Chapter, Verse
1 1, 27| Eufraat; en nu, de Here is bij mij, en de Here is haastig bij
2 1, 27| en de Here is haastig bij mij; wend u af van mij, en stel
3 1, 27| haastig bij mij; wend u af van mij, en stel u niet tegen de
4 1, 30| tot zijn knechten: Voert mij af uit de strijd, want ik
5 2, 3 | allerhoogste Here, heeft mij tot koning gemaakt over
6 2, 4 | 4 En heeft mij bevolen, dat ik hem een
7 2, 26| heb de brief, die gij aan mij gezonden hebt, gelezen,
8 4, 28| 28 En nu, gelooft gij mij niet? Is de koning niet
9 4, 42| anderen, en gij zult naast mij zitten, en mijn bloedvriend
10 4, 46| de heerlijkheid, die door mij van u geeist wordt. Ik bid
11 4, 60| 60 Geloofd zijt gij, die mij wijsheid gegeven hebt, en
12 8, 12| mede trekken; gelijk het mij, en mijn zeven vrienden
13 8, 29| 29 En die mij heeft geëerd gemaakt voor
14 8, 30| uit Israël, opdat zij met mij zouden optrekken.~
15 8, 31| heerschappijen, die met mij optogen uit Babylonië, onder
16 8, 52| 52 Want ik schaamde mij van de koning voetknechten
17 8, 69| zo kwamen de oversten tot mij, en zeiden: Het volk Israëls,
18 8, 73| 73 En tot mij zijn vergaderd allen die
|