Chapter, Verse
1 2, 17| 17 De koning Artaxerxes onze Heer; uw dienaars Rathymus,
2 5, 71| huis te bouwen voor de Here onze God:~
3 6, 8 | Het zij alles kennelijk onze Heer de koning, dat wij
4 6, 15| 15 En daar onze vaders tegen de Here Israëls,
5 6, 22| geschied, en het de koning onze Heer goeddunkt, zo antwoordde
6 8, 51| bij ons waren, namelijk onze kinderen en ons vee.~
7 8, 52| geleide tot verzekering tegen onze tegenpartijders.~
8 8, 76| 76 Want onze zonden zijn vermenigvuldigd
9 8, 76| zijn vermenigvuldigd boven onze hoofden, en onze misdaden
10 8, 76| vermenigvuldigd boven onze hoofden, en onze misdaden zijn verhoogd tot
11 8, 78| onzer vaderen. zijn wij met onze broederen en met onze koningen,
12 8, 78| met onze broederen en met onze koningen, en met onze priesters
13 8, 78| met onze koningen, en met onze priesters overgegeven met
14 8, 80| te geven in de tijd van onze dienstbaarheid.~
15 8, 81| niet verlaten door de Here onze God, maar hij heeft ons
16 8, 87| overkomt, geschiedt vanwege onze boze werken en onze grote
17 8, 87| vanwege onze boze werken en onze grote zonden.~
18 8, 88| 88 Want gij, Here, die onze zonden hebt verlicht, hebt
19 8, 89| uitgeroeid hebt? totdat gij noch onze wortel, noch zaad, noch
20 8, 91| Zie, wij zijn nu voor u in onze misdaden: want wij kunnen
21 8, 94| voor de Here, dat wij al onze vrouwen, die van vreemd
22 9, 12| staan, en al degenen die uit onze inwoners uitlandse vrouwen
|