Chapter, Verse
1 8, 1 | Perzen, regeerde, trok henen Ezra, de zoon van Azaria, de
2 8, 3 | 3 Deze Ezra trok henen uit Babylonië,
3 8, 8 | 8 Want Ezra had grote wetenschap bekomen,
4 8, 9 | de koning Artaxerxes tot Ezra de priester en leermeester
5 8, 10| koning Artaxerxes wenst Ezra, de priester en leermeester
6 8, 21| 21 Dat zo wat Ezra, de priester en leermeester,
7 8, 26| 26 En gij Ezra, naar de wijsheid Gods,
8 8, 28| 28 En Ezra de schriftgeleerde zeide:
9 8, 92| 92 En toen Ezra bad, en de zonden bekende,
10 8, 93| kinderen Israëls riep en zeide: Ezra, wij hebben gezondigd tegen
11 8, 97| 97 En Ezra stond op, en beëedigde de
12 9, 1 | 1 EN Ezra opstaande, van de voorhof
13 9, 7 | 7 En Ezra stond op, en zeide tot hen:
14 9, 16| 16 En Ezra de priester verkoos tot
15 9, 39| 39 En zij zeiden tot Ezra, de priester en leermeester
16 9, 40| 40 En Ezra, de overste priester, bracht
17 9, 42| 42 En Ezra, de priester en leermeester
18 9, 45| 45 En Ezra nam het boek op voor de
19 9, 46| stonden zij rechtop. En Ezra loofde de Here, de hoogste
20 9, 50| 50 En Attaratas zeide tot Ezra de overste priester en leermeester,
|