Chapter, Verse
1 1, 4 | dragen. En nu: dient de Here uw God, en hebt acht op Israël
2 1, 4 | volk, en bereidt alles naar uw geslachten en stammen.~
3 1, 5 | vaderen, de Levieten, die voor uw broederen de kinderen Israëls
4 1, 6 | bereidt de offeranden voor uw broederen; en houdt het
5 2, 17| koning Artaxerxes onze Heer; uw dienaars Rathymus, gesteld
6 2, 21| goeddunkt, in de boeken van uw vaderen nagelaten, onderzoek
7 4, 43| tot de koning: Gedenk aan uw belofte, die gij beloofd
8 4, 43| bouwen, op de dag waarop gij uw koninkrijk ontvangen hebt.~
9 4, 46| de Koning des hemels met uw mond hebt beloofd te volbrengen.~
10 4, 59| van u is de wijsheid, en uw is de heerlijkheid, en ik
11 4, 59| heerlijkheid, en ik ben uw dienstknecht.~
12 5, 69| 69 Want wij behoren aan uw God gelijk als gij, en doen
13 8, 15| 15 Met hetgeen dat van uw volk gegeven is tot de tempel
14 8, 17| 17 En alles wat gij en uw broederen zult willen doen
15 8, 75| beschaamd, en bevreesd voor uw aangezicht:~
16 8, 83| hebben? want wij hebben uw geboden overtreden, die
17 8, 85| 85 En nu zult gij uw dochteren niet geven aan
18 8, 85| zult gij niet nemen voor uw zonen.~
19 8, 86| goede des lands, en het uw kinderen doet erven in eeuwigheid.~
20 8, 88| achterwaarts gekeerd, om uw wet te overtreden, zodat
|