Chapter, Verse
1 1, 14| 14 Want de priesters offerden het
2 1, 16| van zijn dagorde aftreden. Want hun broeders, de Levieten,
3 1, 27| de Here niet uitgezonden, want mijn krijg is op de Eufraat;
4 1, 30| Voert mij af uit de strijd, want ik ben zeer zwak. En zijn
5 4, 34| in haar loop is de zon, want zij, draait in de cirkel
6 5, 51| 51 Want al de volken, die op de
7 5, 65| het schreien des volks, want de schare bazuinde zeer
8 5, 69| 69 Want wij behoren aan uw God gelijk
9 8, 8 | 8 Want Ezra had grote wetenschap
10 8, 52| 52 Want ik schaamde mij van de koning
11 8, 53| 53 Want wij hadden tegen de koning
12 8, 71| 71 Want zij hebben zich ten huwelijk
13 8, 76| 76 Want onze zonden zijn vermenigvuldigd
14 8, 83| dewijl wij dit hebben? want wij hebben uw geboden overtreden,
15 8, 84| des lands bezoedeld is, want zij hebben dat met hun onreinheid
16 8, 88| 88 Want gij, Here, die onze zonden
17 8, 91| voor u in onze misdaden: want wij kunnen om dezer wil
18 8, 92| vrouwen, en jongelingen, want het wenen was groot onder
19 8, 96| 96 Want u komt deze zaak toe, en
20 9, 11| ons van één dag of twee; want wij hebben hierin veel gezondigd.~
21 9, 53| 53 Want deze dag is heilig de Here,
22 9, 53| Here, en zijt niet droevig, want de Here zal u verheerlijken.~
|