Chapter, Verse
1 1, 21| 21 En geen koning Israëls heeft zodanig
2 1, 35| af, dat hij te Jeruzalem geen koning zou zijn.~
3 2, 19| zo zullen zij niet alleen geen schatting willen geven,
4 2, 24| muren weder opgericht, gij geen toegang meer zult hebben
5 3, 21| vrolijkheid, en hij gedenkt aan geen droefheid, en aan geen schuld;~
6 3, 21| aan geen droefheid, en aan geen schuld;~
7 4, 36| en beven, en bij haar is geen onrecht.~
8 4, 37| onrecht; en daar is in hen geen waarheid, en in hun ongerechtigheid
9 4, 39| 39 En bij haar is geen aanneming des persoons;
10 4, 39| des persoons; zij maakt geen onderscheid, maar zij doet
11 4, 40| 40 En in haar oordeel is geen onrecht, en zij is de kracht,
12 4, 49| vanwege de vrijheid, dat geen machtige, noch landvoogd,
13 5, 40| zeiden tot hen, dat zij geen deel zouden hebben aan de
14 8, 24| ulieden wordt ook geboden, dat geen priesters, noch Levieten,
15 9, 2 | 2 En bleef daar, en at geen brood en dronk geen water,
16 9, 2 | en at geen brood en dronk geen water, treurig zijnde over
17 9, 11| blauwe hemel, en dit is geen werk voor ons van één dag
|