Chapter, Verse
1 1, 29| 29 Maar hij stelde zich om te strijden tegen hem
2 1, 38| Jojakim en de groten aan zich; maar zijn broeder Saracus
3 2, 23| 23 En dat de Joden daarin zich, van ouds af, altijd afvallig
4 2, 26| dat deze stad van ouds af zich tegen de koningen heeft
5 3, 15| 15 En hij zette zich neder in zijn Raad, en het
6 4, 39| hetgeen recht is, en onthoudt zich van al hetgeen onrecht en
7 5, 46| van dit volk waren, zetten zich neder te Jeruzalem, en in
8 5, 50| andere volken des lands zich tegen hen vergaderden, omdat
9 5, 51| aarde waren, versterkten zich. En zij offerden offeranden
10 6, 27| zorg te dragen, dat zij zich van die plaats zouden onthouden;
11 7, 14| broden zeven dagen lang, zich verheugende voor de Here;~
12 8, 61| en goud, en de vaten tot zich genomen hadden, om te Jeruzalem
13 8, 69| priesters, en de Levieten hebben zich niet afgezonderd van de
14 8, 71| 71 Want zij hebben zich ten huwelijk gevoegd met
15 9, 1 | voorhof des tempels, begaf zich in de kamer van Joannan
16 9, 16| de priester verkoos tot zich de voornaamste mannen van
17 9, 37| anderen uit Israël zetten zich neder te Jeruzalem, en in
18 9, 55| hen die niet hadden, en zich grotelijks te vervrolijken;~
|