Chapter, Verse
1 1, 20| tijden van de profeet Samuël af.~
2 1, 27| haastig bij mij; wend u af van mij, en stel u niet
3 1, 28| zijn wagen van hem niet af; maar bestond hem te bestrijden,
4 1, 29| Megiddo, en de oversten kwamen af tegen de koning Josia.~
5 1, 30| zijn knechten: Voert mij af uit de strijd, want ik ben
6 1, 30| knechten voerden hem terstond af uit de slagorden.~
7 1, 31| was, legde hij het leven af, en werd begraven in zijn
8 1, 35| koning van Egypte zette hem af, dat hij te Jeruzalem geen
9 1, 48| meinedig, en viel van hem af, en hij verhardde zijn nek,
10 2, 23| Joden daarin zich, van ouds af, altijd afvallig en oproerig
11 2, 26| dat deze stad van ouds af zich tegen de koningen heeft
12 4, 7 | men aflate, zo laten zij af.~
13 4, 9 | men afbreke, zo breken zij af; zegt hij dat men plante,
14 5, 53| nieuwe maan der zevende maand af, begonnen God offeranden
15 5, 69| Asbakaf de koning van Assyrië af, die ons hier heeft overgebracht.~
16 6, 20| Jeruzalem, en van die tijd af tot nu toe werd het gebouwd,
17 8, 55| priesters twaalf mannen af, en Eresebia, en Lamia en
18 9, 41| poort, van de morgenstond af tot de middag toe, in de
|