Chapter, Verse
1 1, 39| toen hij koning werd over Judea en Jeruzalem, en deed wat
2 1, 46| maakte Zedekia koning over Judea en Jeruzalem; die was eenentwintig
3 2, 4 | bouwen te Jeruzalem, dat in Judea is.~
4 2, 5 | trekke op naar Jeruzalem in Judea, en bouwe het huis des Heren
5 2, 12| Schesbatzar, de stadhouder van Judea.~
6 2, 16| hem, tegen degenen die in Judea en te Jeruzalem woonden,
7 4, 45| Idumeeërs verbrand hebben, toen Judea door de Chaldeeën is verwoest.~
8 4, 49| die uit zijn koninkrijk in Judea opgingen vanwege de vrijheid,
9 5, 7 | Dezen nu zijn het die uit Judea zijn opgetrokken uit de
10 5, 8 | naar de andere delen van Judea, elk in zijn eigen stad:
11 5, 57| tweede maand, als zij in Judea en Jeruzalem waren gekomen.~
12 5, 73| drongen op degenen die in Judea woonden, en hen bezettende,
13 6, 1 | Addo, over de Joden, die in Judea en Jeruzalem waren, in de
14 6, 8 | aangekomen zijnde in het land van Judea, en gegaan zijnde in de
15 6, 27| des Heren en overste van Judea, Zerubabel, en de oudsten
16 8, 13| 13 Opdat zij hetgeen in Judea en Jeruzalem is bezoeken,
17 8, 82| een vastigheid te geven in Judea en Jeruzalem.~
18 9, 3 | aankondiging gedaan door geheel Judea en Jeruzalem, aan allen
|