Chapter, Verse
1 1, 38| Saracus nam hij, en bracht hem weder in Egypte.~
2 2, 18| herstellen, en de tempel weder oprichten.~
3 2, 24| weten, dat indien deze stad weder gebouwd wordt, en haar muren
4 2, 24| gebouwd wordt, en haar muren weder opgericht, gij geen toegang
5 3, 3 | verzadigd waren, keerden zij weder naar huis. Doch Darius,
6 3, 3 | Darius, de koning, keerde weder in zijn slaapkamer, en viel
7 3, 3 | viel in slaap, en ontwaakte weder.~
8 4, 34| des hemels, en zij keert weder in haar plaats op één dag.~
9 4, 44| verstoren, en hij beloofde die weder derwaarts te zenden.~
10 4, 57| 57 En hij zond weder al de vaten, die Cyrus uit
11 5, 8 | 8 En zij zijn weder gekeerd naar Jeruzalem,
12 6, 2 | van Josedek, en begonnen weder te bouwen het huis des Heren,
13 6, 17| geschreven, dat men dit huis weder zou bouwen.~
14 6, 18| deze nam Cyrus de koning weder uit de tempel die te Babylon
15 6, 26| gebracht had, die zou men weder brengen in het huis des
16 6, 26| waren geweest, opdat ze daar weder gesteld mochten worden.~
17 8, 14| van Babylonië, dat men dat weder brenge de Here te Jeruzalem:~
18 8, 62| 62 En wij trokken weder op van de rivier Thera,
19 8, 88| land gegeven, en wij zijn weder achterwaarts gekeerd, om
|