Chapter, Verse
1 1, 55| muren van Jeruzalem, en haar torens verbrandden zij met
2 1, 55| met vuur, en alles wat in haar heerlijk was, maakten zij
3 2, 19| stad opgebouwd wordt, en haar muren voltooid worden, zo
4 2, 24| weder gebouwd wordt, en haar muren weder opgericht, gij
5 4, 15| de aarde regeert is uit haar geboren.~
6 4, 19| alles, en wenden de ogen op haar, en met open mond aanschouwen
7 4, 19| open mond aanschouwen zij haar; en hebben meer begeerte
8 4, 19| hebben meer begeerte tot haar, dan tot het goud en het
9 4, 30| en sloeg de koning met haar linkerhand.~
10 4, 31| 31 En bovendien zag haar de koning met open mond
11 4, 31| werd, zo liefkoosde hij haar, opdat zij met hem verzoend
12 4, 34| is de hemel, en snel in haar loop is de zon, want zij,
13 4, 34| hemels, en zij keert weder in haar plaats op één dag.~
14 4, 36| bewogen en beven, en bij haar is geen onrecht.~
15 4, 39| 39 En bij haar is geen aanneming des persoons;
16 4, 39| hebben zij een welbehagen in haar werken.~
17 4, 40| 40 En in haar oordeel is geen onrecht,
18 8, 26| verstaan, leer hun, die haar niet verstaan.~
19 8, 94| vreemd geslacht zijn, met haar kinderen zullen uitdrijven.~
|