 2, 25| Balthemus, en aan Samellius, de schrijver, en aan de anderen,
146 2, 25| Samellius, de schrijver, en aan de anderen, die met hen verordineerd
147 2, 26| 26 Ik heb de brief, die gij aan mij gezonden
148 2, 26| stad van ouds af zich tegen de koningen heeft gesteld;~
149 2, 27| 27 En dat de lieden afvallig geweest
150 2, 29| 29 En dat de boosheid niet verder ga,
151 2, 29| boosheid niet verder ga, om de koningen moeite aan te doen.~
152 2, 30| 30 Toen nu hetgeen van de koning Artaxerxes geschreven
153 2, 30| spanden Rathymus, en Samellius de schrijver en die met hen
154 2, 31| te verhinderen. Zo stond de bouw des tempels te Jeruzalem
155 2, 31| het koninkrijk van Darius, de koning van Perzië.~
156 3, 1 | huisgenoten, en voor al de groten van Medië en Perzië;~
157 3, 2 | aan tot Ethiopië toe, in de honderdenzeventien provinciën.~
158 3, 3 | naar huis. Doch Darius, de koning, keerde weder in
159 3, 4 | 4 Toen zeiden de drie jongelingen, die des
160 3, 4 | waren, en hem bewaarden, de een tot de ander:~
161 3, 4 | hem bewaarden, de een tot de ander:~
162 3, 5 | ieder een spreuk zeggen, WIE DE STERKSTE IS; en wiens woord
163 3, 5 | dat des anderen, hem zal de koning Darius grote giften
164 3, 7 | 7 En hij zal de tweede naast Darius zitten
165 3, 9 | 9 En zeide, wanneer de koning zal opgestaan zijn,
166 3, 9 | geschrift geven; en van wie de koning en de drie oversten
167 3, 9 | en van wie de koning en de drie oversten van Perzië
168 3, 9 | oordelen, dat zijn rede de wijste is, die zal de overwinning
169 3, 9 | rede de wijste is, die zal de overwinning gegeven worden,
170 3, 10| 10 De eerste schreef: De wijn
171 3, 10| 10 De eerste schreef: De wijn is de sterkste.~
172 3, 10| eerste schreef: De wijn is de sterkste.~
173 3, 11| 11 De andere: De koning is de
174 3, 11| 11 De andere: De koning is de sterkste.~
175 3, 11| De andere: De koning is de sterkste.~
176 3, 12| 12 De derde schreef: De vrouwen
177 3, 12| 12 De derde schreef: De vrouwen zijn de sterkste,
178 3, 12| schreef: De vrouwen zijn de sterkste, maar boven alle
179 3, 12| maar boven alle overwint de waarheid.~
180 3, 13| 13 En als de koning opgestaan was, namen
181 3, 14| hebbende liet hij roepen al de groten van Perzië en Medië,
182 3, 14| van Perzië en Medië, en de vorsten, en de krijgsoversten,
183 3, 14| Medië, en de vorsten, en de krijgsoversten, en oversten
184 3, 14| oversten der landen, en de burgemeesters.~
185 3, 16| 16 Roept de jongelingen, en laat henzelf
186 3, 18| 18 En de eerste begon, die van de
187 3, 18| de eerste begon, die van de sterkte des wijns gesproken
188 3, 19| mannen, hoe oversterk is de wijn; hij verleidt al de
189 3, 19| de wijn; hij verleidt al de mensen die hem drinken;~
190 3, 20| verstand des konings én van de wees enerlei verstand, gelijk
191 3, 22| rijk, en gedenkt niet aan de koning of vorst, en hij
192 3, 23| niet om vriendelijk te zijn de vrienden en broeders, en
193 3, 23| en trekken kort daarna de zwaarden uit.~
194 3, 24| 24 En als zij van de wijn opgestaan zijn, zo
195 3, 25| 25 O mannen, is de wijn niet de sterkste, dewijl
196 3, 25| mannen, is de wijn niet de sterkste, dewijl hij dit
197 4, 1 | 1 TOEN begon de tweede te spreken, die gezegd
198 4, 1 | spreken, die gezegd had van de sterkte des konings, en
199 4, 2 | 2 O mannen, zijn niet de mensen de sterkste, die
200 4, 2 | mannen, zijn niet de mensen de sterkste, die het land en
201 4, 2 | sterkste, die het land en de zee bemachtigen, en alles
202 4, 3 | 3 De koning nu overtreft en overheerst
203 4, 4 | Indien hij hun zegt dat zij de een de anderen zullen oorlog
204 4, 4 | hun zegt dat zij de een de anderen zullen oorlog aandoen,
205 4, 4 | zij gaan; zij slechten de bergen, en de muren, en
206 4, 4 | zij slechten de bergen, en de muren, en de torens;~
207 4, 4 | bergen, en de muren, en de torens;~
208 4, 5 | zo brengen zij alles tot de koning: wat zij geroofd
209 4, 6 | 6 En allen die in de krijg niet gaan noch oorlog
210 4, 6 | nu maaien, zo brengen zij de koning schatting; en de
211 4, 6 | de koning schatting; en de een dwingt de ander om de
212 4, 6 | schatting; en de een dwingt de ander om de koning schatting
213 4, 6 | de een dwingt de ander om de koning schatting toe te
214 4, 11| slaapt hij, zo hebben zij de wacht ringswijze rondom
215 4, 12| 12 O mannen, hoe is dan de koning niet de sterkste,
216 4, 12| hoe is dan de koning niet de sterkste, die men alzo gehoorzaamt?
217 4, 13| 13 De derde, die van de vrouwen
218 4, 13| 13 De derde, die van de vrouwen en van de waarheid
219 4, 13| die van de vrouwen en van de waarheid had gezegd, namelijk
220 4, 14| 14 O mannen, niet de grote koning, noch de veelheid
221 4, 14| niet de grote koning, noch de veelheid der mensen, noch
222 4, 14| veelheid der mensen, noch de wijn is de sterkste.~
223 4, 14| mensen, noch de wijn is de sterkste.~
224 4, 15| hen regeert? zijn het niet de vrouwen? De vrouwen hebben
225 4, 15| zijn het niet de vrouwen? De vrouwen hebben de koning
226 4, 15| vrouwen? De vrouwen hebben de koning ter wereld gebracht,
227 4, 15| gebracht, en al het volk, dat de zee en de aarde regeert
228 4, 15| het volk, dat de zee en de aarde regeert is uit haar
229 4, 16| zelfs degenen opgevoed, die de wijngaarden planten, uit
230 4, 16| wijngaarden planten, uit welke de wijn voortkomt.~
231 4, 17| 17 En zij zelf maken de kleding der mensen, en zij
232 4, 17| hetgeen heerlijk is voor de mensen, en de mensen kunnen
233 4, 17| heerlijk is voor de mensen, en de mensen kunnen zonder de
234 4, 17| de mensen kunnen zonder de vrouwen niet zijn.~
235 4, 19| zij dat alles, en wenden de ogen op haar, en met open
236 4, 21| 21 En bij de vrouw laat hij zijn leven;
237 4, 22| hieruit moet gij weten, dat de vrouwen u regeren.~
238 4, 23| alles, en brengt het aan de vrouw? Ja een man neemt
239 4, 23| zwaard, en gaat heen op de wegen te liggen, en te roven
240 4, 23| roven en te stelen, en op de zee en rivieren te varen;~
241 4, 28| gelooft gij mij niet? Is de koning niet groot in zijn
242 4, 29| ik hem gezien en Apame, de dochter des wondergroten
243 4, 29| konings bijwijf, die aan de rechterhand des konings
244 4, 30| 30 En zij nam de kroon van het hoofd des
245 4, 30| die zichzelf op, en sloeg de koning met haar linkerhand.~
246 4, 31| 31 En bovendien zag haar de koning met open mond aan,
247 4, 32| 32 O mannen, hoe zijn dan de vrouwen niet sterk, dewijl
248 4, 33| 33 Toen zagen de koning en de groten op elkander.
249 4, 33| Toen zagen de koning en de groten op elkander. En hij,
250 4, 33| hij, begon te spreken van de waarheid.~
251 4, 34| 34 O mannen, zijn niet de vrouwen sterk! Groot is
252 4, 34| vrouwen sterk! Groot is de aarde,. en hoog is de hemel,
253 4, 34| is de aarde,. en hoog is de hemel, en snel in haar loop
254 4, 34| en snel in haar loop is de zon, want zij, draait in
255 4, 34| zon, want zij, draait in de cirkel des hemels, en zij
256 4, 35| zodanige dingen doet? Doch de waarheid is groot en sterker
257 4, 36| 36 De gehele aarde roept de waarheid
258 4, 36| 36 De gehele aarde roept de waarheid aan, en de hemel
259 4, 36| roept de waarheid aan, en de hemel looft dezelve, en
260 4, 36| hemel looft dezelve, en al de werken worden bewogen en
261 4, 37| 37 De wijn is onrecht, in de koning
262 4, 37| 37 De wijn is onrecht, in de koning is onrecht, in de
263 4, 37| de koning is onrecht, in de vrouwen is onrecht, in alle
264 4, 38| 38 Maar de waarheid blijft en is sterk
265 4, 40| geen onrecht, en zij is de kracht, en het koninkrijk,
266 4, 40| kracht, en het koninkrijk, en de macht, en de heerlijkheid,
267 4, 40| koninkrijk, en de macht, en de heerlijkheid, van alle eeuwen.
268 4, 40| alle eeuwen. Geprezen zij de God der waarheid!~
269 4, 41| en sprak toen: Groot is de waarheid, en zij is sterk
270 4, 42| 42 Toen zeide de koning tot hem, eis wat
271 4, 42| wijzer bevonden zijt dan de anderen, en gij zult naast
272 4, 43| 43 Toen zeide hij tot de koning: Gedenk aan uw belofte,
273 4, 43| Jeruzalem te zullen bouwen, op de dag waarop gij uw koninkrijk
274 4, 44| 44 En dat gij al de vaten, die uit Jeruzalem
275 4, 45| 45 En gij hebt beloofd de tempel te bouwen, welke
276 4, 45| tempel te bouwen, welke de Idumeeërs verbrand hebben,
277 4, 45| hebben, toen Judea door de Chaldeeën is verwoest.~
278 4, 46| van u begeer: en deze is de heerlijkheid, die door mij
279 4, 46| wordt. Ik bid dan dat gij de belofte volbrengt, die gij
280 4, 46| belofte volbrengt, die gij de Koning des hemels met uw
281 4, 47| 47 Toen stond de koning Darius op, en kuste
282 4, 47| kuste hem; en schreef hem de brieven aan al de rentmeesters,
283 4, 47| schreef hem de brieven aan al de rentmeesters, en landvoogden
284 4, 48| 48 En aan al de landvoogden in Celo-Syrië,
285 4, 48| Celo-Syrië, Fenicië, en van de berg Libanon, schreef hij
286 4, 48| cederhout zouden overbrengen van de berg Libanon naar Jeruzalem,
287 4, 48| naar Jeruzalem, en dat zij de stad met hem zouden bouwen.~
288 4, 49| 49 En hij schreef aan al de Joden, die uit zijn koninkrijk
289 4, 49| in Judea opgingen vanwege de vrijheid, dat geen machtige,
290 4, 50| schatting zou zijn: en dat de Idumeeërs de vlekken der
291 4, 50| zijn: en dat de Idumeeërs de vlekken der Joden zouden
292 4, 51| 51 En tot de bouw des tempels jaarlijks
293 4, 53| Babylonië zouden opgaan om de stad te bouwen, vrijheid
294 4, 53| hun nakomelingen, met al de priesters die mede zouden
295 4, 54| onderhoud der priesters, en van de priesterlijke kleding waarin
296 4, 55| En hij schreef, dat men de Levieten onderhoud zou geven,
297 4, 55| onderhoud zou geven, tot de dag toe dat het huis Gods
298 4, 56| schreef, dat men allen, die de stad bewaarden, hun deel
299 4, 57| 57 En hij zond weder al de vaten, die Cyrus uit Babylonië
300 4, 58| 58 En toen de jongeling uitging, verhief
301 4, 58| hij zijn aangezicht naar de hemel tegenover Jeruzalem,
302 4, 58| tegenover Jeruzalem, en dankte de Koning des hemels, zeggende:~
303 4, 59| 59 Van u is de overwinning, en van u is
304 4, 59| overwinning, en van u is de wijsheid, en uw is de heerlijkheid,
305 4, 59| is de wijsheid, en uw is de heerlijkheid, en ik ben
306 4, 61| 61 En hij nam de brieven, en ging heen en
307 4, 62| 62 En zij loofden de God hunner vaderen, dat
308 4, 63| en Jeruzalem te bouwen en de tempel waarover zijn naam
309 5, 1 | verkoren om op te trekken de oversten van de huizen der
310 5, 1 | trekken de oversten van de huizen der vaderen naar
311 5, 4 | 4 Dit nu zijn de namen der mannen die optrokken,
312 5, 4 | mannen die optrokken, naar de huizen hunner vaderen in
313 5, 4 | huizen hunner vaderen in de stammen, naar de verdeling
314 5, 4 | vaderen in de stammen, naar de verdeling hunner heerschappijen.~
315 5, 5 | 5 De priesters: de zonen van
316 5, 5 | 5 De priesters: de zonen van Pinehas, de zoon
317 5, 5 | priesters: de zonen van Pinehas, de zoon van Aäron, waren Jozua,
318 5, 5 | van Aäron, waren Jozua, de zoon van Josedek, de zoon
319 5, 5 | Jozua, de zoon van Josedek, de zoon van Seraja, en Jojakim;
320 5, 5 | Jojakim; daarna Zerubabel, de zoon van Salathiël, uit
321 5, 5 | geslacht van Fares, en van de stam Juda.~
322 5, 6 | 6 Die onder Darius, de koning der Perzen, de wijze
323 5, 6 | Darius, de koning der Perzen, de wijze redenen gesproken
324 5, 6 | jaar zijns koninkrijks in de maand Nisan, welke is de
325 5, 6 | de maand Nisan, welke is de eerste maand.~
326 5, 7 | Judea zijn opgetrokken uit de gevangenis van hun vreemdelingschap,
327 5, 7 | vreemdelingschap, welke Nabuchodonosor, de koning van Babel, in Babylonië
328 5, 8 | naar Jeruzalem, en naar de andere delen van Judea,
329 5, 9 | met hun oversten, was: de kinderen Parosch tweeduizendeenhonderd
330 5, 10| 10 De kinderen Sarat vierhonderdtweeënzeventig.
331 5, 10| vierhonderdtweeënzeventig. De kinderen van Ares zevenhonderd
332 5, 11| 11 De kinderen van Faät Moab,
333 5, 11| kinderen van Faät Moab, onder de kinderen van Jozua en Joab
334 5, 12| 12 De kinderen van Elam duizendtweehonderdvierenvijftig.
335 5, 12| duizendtweehonderdvierenvijftig. De kinderen van Zathaï negenhonderdvijfenzeventig.
336 5, 12| negenhonderdvijfenzeventig. De kinderen van Chorvas zevenhonderd
337 5, 12| Chorvas zevenhonderd en vijf. De kinderen van Bani zeshonderdachtenveertig.~
338 5, 13| 13 De kinderen van Babaï zeshonderddrieëndertig.
339 5, 13| zeshonderddrieëndertig. De kinderen van Argas duizend
340 5, 14| 14 De kinderen van Adonikam zeshonderdzevenendertig.
341 5, 14| zeshonderdzevenendertig. De kinderen van Bagoë tweeduizendzesenzestig.
342 5, 14| tweeduizendzesenzestig. De kinderen van Adin vierhonderdvierenvijftig.~
343 5, 15| 15 De kinderen van Ater uit Esekia
344 5, 15| uit Esekia tweeënnegentig. De kinderen van Cilas en Azenas
345 5, 15| en Azenas zevenenzestig. De kinderen van Azar vierhonderdtweeëndertig.~
346 5, 16| 16 De kinderen van Amri honderdeneen.
347 5, 16| kinderen van Amri honderdeneen. De kinderen van Arom tweeëndertig.
348 5, 16| kinderen van Arom tweeëndertig. De kinderen van Base driehonderd
349 5, 16| driehonderd drieentwintig. De kinderen van Arisfurith
350 5, 17| 17 De kinderen van Beter drieduizendenvijf.~
351 5, 18| 18 De kinderen uit Bethlomon honderddrieëntwintig;
352 5, 19| zevenhonderddrieënveertig; de Gadiastieten en Ammidiën
353 5, 21| 21 De kinderen van Nifis honderdzesenvijftig;
354 5, 21| Nifis honderdzesenvijftig; de kinderen Kalamelali en Onus
355 5, 22| 22 De kinderen van Jerechu tweehonderdvijfenveertig.~
356 5, 23| 23 De kinderen van Sanaäs drieduizend
357 5, 24| 24 De priesters: de kinderen van
358 5, 24| 24 De priesters: de kinderen van Jeddu, de zoon
359 5, 24| de kinderen van Jeddu, de zoon Jozua, met de kinderen
360 5, 24| Jeddu, de zoon Jozua, met de kinderen van Lanasib achthonderdzevenenzeventig.
361 5, 24| achthonderdzevenenzeventig. De kinderen Emeruth tweehonderdtweeënvijftig.~
362 5, 25| 25 De kinderen van Fassur duizendvierhonderdenzeven.
363 5, 25| duizendvierhonderdenzeven. De kinderen van Charmi tweehonderdenzeventien.~
364 5, 26| 26 De Levieten: de kinderen Jozut
365 5, 26| 26 De Levieten: de kinderen Jozut en Kadoëli
366 5, 27| 27 De heilige zangers: de kinderen
367 5, 27| 27 De heilige zangers: de kinderen van Asaf honderdenachtentwintig.~
368 5, 28| 28 De deurwachters: de kinderen
369 5, 28| 28 De deurwachters: de kinderen van Salum, de kinderen
370 5, 28| de kinderen van Salum, de kinderen van Atar, de kinderen
371 5, 28| Salum, de kinderen van Atar, de kinderen van Tolman, de
372 5, 28| de kinderen van Tolman, de kinderen van Dahub, de kinderen
373 5, 28| de kinderen van Dahub, de kinderen van Ateta, de kinderen
374 5, 28| de kinderen van Ateta, de kinderen van Tobi, allen
375 5, 29| Die het heiligdom dienden: de kinderen van Hesai, de kinderen
376 5, 29| de kinderen van Hesai, de kinderen van Asifa, de kinderen
377 5, 29| de kinderen van Asifa, de kinderen van Tabaoth, de
378 5, 29| de kinderen van Tabaoth, de kinderen van Seras, de kinderen
379 5, 29| de kinderen van Seras, de kinderen van Suda, de kinderen
380 5, 29| Seras, de kinderen van Suda, de kinderen van Faleas.~
381 5, 30| 30 De kinderen van Labana, de
382 5, 30| De kinderen van Labana, de kinderen van Agraba, de
383 5, 30| de kinderen van Agraba, de kinderen van Akud, de kinderen
384 5, 30| Agraba, de kinderen van Akud, de kinderen van Uta, de kinderen
385 5, 30| Akud, de kinderen van Uta, de kinderen van Cetab, de kinderen
386 5, 30| de kinderen van Cetab, de kinderen van Akaba, de kinderen
387 5, 30| de kinderen van Akaba, de kinderen van Sijba, de kinderen
388 5, 30| de kinderen van Sijba, de kinderen van Anan, de kinderen
389 5, 30| Sijba, de kinderen van Anan, de kinderen van Cathua.~
390 5, 31| 31 De kinderen van Geddur, de
391 5, 31| De kinderen van Geddur, de kinderen van Laïr, de kinderen
392 5, 31| Geddur, de kinderen van Laïr, de kinderen van Desan, de kinderen
393 5, 31| de kinderen van Desan, de kinderen van Noëba, de kinderen
394 5, 31| de kinderen van Noëba, de kinderen van Chaseba, de
395 5, 31| de kinderen van Chaseba, de kinderen van Cazera, de
396 5, 31| de kinderen van Cazera, de kinderen van Ozia, de kinderen
397 5, 31| Cazera, de kinderen van Ozia, de kinderen van Finoë, de kinderen
398 5, 31| de kinderen van Finoë, de kinderen van Asara.~
399 5, 32| 32 De kinderen van Basthaï, de
400 5, 32| De kinderen van Basthaï, de kinderen van Assana, de
401 5, 32| de kinderen van Assana, de kinderen van Mavi, de kinderen
402 5, 32| Assana, de kinderen van Mavi, de kinderen van Nafis, de kinderen
403 5, 32| de kinderen van Nafis, de kinderen van Akuf, de kinderen
404 5, 32| Nafis, de kinderen van Akuf, de kinderen van Achiba, de
405 5, 32| de kinderen van Achiba, de kinderen van Asub, de kinderen
406 5, 32| Achiba, de kinderen van Asub, de kinderen van Farenaces.~
407 5, 33| 33 De kinderen der dienstknechten
408 5, 33| dienstknechten van Salomo, de kinderen van Asapfioth,
409 5, 33| kinderen van Asapfioth, de kinderen van Farera, de
410 5, 33| de kinderen van Farera, de kinderen van Jejeli, de
411 5, 33| de kinderen van Jejeli, de kinderen van Lozon, de kinderen
412 5, 33| de kinderen van Lozon, de kinderen van Isdaël, de
413 5, 33| de kinderen van Isdaël, de kinderen van Safni.~
414 5, 34| 34 De kinderen van Hagia, de zonen
415 5, 34| 34 De kinderen van Hagia, de zonen van Sachareth, de
416 5, 34| de zonen van Sachareth, de kinderen van Sabia, de kinderen
417 5, 34| de kinderen van Sabia, de kinderen van Saroth, de
418 5, 34| de kinderen van Saroth, de kinderen van Misaje, de
419 5, 34| de kinderen van Misaje, de kinderen van Gas, de kinderen
420 5, 34| Misaje, de kinderen van Gas, de kinderen van Addus, de kinderen
421 5, 34| de kinderen van Addus, de kinderen van Suba, de kinderen
422 5, 34| Addus, de kinderen van Suba, de kinderen van Aferra, de
423 5, 34| de kinderen van Aferra, de kinderen van Barod, de kinderen
424 5, 34| de kinderen van Barod, de kinderen van Safag, de kinderen
425 5, 34| de kinderen van Safag, de kinderen van Allom.~
426 5, 37| hoe zij uit Israël waren. De kinderen van Dalan, de zoon
427 5, 37| De kinderen van Dalan, de zoon van Baëma, de kinderen
428 5, 37| Dalan, de zoon van Baëma, de kinderen van Nehoda zeshonderdtweeënvijftig;~
429 5, 38| 38 En uit de priesters, die het priesterschap
430 5, 38| geslacht niet werd gevonden, de kinderen van Obdie, de kinderen
431 5, 38| de kinderen van Obdie, de kinderen van Akbos, de kinderen
432 5, 38| de kinderen van Akbos, de kinderen van Jaddu, die
433 5, 38| tot een huisvrouw nam, uit de dochteren Faëzeldeüs, en
434 5, 40| geen deel zouden hebben aan de geheiligde dingen, totdat
435 5, 41| 41 Al de Israëlieten nu waren van
436 5, 41| jaren en daarboven, zonder de dienstknechten en dienstmaagden,
437 5, 42| driehonderd en zevenendertig. De zangers en de zangeressen,
438 5, 42| zevenendertig. De zangers en de zangeressen, tweehonderdenvijfenveertig.~
439 5, 44| 44 En enigen uit de oversten van hun familiën,
440 5, 44| familiën, als zij nu in de tempel Gods te Jeruzalem
441 5, 45| 45 En te geven tot de heilige schatkist der werken,
442 5, 46| 46 En de priesters en Levieten, en
443 5, 46| Jeruzalem, en in het land, en de heilige zangers, en deurwachters,
444 5, 47| 47 En toen nu de zevende maand kwam, en de
445 5, 47| de zevende maand kwam, en de kinderen Israëls elk in
446 5, 47| eendrachtig vergaderd in de voorhof der eerste poort,
447 5, 48| 48 En Jozua, de zoon van Josedek, en zijn
448 5, 48| Josedek, en zijn broeders de priesters, met Zerubabel,
449 5, 48| priesters, met Zerubabel, de zoon van Sealthiël en zijn
450 5, 49| bereidden het altaar van de God Israëls, om daarop brandofferen
451 5, 49| hetgeen in het boek van Mozes de man Gods verhaald staat.~
452 5, 50| plaats, hoewel enigen uit de andere volken des lands
453 5, 51| 51 Want al de volken, die op de aarde
454 5, 51| Want al de volken, die op de aarde waren, versterkten
455 5, 51| offerden offeranden naar de tijd, en brandofferen voor
456 5, 51| tijd, en brandofferen voor de Here, namelijk het vroeg-offer
457 5, 52| der loofhutten, gelijk in de wet bevolen was, en offerden
458 5, 53| geloften gedaan hadden, van de nieuwe maan der zevende
459 5, 53| offeranden te offeren, en de tempel des Heren was nog
460 5, 54| 54 En zij gaven geld aan de steenhouwers, en timmerlieden,
461 5, 55| 55 En karren aan de Sidoniërs en Tyriërs, opdat
462 5, 55| opdat zij hun cederhout van de berg Libanon zouden toebrengen,
463 5, 55| vlotten over te voeren naar de haven van Joppe, volgens
464 5, 55| het bevel, dat van Cyrus, de koning van Perzië, hun was
465 5, 56| tweede jaar nadat hij tot de tempel Gods te Jeruzalem
466 5, 56| Jeruzalem was gekomen, op de tweede maand, begon Zerubabel,
467 5, 56| maand, begon Zerubabel, de zoon van Sealthiël, en Jozua
468 5, 56| van Sealthiël, en Jozua de zoon van Josedek, en hun
469 5, 56| Josedek, en hun broederen, en de priesters, de Levieten,
470 5, 56| broederen, en de priesters, de Levieten, en allen die uit
471 5, 56| Levieten, en allen die uit de gevangenis te Jeruzalem
472 5, 57| fundament van het huis Gods in de nieuwe maan van de tweede
473 5, 57| Gods in de nieuwe maan van de tweede maand, als zij in
474 5, 58| 58 En stelden de Levieten, die boven de twintig
475 5, 58| stelden de Levieten, die boven de twintig jaren waren, over
476 5, 58| twintig jaren waren, over de werken des Heren; en Jozua
477 5, 58| Kadmiël zijn broeder, en de zonen van Emadabus, en de
478 5, 58| de zonen van Emadabus, en de zonen van Joda, de zoon
479 5, 58| Emadabus, en de zonen van Joda, de zoon van Eliadad, met hun
480 5, 58| voort, bij degenen, die de werken maakten in het huis
481 5, 59| 59 En de bouwlieden bouwden de tempel
482 5, 59| En de bouwlieden bouwden de tempel des Heren, en de
483 5, 59| de tempel des Heren, en de priesters stonden in lange
484 5, 59| snarenspel en bazuinen; en de Levieten, de kinderen van
485 5, 59| bazuinen; en de Levieten, de kinderen van Asaf, met cymbalen.~
486 5, 60| 60 Zingende en lovende de Here, naar de instelling
487 5, 60| en lovende de Here, naar de instelling van David, de
488 5, 60| de instelling van David, de koning van Israël.~
489 5, 61| stemmen met gezangen, lovende de Here, dat zijn goedheid
490 5, 62| met grote stem, zingende de Here, over de oprichting
491 5, 62| zingende de Here, over de oprichting van het huis
492 5, 63| 63 Doch enigen uit de priesters en Levieten, en
493 5, 65| 65 Zodat het volk de bazuinen niet wel hoorde,
494 5, 65| schreien des volks, want de schare bazuinde zeer luid,
495 5, 66| 66 En als de vijanden der stammen Juda
496 5, 67| verstonden, dat degenen, die uit de gevangenis waren gekomen,
497 5, 67| gevangenis waren gekomen, de tempel bouwden voor de Here
498 5, 67| de tempel bouwden voor de Here de God Israëls.~
499 5, 67| tempel bouwden voor de Here de God Israëls.~
500 5, 68| Zerubabel en Jozua, en tot de overste der geslachten,
1-500 | 501-901 |