1-500 | 501-901
Chapter, Verse
501 5, 69| doen hem offeranden, van de dagen van Asbakaf de koning
502 5, 69| van de dagen van Asbakaf de koning van Assyrië af, die
503 5, 70| hen Zerubabel, en Jozua en de oversten der vaderlijke
504 5, 71| het huis te bouwen voor de Here onze God:~
505 5, 72| Maar wij zullen alleen voor de Here Israëls bouwen, volgens
506 5, 72| volgens hetgeen Cyrus, de koning der Perzen ons heeft
507 5, 73| 73 En de volken van dit land drongen
508 5, 74| makende, beletten zij dat de bouw niet werd voleindigd,
509 5, 74| niet werd voleindigd, en al de tijd van het leven des konings
510 5, 74| konings Cyrus; en zo werd de bouw verhinderd twee jaren
511 6, 1 | koninkrijk van Darius profeteerde de profeet Haggaï en Zacharia
512 6, 1 | profeet Haggaï en Zacharia de zoon van Addo, over de Joden,
513 6, 1 | Zacharia de zoon van Addo, over de Joden, die in Judea en Jeruzalem
514 6, 1 | Judea en Jeruzalem waren, in de naam van de God Israëls.~
515 6, 1 | Jeruzalem waren, in de naam van de God Israëls.~
516 6, 2 | Toen stond op Zerubabel, de zoon van Sealthiël, en Jozua
517 6, 2 | van Sealthiël, en Jozua de zoon van Josedek, en begonnen
518 6, 2 | te Jeruzalem is, dewijl de profeten des Heren bij hen
519 6, 3 | tijd kwam tot hen Sisinnes de ondervoogd van Syrië en
520 6, 4 | te voltooien, en wie zijn de bouwlieden die dit opmaken?~
521 6, 5 | onderzoek gedaan was over de gevangenissen, zo hadden
522 6, 5 | gevangenissen, zo hadden de oudsten der Joden genade
523 6, 5 | oudsten der Joden genade van de Here, en werden niet verhinderd
524 6, 5 | werden niet verhinderd in de bouw, totdat men Darius
525 6, 7 | 7 Sisinnes, de ondervoogd van Syrië en
526 6, 7 | oversten zijn, wensen Darius de koning voorspoed.~
527 6, 8 | alles kennelijk onze Heer de koning, dat wij aangekomen
528 6, 8 | Judea, en gegaan zijnde in de stad Jeruzalem, bevonden
529 6, 8 | Jeruzalem, bevonden hebben, dat de oudsten der Joden, die gevangen
530 6, 9 | 9 In de stad Jeruzalem bouwende
531 6, 9 | nieuw en groot huis voor de Here met gehouwen kostelijke
532 6, 9 | kostelijke stenen, en houtwerk in de muren gelegd;~
533 6, 11| bevolen dat huis te bouwen, en de grond van deze werken te
534 6, 12| mogen aanschrijven welke de mannen zijn, die hierover
535 6, 12| ook schriftelijk afgeëist de namen dergenen die hun oversten
536 6, 13| kinderen des Heren, die de hemel en de aarde heeft
537 6, 13| des Heren, die de hemel en de aarde heeft geschapen,~
538 6, 15| En daar onze vaders tegen de Here Israëls, die in de
539 6, 15| de Here Israëls, die in de hemel is, hadden gezondigd,
540 6, 15| zo gaf hij hen over in de handen van Nabuchodonosor,
541 6, 15| handen van Nabuchodonosor, de koning te Babylon, de koning
542 6, 15| Nabuchodonosor, de koning te Babylon, de koning der Chaldeeën,~
543 6, 17| Babylonië regeerde, heeft de koning Cyrus geschreven,
544 6, 18| 18 En de heilige gouden en zilveren
545 6, 18| gezet had, deze nam Cyrus de koning weder uit de tempel
546 6, 18| Cyrus de koning weder uit de tempel die te Babylon is,
547 6, 18| Zerubabel, en Sabanasser de ondervoogd.~
548 6, 19| zou wegnemen, en zetten in de tempel te Jeruzalem, en
549 6, 19| tempel te Jeruzalem, en dat de tempel des Heren zou gebouwd
550 6, 20| daar gekomen was, legde hij de fundamenten van het huis
551 6, 21| laat onderzocht worden in de koninklijke boekkassen van
552 6, 22| indien bevonden wordt, dat de opbouw van het huis des
553 6, 22| Jeruzalem met bewilliging van de koning Cyrus is geschied,
554 6, 22| Cyrus is geschied, en het de koning onze Heer goeddunkt,
555 6, 23| 23 Toen heeft de koning Darius bevolen, dat
556 6, 23| dat men zou onderzoeken in de boekkassen die te Babylon
557 6, 23| bevonden, te Ekbatana in de stad, die in het land van
558 6, 24| als Cyrus regeerde, gebood de koning Cyrus, dat men het
559 6, 25| 25 Van hetwelk de hoogte zou zijn zestig ellen,
560 6, 25| zou zijn zestig ellen, en de breedte zestig ellen, met
561 6, 25| van dat land, en dat men de onkosten zou geven uit het
562 6, 25| geven uit het huis Cyrus de koning.~
563 6, 26| 26 En de heilige vaten van het huis
564 6, 27| 27 Hij beval ook Sisinnes de ondervoogd van Syrië en
565 6, 27| Sathrabusan en hun metgezellen, en de andere landvoogden, die
566 6, 27| zouden onthouden; en dat zij de knecht des Heren en overste
567 6, 27| van Judea, Zerubabel, en de oudsten der Joden, dit huis
568 6, 28| men wel toezie, dat men de Joden, die uit de gevangenis
569 6, 28| dat men de Joden, die uit de gevangenis zijn, hulp bewijze,
570 6, 29| 29 Ook dat uit de inkomsten van Celo-Syrië
571 6, 29| bijleg gegeven worde aan de landvoogd Zerubabel, voor
572 6, 29| mensen, tot een offerande de Here, namelijk tot stieren,
573 6, 30| gedurig alle jaren; gelijk dan de priesters, die te Jeruzalem
574 6, 31| drankofferen geofferd worden aan de hoogste God, voor de koning,
575 6, 31| aan de hoogste God, voor de koning, en zijn kinderen;
576 6, 32| en dat zijn goederen aan de koning zullen vervallen
577 6, 33| 33 Daarom ook, de Here, wiens naam daar aangeroepen
578 7, 1 | 1 TOEN zijn Sisinnes de ondervoogd in Celo-Syrië
579 7, 1 | geweest aan hetgeen door de koning Darius was verordineerd;~
580 7, 2 | 2 En hielden vlijtig de hand aan de heilige werken:
581 7, 2 | hielden vlijtig de hand aan de heilige werken: en waren
582 7, 2 | heilige werken: en waren de oudsten der Joden en de
583 7, 2 | de oudsten der Joden en de opzieners des tempels behulpzaam.~
584 7, 3 | 3 En de heilige werken gingen gelukkig
585 7, 3 | gingen gelukkig voort, als de profeten Haggaï en Zacharia
586 7, 4 | door het bevel des Heren de God van Israël, en met goedvinden
587 7, 4 | en Darius, en Artaxerxes, de koningen van Perzië.~
588 7, 5 | heilige huis voltooid tot op de drieëntwintigste dag der
589 7, 6 | 6 En de kinderen Israëls, en de
590 7, 6 | de kinderen Israëls, en de priesters en de Levieten,
591 7, 6 | Israëls, en de priesters en de Levieten, en de anderen
592 7, 6 | priesters en de Levieten, en de anderen die uit de gevangenis
593 7, 6 | Levieten, en de anderen die uit de gevangenis daarbij gevoegd
594 7, 7 | 7 En offerden tot de inwijding van de tempel
595 7, 7 | offerden tot de inwijding van de tempel des Heren honderd
596 7, 8 | 8 En voor de zonden des gansen volks
597 7, 8 | het getal der oversten van de twaalf geslachten Israëls,~
598 7, 9 | 9 En de priesters en de Levieten
599 7, 9 | 9 En de priesters en de Levieten stonden naar de
600 7, 9 | de Levieten stonden naar de geslachten, bekleed met
601 7, 9 | met lange klederen, over de werken des Heren, de God
602 7, 9 | over de werken des Heren, de God Israëls, volgens het
603 7, 9 | volgens het boek van Mozes: en de deurwachters stonden aan
604 7, 10| 10 En de kinderen Israëls, die uit
605 7, 10| kinderen Israëls, die uit de gevangenis waren, hielden
606 7, 10| hielden het Pascha, op de veertiende dag der eerste
607 7, 10| dag der eerste maand, als de priesters en Levieten geheiligd
608 7, 11| 11 Doch al de kinderen Israëls, die uit
609 7, 11| kinderen Israëls, die uit de gevangenis waren gekomen,
610 7, 11| tezamen geheiligd, maar de Levieten waren tezamen geheiligd.~
611 7, 12| slachtten het Pascha voor al de kinderen der gevangenis,
612 7, 12| gevangenis, en voor hun broederen de priesters, en voor zichzelf.~
613 7, 13| 13 En de kinderen Israëls, die uit
614 7, 13| kinderen Israëls, die uit de gevangenis waren, aten het
615 7, 13| die afgescheiden waren van de gruwelen der volken van
616 7, 13| volken van het land, en die de Here zochten.~
617 7, 14| lang, zich verheugende voor de Here;~
618 7, 15| 15 Omdat Hij de raad van de koning der Assyriërs
619 7, 15| 15 Omdat Hij de raad van de koning der Assyriërs tot
620 7, 15| hun handen te sterken in de werken des Heren, de God
621 7, 15| in de werken des Heren, de God Israëls.~
622 8, 1 | na deze, als Artaxerxes, de koning der Perzen, regeerde,
623 8, 1 | regeerde, trok henen Ezra, de zoon van Azaria, de zoon
624 8, 1 | Ezra, de zoon van Azaria, de zoon van Sechrie, de zoon
625 8, 1 | Azaria, de zoon van Sechrie, de zoon van Helchia, de zoon
626 8, 1 | Sechrie, de zoon van Helchia, de zoon van Sallem,~
627 8, 2 | 2 De zoon van Sadduk, de zoon
628 8, 2 | 2 De zoon van Sadduk, de zoon van Achitob, de zoon
629 8, 2 | Sadduk, de zoon van Achitob, de zoon van Amaria, de zoon
630 8, 2 | Achitob, de zoon van Amaria, de zoon van Orias, de zoon
631 8, 2 | Amaria, de zoon van Orias, de zoon van Bokka, de zoon
632 8, 2 | Orias, de zoon van Bokka, de zoon van Abisai, de zoon
633 8, 2 | Bokka, de zoon van Abisai, de zoon van Pinehas, de zoon
634 8, 2 | Abisai, de zoon van Pinehas, de zoon van Eleazar, de zoon
635 8, 2 | Pinehas, de zoon van Eleazar, de zoon van Aäron, de eerste
636 8, 2 | Eleazar, de zoon van Aäron, de eerste priester.~
637 8, 3 | schriftgeleerde, verstandig zijnde in de wet van Mozes, die door
638 8, 3 | wet van Mozes, die door de Gods Israëls was gegeven.~
639 8, 4 | 4 En de koning had hem heerlijkheid
640 8, 5 | Jeruzalem sommigen op, uit de kinderen Israëls, en uit
641 8, 5 | kinderen Israëls, en uit de priesters en Levieten, en
642 8, 5 | priesters en Levieten, en uit de heilige zangers en deurwachters,
643 8, 6 | als Artaxerxes regeerde in de vijfde maand, (dit is het
644 8, 6 | gingen zij uit Babylonië, op de nieuwe maan der eerste maand,~
645 8, 7 | Jeruzalem onder hem, volgens de voorspoedige reis, die hun
646 8, 7 | voorspoedige reis, die hun van de Here was gegeven.~
647 8, 8 | naliet der dingen die van de wet des Heren waren, en
648 8, 8 | des Heren waren, en van de geboden om gans Israël al
649 8, 8 | geboden om gans Israël al de rechten en gerichten te
650 8, 9 | het schriftelijk bevel van de koning Artaxerxes tot Ezra
651 8, 9 | koning Artaxerxes tot Ezra de priester en leermeester
652 8, 9 | priester en leermeester van de wet des Heren, waarvan het
653 8, 10| 10 De koning Artaxerxes wenst
654 8, 10| koning Artaxerxes wenst Ezra, de priester en leermeester
655 8, 10| priester en leermeester van de wet des Heren, voorspoed.~
656 8, 11| uit het Joodse volk, en de priesters, en de Levieten
657 8, 11| volk, en de priesters, en de Levieten in ons koninkrijk
658 8, 13| doen volgens hetgeen in de wet des Heren vervat is.~
659 8, 14| 14 En zij de Here Israëls gaven toebrengen,
660 8, 14| dat men dat weder brenge de Here te Jeruzalem:~
661 8, 15| van uw volk gegeven is tot de tempel des Heren, huns Gods,
662 8, 16| 16 Opdat men de Here offere offeranden op
663 8, 17| zilver, volbrengt dat naar de wil uws Gods.~
664 8, 18| 18 En de heilige vaten des Heren,
665 8, 18| zijn tot het gebruik van de tempel uws Gods,~
666 8, 20| bevolen aan hen, die over de schatten van Syrië en Fenicië
667 8, 21| 21 Dat zo wat Ezra, de priester en leermeester,
668 8, 21| priester en leermeester, van de wet des hoogsten Gods zal
669 8, 23| zorgvuldig volbracht naar de wet Gods, voor de hoogste
670 8, 23| volbracht naar de wet Gods, voor de hoogste God; opdat de toorn
671 8, 23| voor de hoogste God; opdat de toorn Gods niet kome over
672 8, 26| 26 En gij Ezra, naar de wijsheid Gods, stel tot
673 8, 26| Fenicië, al degenen die de wet uws Gods verstaan, leer
674 8, 27| 27 En al die de wet uws Gods en des konings
675 8, 27| worden gestraft, hetzij met de dood, hetzij met andere
676 8, 28| 28 En Ezra de schriftgeleerde zeide: Geloofd
677 8, 28| zeide: Geloofd zij alleen de Here de God mijner vaderen,
678 8, 28| Geloofd zij alleen de Here de God mijner vaderen, die
679 8, 29| heeft geëerd gemaakt voor de koning en zijn raadsheren,
680 8, 30| ik werd welgemoed, naar de hulp des Heren, mijns Gods;
681 8, 31| 31 En deze zijn de oversten naar hun vaderlijke
682 8, 32| 32 Uit de kinderen Pinehas: Gerson;
683 8, 32| kinderen Pinehas: Gerson; uit de kinderen van Ithamar: Gamaliël;
684 8, 32| van Ithamar: Gamaliël; uit de kinderen van David: Lattus,
685 8, 32| kinderen van David: Lattus, de zoon van Sechenia.~
686 8, 33| 33 Uit de kinderen van Foros: Zacharia,
687 8, 34| 34 Uit de kinderen van Faät Moab;
688 8, 34| van Faät Moab; Eljaonia de zoon van Zarea, en met hem
689 8, 35| 35 Uit de kinderen van Zathoë: Sechenia,
690 8, 35| kinderen van Zathoë: Sechenia, de zoon van Jezel, en met hem
691 8, 36| 36 Uit de kinderen van Adin, Obed,
692 8, 36| kinderen van Adin, Obed, de zoon van Jonathan, en met
693 8, 37| 37 Uit de kinderen van Elam, Jesia,
694 8, 37| kinderen van Elam, Jesia, de zoon van Gotholia, en met
695 8, 37| hem zeventig mannen; uit de kinderen van Safatja, Zaraja,
696 8, 37| kinderen van Safatja, Zaraja, de zoon van Michaël, en met
697 8, 38| 38 Uit de kinderen van Joab, Abadja,
698 8, 38| kinderen van Joab, Abadja, de zoon van Jezel, en met hem
699 8, 39| 39 Uit de kinderen van Bania, Salimoth,
700 8, 39| kinderen van Bania, Salimoth, de zoon van Josafir, en met
701 8, 40| 40 Uit de kinderen van Babi, Zacharia,
702 8, 40| kinderen van Babi, Zacharia, de zoon van Bebai, en met hem
703 8, 41| 41 Uit de kinderen van Astath, Joannes
704 8, 42| 42 Uit de kinderen van Adonikam, de
705 8, 42| de kinderen van Adonikam, de laatsten, en deze zijn hun
706 8, 42| zijn hun namen: Elifala, de zoon van Gevel, en Jamaja,
707 8, 42| hen zeventig mannen; uit de kinderen van Bagenthi, de
708 8, 42| de kinderen van Bagenthi, de zoon van Istaleumi, en met
709 8, 43| En ik verzamelde hen aan de rivier genoemd Thera, en
710 8, 44| 44 En uit de priesters en uit de Levieten
711 8, 44| uit de priesters en uit de Levieten niemand daar vindende,~
712 8, 45| Zacharia en Mosollamon de oversten, en geleerden.~
713 8, 46| zouden komen tot Loddeus de overste, die daar was in
714 8, 46| overste, die daar was in de plaats der schatkamer,~
715 8, 47| Loddo en zijn broederen, en de schatbewaarders in die plaats
716 8, 48| zij brachten tot ons, naar de sterke hand onzes Heren,
717 8, 48| enige verstandige mannen uit de kinderen van Moöli, de zoon
718 8, 48| uit de kinderen van Moöli, de zoon van Levi, de zoon van
719 8, 48| Moöli, de zoon van Levi, de zoon van Israël, namelijk
720 8, 49| Hosea zijn broeder, uit de kinderen van Chanun, en
721 8, 50| 50 En van degenen, die de tempel dienden, die David
722 8, 50| tempel dienden, die David en de oversten gegeven hadden
723 8, 51| beval daar een vasten aan de jongelingen voor de Here:
724 8, 51| aan de jongelingen voor de Here: om van hem te verzoeken
725 8, 52| Want ik schaamde mij van de koning voetknechten en ruiters
726 8, 53| 53 Want wij hadden tegen de koning gezegd, dat de sterkte
727 8, 53| tegen de koning gezegd, dat de sterkte onzes Heren was
728 8, 54| baden al deze dingen van de Here, en wij vonden hem
729 8, 55| 55 En ik zonderde van de oversten der priesters twaalf
730 8, 56| het zilver en het goud, en de heilige vaten van het huis
731 8, 56| huis onzes Heren, welke de koning, en zijn raadsheren,
732 8, 56| en zijn raadsheren, en de groten, en het ganse Israël
733 8, 59| ben: Gijlieden zijt ook de Here heilig, en de vaten
734 8, 59| zijt ook de Here heilig, en de vaten zijn heilig, en het
735 8, 60| totdat gij ze overlevert aan de oversten der priesters en
736 8, 60| priesters en Levieten, en aan de oversten der vaderlijke
737 8, 60| Israëls te Jeruzalem, in de cellen van het huis onzes
738 8, 61| dit zilver, en goud, en de vaten tot zich genomen hadden,
739 8, 61| leveren brachten die in de tempel des Heren.~
740 8, 62| wij trokken weder op van de rivier Thera, de twaalfde
741 8, 62| op van de rivier Thera, de twaalfde dag der eerste
742 8, 62| zijn te Jeruzalem, naar de sterke hand onzes Heren,
743 8, 63| hij heeft ons verlost van de ingang aan van alle vijanden;
744 8, 63| dagen geweest waren, zo werd de vierde dag het gewogen zilver
745 8, 63| des Heren, aan Marmoth, de zoon van Uria de priester.~
746 8, 63| Marmoth, de zoon van Uria de priester.~
747 8, 64| 64 En met hem was Eleazar de zoon van Pinehas, en met
748 8, 64| en met hem waren Josabdos de zoon van Jozua, en Moëth
749 8, 64| zoon van Jozua, en Moëth de zoon van Laban: en de Levieten
750 8, 64| Moëth de zoon van Laban: en de Levieten leverden het alles
751 8, 66| 66 En die uit de gevangenis aangekomen waren,
752 8, 66| offerden tot offeranden de Here de God Israëls, twaalf
753 8, 66| offerden tot offeranden de Here de God Israëls, twaalf stieren,
754 8, 67| alles tot een offerande voor de Here;~
755 8, 68| 68 En gaven de bevelen des konings over,
756 8, 68| bevelen des konings over, aan de rentmeesters des konings,
757 8, 68| rentmeesters des konings, en aan de landvoogden van Celo-Syrië
758 8, 68| verheerlijkten het volk en de tempel des Heren.~
759 8, 69| volbracht waren, zo kwamen de oversten tot mij, en zeiden:
760 8, 69| zeiden: Het volk Israëls, en de oversten, en de priesters,
761 8, 69| Israëls, en de oversten, en de priesters, en de Levieten
762 8, 69| oversten, en de priesters, en de Levieten hebben zich niet
763 8, 69| zich niet afgezonderd van de vreemde volken van dit land,
764 8, 70| 70 Van de volken der Kanaänieten,
765 8, 71| vermengd geworden onder de vreemde volken des lands;
766 8, 71| en aan deze zonde zijn de oversten en de groten van
767 8, 71| zonde zijn de oversten en de groten van het begin dezer
768 8, 73| door het woord des Heren, de God Israëls, daar ik treurig
769 8, 74| van het vasten, hebbende de klederen verscheurd, en
770 8, 74| klederen verscheurd, en de heilige rok; en ik knielde
771 8, 74| handen uitstrekkende tot de Here, zeide ik:~
772 8, 76| misdaden zijn verhoogd tot de hemel toe, zelfs van de
773 8, 76| de hemel toe, zelfs van de tijden onzer vaderen.~
774 8, 78| om onzer zonde wil, en om de zonden onzer vaderen. zijn
775 8, 78| overgegeven met schande, aan de koningen der aarde, tot
776 8, 78| gevangenis, en roof, tot op de huidige dag.~
777 8, 79| weinig genade geschied van de Here, om ons een wortel
778 8, 79| te laten, en een naam, in de plaats uws heiligdoms:~
779 8, 80| om ons spijs te geven in de tijd van onze dienstbaarheid.~
780 8, 81| zijn wij niet verlaten door de Here onze God, maar hij
781 8, 81| ons in genade gesteld voor de koningen der Perzen, om
782 8, 82| 82 En om de tempel onzes Heren te verheerlijken,
783 8, 83| gij ons gegeven hebt door de dienst uwer knechten de
784 8, 83| de dienst uwer knechten de profeten, zeggende:~
785 8, 84| hebben, is een land, dat door de bezoedeling van de vreemde
786 8, 84| door de bezoedeling van de vreemde volken des lands
787 8, 88| zodat wij vermengd zijn met de onreinheid van de volken
788 8, 88| zijn met de onreinheid van de volken des lands.~
789 8, 90| een wortel overgelaten op de huidige dag.~
790 8, 92| 92 En toen Ezra bad, en de zonden bekende, en weende,
791 8, 92| en weende, liggende voor de tempel op de aarde, zo is
792 8, 92| liggende voor de tempel op de aarde, zo is is tot hem
793 8, 92| het wenen was groot onder de menigte.~
794 8, 93| 93 En Jechonia, de zoon van Jeëli, uit de kinderen
795 8, 93| de zoon van Jeëli, uit de kinderen Israëls riep en
796 8, 93| wij hebben gezondigd tegen de Here, wij hebben vreemde
797 8, 93| ten huwelijk genomen, uit de volken des lands.~
798 8, 94| een eed geschieden voor de Here, dat wij al onze vrouwen,
799 8, 95| goeddunken, en al degenen die de wet des Heren gehoorzaam
800 8, 96| toe, en wij zijn met u om de kracht daarbij te doen.~
801 8, 97| Ezra stond op, en beëedigde de oversten der priesters en
802 9, 1 | 1 EN Ezra opstaande, van de voorhof des tempels, begaf
803 9, 1 | des tempels, begaf zich in de kamer van Joannan de zoon
804 9, 1 | in de kamer van Joannan de zoon van Eliasis.~
805 9, 2 | water, treurig zijnde over de grote overtredingen der
806 9, 3 | Jeruzalem, aan allen die uit de gevangenis waren, opdat
807 9, 4 | afgescheiden worden van de menigte der gevangenis.~
808 9, 5 | vergaderden allen, die uit de stammen van Juda en Benjamin
809 9, 5 | dagen te Jeruzalem; dit was de negende maand, en de twintigste
810 9, 5 | was de negende maand, en de twintigste dag der maand.~
811 9, 6 | 6 En de gehele menigte zat op de
812 9, 6 | de gehele menigte zat op de grote voorplaats des tempels,
813 9, 6 | bevende van koude vanwege de aanstaande winter.~
814 9, 8 | het, en geeft heerlijkheid de Here, de God onzer vaderen.~
815 9, 8 | geeft heerlijkheid de Here, de God onzer vaderen.~
816 9, 9 | zijn wil, en scheidt u van de volken van dit land, en
817 9, 9 | volken van dit land, en van de uitlandse vrouwen.~
818 9, 10| 10 Toen riep de ganse menigte, en zeide
819 9, 11| 11 Maar de menigte is groot, en het
820 9, 11| kunnen niet staan onder de blauwe hemel, en dit is
821 9, 12| 12 Doch dat de voorgangers der menigte
822 9, 13| komen, en tijd nemen, en de oudsten en rechters van
823 9, 13| van iedere plaats, totdat de toorn des Heren van ons
824 9, 14| 14 Toen nam Jonathas, de zoon van Azaël, en Esekia,
825 9, 14| zoon van Azaël, en Esekia, de zoon van Theoran, dit volgens
826 9, 15| 15 En die uit de gevangenis waren, volgden
827 9, 16| 16 En Ezra de priester verkoos tot zich
828 9, 16| priester verkoos tot zich de voornaamste mannen van hun
829 9, 16| allen met namen, en op de nieuwe maan der tiende maand
830 9, 17| einde gebracht, aangaande de mannen die uitlandse vrouwen
831 9, 17| uitlandse vrouwen hadden, op de nieuwe maan van de eerste
832 9, 17| hadden, op de nieuwe maan van de eerste maand.~
833 9, 18| 18 En onder de priesters werden gevonden,
834 9, 19| 19 Van de kinderen van Jozua, de zoon
835 9, 19| Van de kinderen van Jozua, de zoon van Josedek en zijn
836 9, 20| 20 En legden de hand daaraan; dat zij hun
837 9, 21| 21 En van de kinderen van Emmer: Ananias,
838 9, 22| 22 En van de kinderen van Fesur: Elionais,
839 9, 23| 23 En van de Levieten: Josabad, en Semeïs,
840 9, 24| 24 Van de heilige zangers: Eliaseb,
841 9, 25| 25 Van de deurwachters: Salum en Telbanes.~
842 9, 26| 26 Van de Israëlieten, uit de kinderen
843 9, 26| Van de Israëlieten, uit de kinderen van Foros: Hiermas,
844 9, 27| 27 Van de kinderen van Ela: Mathanias,
845 9, 28| 28 En van de kinderen van Zamoth: Eliazim,
846 9, 29| 29 En van de kinderen van Bebai: Joannes,
847 9, 30| 30 En van de kinderen van Mani: Olam,
848 9, 31| 31 En van de kinderen van Addi: Naäth,
849 9, 32| 32 En uit de kinderen van Anan: Elionas,
850 9, 33| 33 En van de kinderen van Asom: Altaneüs,
851 9, 34| 34 En van de kinderen van Baäni: Hieremias,
852 9, 34| Selemias, Nathanius. En van de kinderen van Ezora: Sesis,
853 9, 35| 35 En van de kinderen van Ethma: Mazitias,
854 9, 37| 37 En de priesters, en de Levieten,
855 9, 37| 37 En de priesters, en de Levieten, en die anderen
856 9, 37| Jeruzalem, en in het land op de nieuwe maan van de zevende
857 9, 37| land op de nieuwe maan van de zevende maand, en de kinderen
858 9, 37| van de zevende maand, en de kinderen Israëls waren in
859 9, 38| 38 En de gehele menigte kwam eendrachtig
860 9, 38| kwam eendrachtig tezamen in de grote plaats, welke is voor
861 9, 38| grote plaats, welke is voor de heilige poort tegen het
862 9, 39| En zij zeiden tot Ezra, de priester en leermeester
863 9, 39| leermeester der wet, dat hij de wet Mozes zou halen, die
864 9, 39| Mozes zou halen, die door de Here, de God Israëls was
865 9, 39| halen, die door de Here, de God Israëls was gegeven.~
866 9, 40| 40 En Ezra, de overste priester, bracht
867 9, 40| overste priester, bracht de wet voor de ganse menigte,
868 9, 40| priester, bracht de wet voor de ganse menigte, zo der mannen
869 9, 40| der vrouwen, en voor al de priesters om de wet te horen,
870 9, 40| voor al de priesters om de wet te horen, op de nieuwe
871 9, 40| priesters om de wet te horen, op de nieuwe maan der zevende
872 9, 41| 41 En hij las die in de grote plaats voor de heilige
873 9, 41| in de grote plaats voor de heilige poort, van de morgenstond
874 9, 41| voor de heilige poort, van de morgenstond af tot de middag
875 9, 41| van de morgenstond af tot de middag toe, in de tegenwoordigheid
876 9, 41| af tot de middag toe, in de tegenwoordigheid van mannen
877 9, 41| van mannen en vrouwen; en de gehele menigte keerde hun
878 9, 41| menigte keerde hun zinnen tot de wet.~
879 9, 42| 42 En Ezra, de priester en leermeester
880 9, 43| Ezekias, Baälsamus aan de rechterhand.~
881 9, 44| 44 En aan de linkerhand Chaldeüs, en
882 9, 45| Ezra nam het boek op voor de menigte, en zat heerlijk
883 9, 45| menigte, en zat heerlijk in de tegenwoordigheid van allen.~
884 9, 46| 46 En als hij de wet uitlegde, zo stonden
885 9, 46| rechtop. En Ezra loofde de Here, de hoogste God, de
886 9, 46| En Ezra loofde de Here, de hoogste God, de God der
887 9, 46| de Here, de hoogste God, de God der heerscharen, de
888 9, 46| de God der heerscharen, de almachtige;~
889 9, 47| opwaarts heffende, en op de aarde vallende, baden zij
890 9, 47| aarde vallende, baden zij de Here aan.~
891 9, 48| en Jozabdus, en Ananias, de Levieten, leerden de wet
892 9, 48| Ananias, de Levieten, leerden de wet des Heren.~
893 9, 49| 49 En zij lazen de wet des Heren voor de menigte,
894 9, 49| lazen de wet des Heren voor de menigte, hun stem in het
895 9, 50| Attaratas zeide tot Ezra de overste priester en leermeester,
896 9, 50| priester en leermeester, en tot de Levieten die het volk boven
897 9, 51| 51 Deze dag is de Here heilig; en zij weenden
898 9, 51| zij weenden allen, als zij de wet hoorden.~
899 9, 53| Want deze dag is heilig de Here, en zijt niet droevig,
900 9, 53| zijt niet droevig, want de Here zal u verheerlijken.~
901 9, 54| 54 En de Levieten bevalen het ganse
1-500 | 501-901 |