Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
dat 126
david 4
davids 3
de 901
deden 2
deed 4
deel 2
Frequency    [«  »]
-----
-----
1019 en
901 de
423 van
219 het
190 die

Het derde boek Ezra

IntraText - Concordances

de

1-500 | 501-901

    Chapter, Verse
1 1, 1 | en slachtte het Pascha op de veertiende dag der eerste 2 1, 2 | 2 En stelde de priesters, die met lange 3 1, 2 | naar hun dagordening in de tempel des Heren.~ 4 1, 3 | 3 En hij zeide tot de Levieten, die het heilige 5 1, 3 | bedienden, dat zij zichzelf de Here zouden heiligen, om 6 1, 3 | Here zouden heiligen, om de heilige ark des Heren te 7 1, 3 | zetten in het huis, dat de koning Salomo de zoon Davids 8 1, 3 | huis, dat de koning Salomo de zoon Davids gebouwd had;~ 9 1, 4 | moogt deze niet meer op de schouders dragen. En nu: 10 1, 4 | schouders dragen. En nu: dient de Here uw God, en hebt acht 11 1, 5 | het voorschrift Davids; de koning Israëls, en naar 12 1, 5 | koning Israëls, en naar de heerlijke instelling Salomo' 13 1, 5 | staat in het heiligdom naar de verdeling der oversten uwer 14 1, 5 | der oversten uwer vaderen, de Levieten, die voor uw broederen 15 1, 5 | Levieten, die voor uw broederen de kinderen Israëls dienen.~ 16 1, 6 | ordelijk het Pascha, en bereidt de offeranden voor uw broederen; 17 1, 8 | 8 Dit werd uit de goederen des konings, volgens 18 1, 8 | belofte, aan het volk en aan de priesters en de Levieten 19 1, 8 | volk en aan de priesters en de Levieten gegeven.~ 20 1, 9 | tempels waren, schonken aan de priesters voor het Pascha, 21 1, 9 | overste over duizend, gaven de Levieten, voor het Pascha 22 1, 10| geschiedden, zo stonden de priesters en Levieten, hebbende 23 1, 10| priesters en Levieten, hebbende de ongehevelde broden naar 24 1, 10| naar hun stammen, en naar de verdeling van de oversten 25 1, 10| en naar de verdeling van de oversten der vaderen, voor 26 1, 11| 11 Om de Here te offeren, volgens 27 1, 13| dat voor zichzelf, en voor de priesters, hun broederen, 28 1, 13| priesters, hun broederen, de zonen Aärons.~ 29 1, 14| 14 Want de priesters offerden het vette, 30 1, 14| offerden het vette, totdat de tijd verliep; en de Levieten 31 1, 14| totdat de tijd verliep; en de Levieten bereidden het voor 32 1, 14| het voor zichzelf, en voor de priesters, hun broederen, 33 1, 14| priesters, hun broederen, de zonen Aärons.~ 34 1, 15| 15 En de heilige Zangers, de kinderen 35 1, 15| 15 En de heilige Zangers, de kinderen Asafs, waren in 36 1, 15| Zacharia, en Jeduthun, die door de koning gesteld was.~ 37 1, 16| 16 En de deurwachters stonden aan 38 1, 16| aftreden. Want hun broeders, de Levieten, bereidden het 39 1, 17| voleindigd alles wat tot de offerande des Heren op die 40 1, 19| 19 En de kinderen Israëls, die daar 41 1, 20| gehouden in Israël, van de tijden van de profeet Samuël 42 1, 20| Israël, van de tijden van de profeet Samuël af.~ 43 1, 21| Josia gehouden heeft, en de priesters en de Levieten, 44 1, 21| heeft, en de priesters en de Levieten, en de Joden en 45 1, 21| priesters en de Levieten, en de Joden en geheel Israël, 46 1, 23| 23 En de werken van Josia zijn gericht 47 1, 23| zijn gericht geworden voor de Here, met een hart vol van 48 1, 24| die zijn beschreven in de vorige tijden, vanwege hen, 49 1, 24| goddeloosheid bedreven hebben tegen de Here, meer dan enig volk 50 1, 24| hem bedroefd hebben; en de woorden des Heren zijn opgestaan 51 1, 25| het geschied, dat Farao de koning van Egypte kwam, 52 1, 25| verwekte te Karchamis bij de Eufraat gelegen; en Josia 53 1, 26| 26 En de koning van Egypte zond tot 54 1, 27| Ik ben tegen u door God de Here niet uitgezonden, want 55 1, 27| uitgezonden, want mijn krijg is op de Eufraat; en nu, de Here 56 1, 27| is op de Eufraat; en nu, de Here is bij mij, en de Here 57 1, 27| de Here is bij mij, en de Here is haastig bij mij; 58 1, 27| mij, en stel u niet tegen de Here.~ 59 1, 28| bestrijden, niet lettende op de woorden van de profeet Jeremia, 60 1, 28| lettende op de woorden van de profeet Jeremia, die hij 61 1, 28| Jeremia, die hij hem zeide uit de mond des Heren.~ 62 1, 29| in het veld Megiddo, en de oversten kwamen af tegen 63 1, 29| oversten kwamen af tegen de koning Josia.~ 64 1, 30| 30 En de koning zeide tot zijn knechten: 65 1, 30| knechten: Voert mij af uit de strijd, want ik ben zeer 66 1, 30| voerden hem terstond af uit de slagorden.~ 67 1, 32| over Josia, en Jeremia, de profeet beklaagde Josia, 68 1, 32| profeet beklaagde Josia, en de voornaamsten met hun vrouwen 69 1, 33| beschreven in het boek van de geschiedenissen der koningen 70 1, 33| en van zijn wetenschap in de wet des Heren. En hetgeen 71 1, 33| verhaald in het boek van de koningen van Israël en Juda.~ 72 1, 34| En het volk nam Joachas, de zoon van Josia, en maakte 73 1, 35| Jeruzalem drie maanden. En de koning van Egypte zette 74 1, 37| 37 En de koning van Egypte stelde 75 1, 38| En verplichte Jojakim en de groten aan zich; maar zijn 76 1, 39| deed wat kwaad was voor de Here.~ 77 1, 40| toog op Nabuchodonosor, de koning van Babylon, en bond 78 1, 41| En Nabuchodonosor nam van de heilige vaten des Heren, 79 1, 42| beschreven in het boek van de tijden der koningen.~ 80 1, 44| deed dat kwaad was voor de Here.~ 81 1, 45| naar Babylon, tezamen met de heilige vaten des Heren;~ 82 1, 47| deed dat kwaad was voor de Here; en vreesde niet voor 83 1, 47| Here; en vreesde niet voor de woorden, die door Jeremia 84 1, 47| woorden, die door Jeremia de profeet gesproken waren 85 1, 47| profeet gesproken waren uit de mond des Heren.~ 86 1, 48| hij een eed gedaan had aan de koning Nabuchodonosor, bij 87 1, 48| koning Nabuchodonosor, bij de naam des Heren, zo werd 88 1, 48| en zijn hart, en overtrad de inzettingen des Heren, des 89 1, 49| 49 En ook de oversten des volks en der 90 1, 49| goddeloosheden, ook bovenal de onreinheden van al de heidenen, 91 1, 49| bovenal de onreinheden van al de heidenen, en bevlekten de 92 1, 49| de heidenen, en bevlekten de tempel des Heren, die te 93 1, 50| 50 En de God hunner vaderen zond 94 1, 51| bespotten zijn boden, en op de dag dat de Here tot hen 95 1, 51| boden, en op de dag dat de Here tot hen sprak, belachten 96 1, 52| vanwege hun goddeloosheid, de koningen der Chaldeeën tegen 97 1, 53| met het zwaard zelfs in de omgang van hun heilige tempel, 98 1, 54| allen in hun handen, en al de heilige vaten des Heren 99 1, 54| Heren groot en klein, en de ark des Heren, en de koninklijke 100 1, 54| en de ark des Heren, en de koninklijke schatkisten 101 1, 55| huis des Heren, en braken de muren van Jeruzalem, en 102 1, 57| kinderen dienstknechten, totdat de Perzen regeerden, opdat 103 1, 57| des Heren, gesproken door de mond van Jeremia;~ 104 1, 58| een welbehagen had, en al de tijd van zijn verwoesting 105 2, 1 | 1 ALS Cyrus over de Perzen regeerde, in het 106 2, 1 | vervuld werd dat hij door de mond van Jeremia gesproken 107 2, 2 | 2 Zo verwekte de Here de geest van Cyrus, 108 2, 2 | 2 Zo verwekte de Here de geest van Cyrus, de koning 109 2, 2 | Here de geest van Cyrus, de koning der Perzen, die liet 110 2, 3 | 3 Dit zegt Cyrus, de koning der Perzen: De Here 111 2, 3 | Cyrus, de koning der Perzen: De Here Israëls, de allerhoogste 112 2, 3 | Perzen: De Here Israëls, de allerhoogste Here, heeft 113 2, 3 | tot koning gemaakt over de gehele aarde;~ 114 2, 5 | van u is uit zijn volk, de Here zij met hem, en hij 115 2, 5 | Heren van Israël; deze is de Here, die te Jeruzalem woont.~ 116 2, 7 | als geloften toebrengt in de tempel des Heren, die te 117 2, 8 | 8 Toen stonden op de voornaamsten uit de vaderlijke 118 2, 8 | stonden op de voornaamsten uit de vaderlijke stammen van Juda 119 2, 8 | van Juda en Benjamin, en de priesters en Levieten, en 120 2, 10| 10 En de koning Cyrus bracht tevoorschijn 121 2, 10| Cyrus bracht tevoorschijn de heilige vaten des Heren, 122 2, 11| 11 En Cyrus, de koning der Perzen, die tevoorschijn 123 2, 12| overgeleverd aan Schesbatzar, de stadhouder van Judea.~ 124 2, 14| 14 Al de vaten dan, die overgebracht 125 2, 15| Schesbatzar, met degenen, die uit de gevangenis van Babylonië 126 2, 16| ten tijde van Artaxerxes, de koning van Perzië, schreven 127 2, 16| en Balthemus en Samellius de schrijver, en de overigen 128 2, 16| Samellius de schrijver, en de overigen die met hen verordineerd 129 2, 17| 17 De koning Artaxerxes onze Heer; 130 2, 17| dienaars Rathymus, gesteld over de voorvallende zaken, en Samellius 131 2, 17| voorvallende zaken, en Samellius de schrijver, en de anderen 132 2, 17| Samellius de schrijver, en de anderen van hun raad, en 133 2, 18| 18 Het zij nu de Heer koning bekend gemaakt, 134 2, 18| koning bekend gemaakt, dat de Joden, die van u tot ons 135 2, 18| hun muren herstellen, en de tempel weder oprichten.~ 136 2, 19| willen geven, maar zullen ook de koningen wederstaan.~ 137 2, 20| het werk is met hetgeen de tempel aangaat, zo heeft 138 2, 21| 21 Maar de Heer koning zulks te laten 139 2, 21| zo het u goeddunkt, in de boeken van uw vaderen nagelaten, 140 2, 22| 22 En gij zult in de gedenkboeken, daarover geschreven, 141 2, 23| 23 En dat de Joden daarin zich, van ouds 142 2, 25| 25 Toen schreef de koning terug aan Rathymus, 143 2, 25| koning terug aan Rathymus, de schrijver, die over de voorvallende 144 2, 25| de schrijver, die over de voorvallende zaken gesteld 145 2, 25| Balthemus, en aan Samellius, de schrijver, en aan de anderen, 146 2, 25| Samellius, de schrijver, en aan de anderen, die met hen verordineerd 147 2, 26| 26 Ik heb de brief, die gij aan mij gezonden 148 2, 26| stad van ouds af zich tegen de koningen heeft gesteld;~ 149 2, 27| 27 En dat de lieden afvallig geweest 150 2, 29| 29 En dat de boosheid niet verder ga, 151 2, 29| boosheid niet verder ga, om de koningen moeite aan te doen.~ 152 2, 30| 30 Toen nu hetgeen van de koning Artaxerxes geschreven 153 2, 30| spanden Rathymus, en Samellius de schrijver en die met hen 154 2, 31| te verhinderen. Zo stond de bouw des tempels te Jeruzalem 155 2, 31| het koninkrijk van Darius, de koning van Perzië.~ 156 3, 1 | huisgenoten, en voor al de groten van Medië en Perzië;~ 157 3, 2 | aan tot Ethiopië toe, in de honderdenzeventien provinciën.~ 158 3, 3 | naar huis. Doch Darius, de koning, keerde weder in 159 3, 4 | 4 Toen zeiden de drie jongelingen, die des 160 3, 4 | waren, en hem bewaarden, de een tot de ander:~ 161 3, 4 | hem bewaarden, de een tot de ander:~ 162 3, 5 | ieder een spreuk zeggen, WIE DE STERKSTE IS; en wiens woord 163 3, 5 | dat des anderen, hem zal de koning Darius grote giften 164 3, 7 | 7 En hij zal de tweede naast Darius zitten 165 3, 9 | 9 En zeide, wanneer de koning zal opgestaan zijn, 166 3, 9 | geschrift geven; en van wie de koning en de drie oversten 167 3, 9 | en van wie de koning en de drie oversten van Perzië 168 3, 9 | oordelen, dat zijn rede de wijste is, die zal de overwinning 169 3, 9 | rede de wijste is, die zal de overwinning gegeven worden, 170 3, 10| 10 De eerste schreef: De wijn 171 3, 10| 10 De eerste schreef: De wijn is de sterkste.~ 172 3, 10| eerste schreef: De wijn is de sterkste.~ 173 3, 11| 11 De andere: De koning is de 174 3, 11| 11 De andere: De koning is de sterkste.~ 175 3, 11| De andere: De koning is de sterkste.~ 176 3, 12| 12 De derde schreef: De vrouwen 177 3, 12| 12 De derde schreef: De vrouwen zijn de sterkste, 178 3, 12| schreef: De vrouwen zijn de sterkste, maar boven alle 179 3, 12| maar boven alle overwint de waarheid.~ 180 3, 13| 13 En als de koning opgestaan was, namen 181 3, 14| hebbende liet hij roepen al de groten van Perzië en Medië, 182 3, 14| van Perzië en Medië, en de vorsten, en de krijgsoversten, 183 3, 14| Medië, en de vorsten, en de krijgsoversten, en oversten 184 3, 14| oversten der landen, en de burgemeesters.~ 185 3, 16| 16 Roept de jongelingen, en laat henzelf 186 3, 18| 18 En de eerste begon, die van de 187 3, 18| de eerste begon, die van de sterkte des wijns gesproken 188 3, 19| mannen, hoe oversterk is de wijn; hij verleidt al de 189 3, 19| de wijn; hij verleidt al de mensen die hem drinken;~ 190 3, 20| verstand des konings én van de wees enerlei verstand, gelijk 191 3, 22| rijk, en gedenkt niet aan de koning of vorst, en hij 192 3, 23| niet om vriendelijk te zijn de vrienden en broeders, en 193 3, 23| en trekken kort daarna de zwaarden uit.~ 194 3, 24| 24 En als zij van de wijn opgestaan zijn, zo 195 3, 25| 25 O mannen, is de wijn niet de sterkste, dewijl 196 3, 25| mannen, is de wijn niet de sterkste, dewijl hij dit 197 4, 1 | 1 TOEN begon de tweede te spreken, die gezegd 198 4, 1 | spreken, die gezegd had van de sterkte des konings, en 199 4, 2 | 2 O mannen, zijn niet de mensen de sterkste, die 200 4, 2 | mannen, zijn niet de mensen de sterkste, die het land en 201 4, 2 | sterkste, die het land en de zee bemachtigen, en alles 202 4, 3 | 3 De koning nu overtreft en overheerst 203 4, 4 | Indien hij hun zegt dat zij de een de anderen zullen oorlog 204 4, 4 | hun zegt dat zij de een de anderen zullen oorlog aandoen, 205 4, 4 | zij gaan; zij slechten de bergen, en de muren, en 206 4, 4 | zij slechten de bergen, en de muren, en de torens;~ 207 4, 4 | bergen, en de muren, en de torens;~ 208 4, 5 | zo brengen zij alles tot de koning: wat zij geroofd 209 4, 6 | 6 En allen die in de krijg niet gaan noch oorlog 210 4, 6 | nu maaien, zo brengen zij de koning schatting; en de 211 4, 6 | de koning schatting; en de een dwingt de ander om de 212 4, 6 | schatting; en de een dwingt de ander om de koning schatting 213 4, 6 | de een dwingt de ander om de koning schatting toe te 214 4, 11| slaapt hij, zo hebben zij de wacht ringswijze rondom 215 4, 12| 12 O mannen, hoe is dan de koning niet de sterkste, 216 4, 12| hoe is dan de koning niet de sterkste, die men alzo gehoorzaamt? 217 4, 13| 13 De derde, die van de vrouwen 218 4, 13| 13 De derde, die van de vrouwen en van de waarheid 219 4, 13| die van de vrouwen en van de waarheid had gezegd, namelijk 220 4, 14| 14 O mannen, niet de grote koning, noch de veelheid 221 4, 14| niet de grote koning, noch de veelheid der mensen, noch 222 4, 14| veelheid der mensen, noch de wijn is de sterkste.~ 223 4, 14| mensen, noch de wijn is de sterkste.~ 224 4, 15| hen regeert? zijn het niet de vrouwen? De vrouwen hebben 225 4, 15| zijn het niet de vrouwen? De vrouwen hebben de koning 226 4, 15| vrouwen? De vrouwen hebben de koning ter wereld gebracht, 227 4, 15| gebracht, en al het volk, dat de zee en de aarde regeert 228 4, 15| het volk, dat de zee en de aarde regeert is uit haar 229 4, 16| zelfs degenen opgevoed, die de wijngaarden planten, uit 230 4, 16| wijngaarden planten, uit welke de wijn voortkomt.~ 231 4, 17| 17 En zij zelf maken de kleding der mensen, en zij 232 4, 17| hetgeen heerlijk is voor de mensen, en de mensen kunnen 233 4, 17| heerlijk is voor de mensen, en de mensen kunnen zonder de 234 4, 17| de mensen kunnen zonder de vrouwen niet zijn.~ 235 4, 19| zij dat alles, en wenden de ogen op haar, en met open 236 4, 21| 21 En bij de vrouw laat hij zijn leven; 237 4, 22| hieruit moet gij weten, dat de vrouwen u regeren.~ 238 4, 23| alles, en brengt het aan de vrouw? Ja een man neemt 239 4, 23| zwaard, en gaat heen op de wegen te liggen, en te roven 240 4, 23| roven en te stelen, en op de zee en rivieren te varen;~ 241 4, 28| gelooft gij mij niet? Is de koning niet groot in zijn 242 4, 29| ik hem gezien en Apame, de dochter des wondergroten 243 4, 29| konings bijwijf, die aan de rechterhand des konings 244 4, 30| 30 En zij nam de kroon van het hoofd des 245 4, 30| die zichzelf op, en sloeg de koning met haar linkerhand.~ 246 4, 31| 31 En bovendien zag haar de koning met open mond aan, 247 4, 32| 32 O mannen, hoe zijn dan de vrouwen niet sterk, dewijl 248 4, 33| 33 Toen zagen de koning en de groten op elkander. 249 4, 33| Toen zagen de koning en de groten op elkander. En hij, 250 4, 33| hij, begon te spreken van de waarheid.~ 251 4, 34| 34 O mannen, zijn niet de vrouwen sterk! Groot is 252 4, 34| vrouwen sterk! Groot is de aarde,. en hoog is de hemel, 253 4, 34| is de aarde,. en hoog is de hemel, en snel in haar loop 254 4, 34| en snel in haar loop is de zon, want zij, draait in 255 4, 34| zon, want zij, draait in de cirkel des hemels, en zij 256 4, 35| zodanige dingen doet? Doch de waarheid is groot en sterker 257 4, 36| 36 De gehele aarde roept de waarheid 258 4, 36| 36 De gehele aarde roept de waarheid aan, en de hemel 259 4, 36| roept de waarheid aan, en de hemel looft dezelve, en 260 4, 36| hemel looft dezelve, en al de werken worden bewogen en 261 4, 37| 37 De wijn is onrecht, in de koning 262 4, 37| 37 De wijn is onrecht, in de koning is onrecht, in de 263 4, 37| de koning is onrecht, in de vrouwen is onrecht, in alle 264 4, 38| 38 Maar de waarheid blijft en is sterk 265 4, 40| geen onrecht, en zij is de kracht, en het koninkrijk, 266 4, 40| kracht, en het koninkrijk, en de macht, en de heerlijkheid, 267 4, 40| koninkrijk, en de macht, en de heerlijkheid, van alle eeuwen. 268 4, 40| alle eeuwen. Geprezen zij de God der waarheid!~ 269 4, 41| en sprak toen: Groot is de waarheid, en zij is sterk 270 4, 42| 42 Toen zeide de koning tot hem, eis wat 271 4, 42| wijzer bevonden zijt dan de anderen, en gij zult naast 272 4, 43| 43 Toen zeide hij tot de koning: Gedenk aan uw belofte, 273 4, 43| Jeruzalem te zullen bouwen, op de dag waarop gij uw koninkrijk 274 4, 44| 44 En dat gij al de vaten, die uit Jeruzalem 275 4, 45| 45 En gij hebt beloofd de tempel te bouwen, welke 276 4, 45| tempel te bouwen, welke de Idumeeërs verbrand hebben, 277 4, 45| hebben, toen Judea door de Chaldeeën is verwoest.~ 278 4, 46| van u begeer: en deze is de heerlijkheid, die door mij 279 4, 46| wordt. Ik bid dan dat gij de belofte volbrengt, die gij 280 4, 46| belofte volbrengt, die gij de Koning des hemels met uw 281 4, 47| 47 Toen stond de koning Darius op, en kuste 282 4, 47| kuste hem; en schreef hem de brieven aan al de rentmeesters, 283 4, 47| schreef hem de brieven aan al de rentmeesters, en landvoogden 284 4, 48| 48 En aan al de landvoogden in Celo-Syrië, 285 4, 48| Celo-Syrië, Fenicië, en van de berg Libanon, schreef hij 286 4, 48| cederhout zouden overbrengen van de berg Libanon naar Jeruzalem, 287 4, 48| naar Jeruzalem, en dat zij de stad met hem zouden bouwen.~ 288 4, 49| 49 En hij schreef aan al de Joden, die uit zijn koninkrijk 289 4, 49| in Judea opgingen vanwege de vrijheid, dat geen machtige, 290 4, 50| schatting zou zijn: en dat de Idumeeërs de vlekken der 291 4, 50| zijn: en dat de Idumeeërs de vlekken der Joden zouden 292 4, 51| 51 En tot de bouw des tempels jaarlijks 293 4, 53| Babylonië zouden opgaan om de stad te bouwen, vrijheid 294 4, 53| hun nakomelingen, met al de priesters die mede zouden 295 4, 54| onderhoud der priesters, en van de priesterlijke kleding waarin 296 4, 55| En hij schreef, dat men de Levieten onderhoud zou geven, 297 4, 55| onderhoud zou geven, tot de dag toe dat het huis Gods 298 4, 56| schreef, dat men allen, die de stad bewaarden, hun deel 299 4, 57| 57 En hij zond weder al de vaten, die Cyrus uit Babylonië 300 4, 58| 58 En toen de jongeling uitging, verhief 301 4, 58| hij zijn aangezicht naar de hemel tegenover Jeruzalem, 302 4, 58| tegenover Jeruzalem, en dankte de Koning des hemels, zeggende:~ 303 4, 59| 59 Van u is de overwinning, en van u is 304 4, 59| overwinning, en van u is de wijsheid, en uw is de heerlijkheid, 305 4, 59| is de wijsheid, en uw is de heerlijkheid, en ik ben 306 4, 61| 61 En hij nam de brieven, en ging heen en 307 4, 62| 62 En zij loofden de God hunner vaderen, dat 308 4, 63| en Jeruzalem te bouwen en de tempel waarover zijn naam 309 5, 1 | verkoren om op te trekken de oversten van de huizen der 310 5, 1 | trekken de oversten van de huizen der vaderen naar 311 5, 4 | 4 Dit nu zijn de namen der mannen die optrokken, 312 5, 4 | mannen die optrokken, naar de huizen hunner vaderen in 313 5, 4 | huizen hunner vaderen in de stammen, naar de verdeling 314 5, 4 | vaderen in de stammen, naar de verdeling hunner heerschappijen.~ 315 5, 5 | 5 De priesters: de zonen van 316 5, 5 | 5 De priesters: de zonen van Pinehas, de zoon 317 5, 5 | priesters: de zonen van Pinehas, de zoon van Aäron, waren Jozua, 318 5, 5 | van Aäron, waren Jozua, de zoon van Josedek, de zoon 319 5, 5 | Jozua, de zoon van Josedek, de zoon van Seraja, en Jojakim; 320 5, 5 | Jojakim; daarna Zerubabel, de zoon van Salathiël, uit 321 5, 5 | geslacht van Fares, en van de stam Juda.~ 322 5, 6 | 6 Die onder Darius, de koning der Perzen, de wijze 323 5, 6 | Darius, de koning der Perzen, de wijze redenen gesproken 324 5, 6 | jaar zijns koninkrijks in de maand Nisan, welke is de 325 5, 6 | de maand Nisan, welke is de eerste maand.~ 326 5, 7 | Judea zijn opgetrokken uit de gevangenis van hun vreemdelingschap, 327 5, 7 | vreemdelingschap, welke Nabuchodonosor, de koning van Babel, in Babylonië 328 5, 8 | naar Jeruzalem, en naar de andere delen van Judea, 329 5, 9 | met hun oversten, was: de kinderen Parosch tweeduizendeenhonderd 330 5, 10| 10 De kinderen Sarat vierhonderdtweeënzeventig. 331 5, 10| vierhonderdtweeënzeventig. De kinderen van Ares zevenhonderd 332 5, 11| 11 De kinderen van Faät Moab, 333 5, 11| kinderen van Faät Moab, onder de kinderen van Jozua en Joab 334 5, 12| 12 De kinderen van Elam duizendtweehonderdvierenvijftig. 335 5, 12| duizendtweehonderdvierenvijftig. De kinderen van Zathaï negenhonderdvijfenzeventig. 336 5, 12| negenhonderdvijfenzeventig. De kinderen van Chorvas zevenhonderd 337 5, 12| Chorvas zevenhonderd en vijf. De kinderen van Bani zeshonderdachtenveertig.~ 338 5, 13| 13 De kinderen van Babaï zeshonderddrieëndertig. 339 5, 13| zeshonderddrieëndertig. De kinderen van Argas duizend 340 5, 14| 14 De kinderen van Adonikam zeshonderdzevenendertig. 341 5, 14| zeshonderdzevenendertig. De kinderen van Bagoë tweeduizendzesenzestig. 342 5, 14| tweeduizendzesenzestig. De kinderen van Adin vierhonderdvierenvijftig.~ 343 5, 15| 15 De kinderen van Ater uit Esekia 344 5, 15| uit Esekia tweeënnegentig. De kinderen van Cilas en Azenas 345 5, 15| en Azenas zevenenzestig. De kinderen van Azar vierhonderdtweeëndertig.~ 346 5, 16| 16 De kinderen van Amri honderdeneen. 347 5, 16| kinderen van Amri honderdeneen. De kinderen van Arom tweeëndertig. 348 5, 16| kinderen van Arom tweeëndertig. De kinderen van Base driehonderd 349 5, 16| driehonderd drieentwintig. De kinderen van Arisfurith 350 5, 17| 17 De kinderen van Beter drieduizendenvijf.~ 351 5, 18| 18 De kinderen uit Bethlomon honderddrieëntwintig; 352 5, 19| zevenhonderddrieënveertig; de Gadiastieten en Ammidiën 353 5, 21| 21 De kinderen van Nifis honderdzesenvijftig; 354 5, 21| Nifis honderdzesenvijftig; de kinderen Kalamelali en Onus 355 5, 22| 22 De kinderen van Jerechu tweehonderdvijfenveertig.~ 356 5, 23| 23 De kinderen van Sanaäs drieduizend 357 5, 24| 24 De priesters: de kinderen van 358 5, 24| 24 De priesters: de kinderen van Jeddu, de zoon 359 5, 24| de kinderen van Jeddu, de zoon Jozua, met de kinderen 360 5, 24| Jeddu, de zoon Jozua, met de kinderen van Lanasib achthonderdzevenenzeventig. 361 5, 24| achthonderdzevenenzeventig. De kinderen Emeruth tweehonderdtweeënvijftig.~ 362 5, 25| 25 De kinderen van Fassur duizendvierhonderdenzeven. 363 5, 25| duizendvierhonderdenzeven. De kinderen van Charmi tweehonderdenzeventien.~ 364 5, 26| 26 De Levieten: de kinderen Jozut 365 5, 26| 26 De Levieten: de kinderen Jozut en Kadoëli 366 5, 27| 27 De heilige zangers: de kinderen 367 5, 27| 27 De heilige zangers: de kinderen van Asaf honderdenachtentwintig.~ 368 5, 28| 28 De deurwachters: de kinderen 369 5, 28| 28 De deurwachters: de kinderen van Salum, de kinderen 370 5, 28| de kinderen van Salum, de kinderen van Atar, de kinderen 371 5, 28| Salum, de kinderen van Atar, de kinderen van Tolman, de 372 5, 28| de kinderen van Tolman, de kinderen van Dahub, de kinderen 373 5, 28| de kinderen van Dahub, de kinderen van Ateta, de kinderen 374 5, 28| de kinderen van Ateta, de kinderen van Tobi, allen 375 5, 29| Die het heiligdom dienden: de kinderen van Hesai, de kinderen 376 5, 29| de kinderen van Hesai, de kinderen van Asifa, de kinderen 377 5, 29| de kinderen van Asifa, de kinderen van Tabaoth, de 378 5, 29| de kinderen van Tabaoth, de kinderen van Seras, de kinderen 379 5, 29| de kinderen van Seras, de kinderen van Suda, de kinderen 380 5, 29| Seras, de kinderen van Suda, de kinderen van Faleas.~ 381 5, 30| 30 De kinderen van Labana, de 382 5, 30| De kinderen van Labana, de kinderen van Agraba, de 383 5, 30| de kinderen van Agraba, de kinderen van Akud, de kinderen 384 5, 30| Agraba, de kinderen van Akud, de kinderen van Uta, de kinderen 385 5, 30| Akud, de kinderen van Uta, de kinderen van Cetab, de kinderen 386 5, 30| de kinderen van Cetab, de kinderen van Akaba, de kinderen 387 5, 30| de kinderen van Akaba, de kinderen van Sijba, de kinderen 388 5, 30| de kinderen van Sijba, de kinderen van Anan, de kinderen 389 5, 30| Sijba, de kinderen van Anan, de kinderen van Cathua.~ 390 5, 31| 31 De kinderen van Geddur, de 391 5, 31| De kinderen van Geddur, de kinderen van Laïr, de kinderen 392 5, 31| Geddur, de kinderen van Laïr, de kinderen van Desan, de kinderen 393 5, 31| de kinderen van Desan, de kinderen van Noëba, de kinderen 394 5, 31| de kinderen van Noëba, de kinderen van Chaseba, de 395 5, 31| de kinderen van Chaseba, de kinderen van Cazera, de 396 5, 31| de kinderen van Cazera, de kinderen van Ozia, de kinderen 397 5, 31| Cazera, de kinderen van Ozia, de kinderen van Finoë, de kinderen 398 5, 31| de kinderen van Finoë, de kinderen van Asara.~ 399 5, 32| 32 De kinderen van Basthaï, de 400 5, 32| De kinderen van Basthaï, de kinderen van Assana, de 401 5, 32| de kinderen van Assana, de kinderen van Mavi, de kinderen 402 5, 32| Assana, de kinderen van Mavi, de kinderen van Nafis, de kinderen 403 5, 32| de kinderen van Nafis, de kinderen van Akuf, de kinderen 404 5, 32| Nafis, de kinderen van Akuf, de kinderen van Achiba, de 405 5, 32| de kinderen van Achiba, de kinderen van Asub, de kinderen 406 5, 32| Achiba, de kinderen van Asub, de kinderen van Farenaces.~ 407 5, 33| 33 De kinderen der dienstknechten 408 5, 33| dienstknechten van Salomo, de kinderen van Asapfioth, 409 5, 33| kinderen van Asapfioth, de kinderen van Farera, de 410 5, 33| de kinderen van Farera, de kinderen van Jejeli, de 411 5, 33| de kinderen van Jejeli, de kinderen van Lozon, de kinderen 412 5, 33| de kinderen van Lozon, de kinderen van Isdaël, de 413 5, 33| de kinderen van Isdaël, de kinderen van Safni.~ 414 5, 34| 34 De kinderen van Hagia, de zonen 415 5, 34| 34 De kinderen van Hagia, de zonen van Sachareth, de 416 5, 34| de zonen van Sachareth, de kinderen van Sabia, de kinderen 417 5, 34| de kinderen van Sabia, de kinderen van Saroth, de 418 5, 34| de kinderen van Saroth, de kinderen van Misaje, de 419 5, 34| de kinderen van Misaje, de kinderen van Gas, de kinderen 420 5, 34| Misaje, de kinderen van Gas, de kinderen van Addus, de kinderen 421 5, 34| de kinderen van Addus, de kinderen van Suba, de kinderen 422 5, 34| Addus, de kinderen van Suba, de kinderen van Aferra, de 423 5, 34| de kinderen van Aferra, de kinderen van Barod, de kinderen 424 5, 34| de kinderen van Barod, de kinderen van Safag, de kinderen 425 5, 34| de kinderen van Safag, de kinderen van Allom.~ 426 5, 37| hoe zij uit Israël waren. De kinderen van Dalan, de zoon 427 5, 37| De kinderen van Dalan, de zoon van Baëma, de kinderen 428 5, 37| Dalan, de zoon van Baëma, de kinderen van Nehoda zeshonderdtweeënvijftig;~ 429 5, 38| 38 En uit de priesters, die het priesterschap 430 5, 38| geslacht niet werd gevonden, de kinderen van Obdie, de kinderen 431 5, 38| de kinderen van Obdie, de kinderen van Akbos, de kinderen 432 5, 38| de kinderen van Akbos, de kinderen van Jaddu, die 433 5, 38| tot een huisvrouw nam, uit de dochteren Faëzeldeüs, en 434 5, 40| geen deel zouden hebben aan de geheiligde dingen, totdat 435 5, 41| 41 Al de Israëlieten nu waren van 436 5, 41| jaren en daarboven, zonder de dienstknechten en dienstmaagden, 437 5, 42| driehonderd en zevenendertig. De zangers en de zangeressen, 438 5, 42| zevenendertig. De zangers en de zangeressen, tweehonderdenvijfenveertig.~ 439 5, 44| 44 En enigen uit de oversten van hun familiën, 440 5, 44| familiën, als zij nu in de tempel Gods te Jeruzalem 441 5, 45| 45 En te geven tot de heilige schatkist der werken, 442 5, 46| 46 En de priesters en Levieten, en 443 5, 46| Jeruzalem, en in het land, en de heilige zangers, en deurwachters, 444 5, 47| 47 En toen nu de zevende maand kwam, en de 445 5, 47| de zevende maand kwam, en de kinderen Israëls elk in 446 5, 47| eendrachtig vergaderd in de voorhof der eerste poort, 447 5, 48| 48 En Jozua, de zoon van Josedek, en zijn 448 5, 48| Josedek, en zijn broeders de priesters, met Zerubabel, 449 5, 48| priesters, met Zerubabel, de zoon van Sealthiël en zijn 450 5, 49| bereidden het altaar van de God Israëls, om daarop brandofferen 451 5, 49| hetgeen in het boek van Mozes de man Gods verhaald staat.~ 452 5, 50| plaats, hoewel enigen uit de andere volken des lands 453 5, 51| 51 Want al de volken, die op de aarde 454 5, 51| Want al de volken, die op de aarde waren, versterkten 455 5, 51| offerden offeranden naar de tijd, en brandofferen voor 456 5, 51| tijd, en brandofferen voor de Here, namelijk het vroeg-offer 457 5, 52| der loofhutten, gelijk in de wet bevolen was, en offerden 458 5, 53| geloften gedaan hadden, van de nieuwe maan der zevende 459 5, 53| offeranden te offeren, en de tempel des Heren was nog 460 5, 54| 54 En zij gaven geld aan de steenhouwers, en timmerlieden, 461 5, 55| 55 En karren aan de Sidoniërs en Tyriërs, opdat 462 5, 55| opdat zij hun cederhout van de berg Libanon zouden toebrengen, 463 5, 55| vlotten over te voeren naar de haven van Joppe, volgens 464 5, 55| het bevel, dat van Cyrus, de koning van Perzië, hun was 465 5, 56| tweede jaar nadat hij tot de tempel Gods te Jeruzalem 466 5, 56| Jeruzalem was gekomen, op de tweede maand, begon Zerubabel, 467 5, 56| maand, begon Zerubabel, de zoon van Sealthiël, en Jozua 468 5, 56| van Sealthiël, en Jozua de zoon van Josedek, en hun 469 5, 56| Josedek, en hun broederen, en de priesters, de Levieten, 470 5, 56| broederen, en de priesters, de Levieten, en allen die uit 471 5, 56| Levieten, en allen die uit de gevangenis te Jeruzalem 472 5, 57| fundament van het huis Gods in de nieuwe maan van de tweede 473 5, 57| Gods in de nieuwe maan van de tweede maand, als zij in 474 5, 58| 58 En stelden de Levieten, die boven de twintig 475 5, 58| stelden de Levieten, die boven de twintig jaren waren, over 476 5, 58| twintig jaren waren, over de werken des Heren; en Jozua 477 5, 58| Kadmiël zijn broeder, en de zonen van Emadabus, en de 478 5, 58| de zonen van Emadabus, en de zonen van Joda, de zoon 479 5, 58| Emadabus, en de zonen van Joda, de zoon van Eliadad, met hun 480 5, 58| voort, bij degenen, die de werken maakten in het huis 481 5, 59| 59 En de bouwlieden bouwden de tempel 482 5, 59| En de bouwlieden bouwden de tempel des Heren, en de 483 5, 59| de tempel des Heren, en de priesters stonden in lange 484 5, 59| snarenspel en bazuinen; en de Levieten, de kinderen van 485 5, 59| bazuinen; en de Levieten, de kinderen van Asaf, met cymbalen.~ 486 5, 60| 60 Zingende en lovende de Here, naar de instelling 487 5, 60| en lovende de Here, naar de instelling van David, de 488 5, 60| de instelling van David, de koning van Israël.~ 489 5, 61| stemmen met gezangen, lovende de Here, dat zijn goedheid 490 5, 62| met grote stem, zingende de Here, over de oprichting 491 5, 62| zingende de Here, over de oprichting van het huis 492 5, 63| 63 Doch enigen uit de priesters en Levieten, en 493 5, 65| 65 Zodat het volk de bazuinen niet wel hoorde, 494 5, 65| schreien des volks, want de schare bazuinde zeer luid, 495 5, 66| 66 En als de vijanden der stammen Juda 496 5, 67| verstonden, dat degenen, die uit de gevangenis waren gekomen, 497 5, 67| gevangenis waren gekomen, de tempel bouwden voor de Here 498 5, 67| de tempel bouwden voor de Here de God Israëls.~ 499 5, 67| tempel bouwden voor de Here de God Israëls.~ 500 5, 68| Zerubabel en Jozua, en tot de overste der geslachten,


1-500 | 501-901

Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License