Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
dat 126
david 4
davids 3
de 901
deden 2
deed 4
deel 2
Frequency    [«  »]
-----
-----
1019 en
901 de
423 van
219 het
190 die

Het derde boek Ezra

IntraText - Concordances

de

1-500 | 501-901

    Chapter, Verse
501 5, 69| doen hem offeranden, van de dagen van Asbakaf de koning 502 5, 69| van de dagen van Asbakaf de koning van Assyrië af, die 503 5, 70| hen Zerubabel, en Jozua en de oversten der vaderlijke 504 5, 71| het huis te bouwen voor de Here onze God:~ 505 5, 72| Maar wij zullen alleen voor de Here Israëls bouwen, volgens 506 5, 72| volgens hetgeen Cyrus, de koning der Perzen ons heeft 507 5, 73| 73 En de volken van dit land drongen 508 5, 74| makende, beletten zij dat de bouw niet werd voleindigd, 509 5, 74| niet werd voleindigd, en al de tijd van het leven des konings 510 5, 74| konings Cyrus; en zo werd de bouw verhinderd twee jaren 511 6, 1 | koninkrijk van Darius profeteerde de profeet Haggaï en Zacharia 512 6, 1 | profeet Haggaï en Zacharia de zoon van Addo, over de Joden, 513 6, 1 | Zacharia de zoon van Addo, over de Joden, die in Judea en Jeruzalem 514 6, 1 | Judea en Jeruzalem waren, in de naam van de God Israëls.~ 515 6, 1 | Jeruzalem waren, in de naam van de God Israëls.~ 516 6, 2 | Toen stond op Zerubabel, de zoon van Sealthiël, en Jozua 517 6, 2 | van Sealthiël, en Jozua de zoon van Josedek, en begonnen 518 6, 2 | te Jeruzalem is, dewijl de profeten des Heren bij hen 519 6, 3 | tijd kwam tot hen Sisinnes de ondervoogd van Syrië en 520 6, 4 | te voltooien, en wie zijn de bouwlieden die dit opmaken?~ 521 6, 5 | onderzoek gedaan was over de gevangenissen, zo hadden 522 6, 5 | gevangenissen, zo hadden de oudsten der Joden genade 523 6, 5 | oudsten der Joden genade van de Here, en werden niet verhinderd 524 6, 5 | werden niet verhinderd in de bouw, totdat men Darius 525 6, 7 | 7 Sisinnes, de ondervoogd van Syrië en 526 6, 7 | oversten zijn, wensen Darius de koning voorspoed.~ 527 6, 8 | alles kennelijk onze Heer de koning, dat wij aangekomen 528 6, 8 | Judea, en gegaan zijnde in de stad Jeruzalem, bevonden 529 6, 8 | Jeruzalem, bevonden hebben, dat de oudsten der Joden, die gevangen 530 6, 9 | 9 In de stad Jeruzalem bouwende 531 6, 9 | nieuw en groot huis voor de Here met gehouwen kostelijke 532 6, 9 | kostelijke stenen, en houtwerk in de muren gelegd;~ 533 6, 11| bevolen dat huis te bouwen, en de grond van deze werken te 534 6, 12| mogen aanschrijven welke de mannen zijn, die hierover 535 6, 12| ook schriftelijk afgeëist de namen dergenen die hun oversten 536 6, 13| kinderen des Heren, die de hemel en de aarde heeft 537 6, 13| des Heren, die de hemel en de aarde heeft geschapen,~ 538 6, 15| En daar onze vaders tegen de Here Israëls, die in de 539 6, 15| de Here Israëls, die in de hemel is, hadden gezondigd, 540 6, 15| zo gaf hij hen over in de handen van Nabuchodonosor, 541 6, 15| handen van Nabuchodonosor, de koning te Babylon, de koning 542 6, 15| Nabuchodonosor, de koning te Babylon, de koning der Chaldeeën,~ 543 6, 17| Babylonië regeerde, heeft de koning Cyrus geschreven, 544 6, 18| 18 En de heilige gouden en zilveren 545 6, 18| gezet had, deze nam Cyrus de koning weder uit de tempel 546 6, 18| Cyrus de koning weder uit de tempel die te Babylon is, 547 6, 18| Zerubabel, en Sabanasser de ondervoogd.~ 548 6, 19| zou wegnemen, en zetten in de tempel te Jeruzalem, en 549 6, 19| tempel te Jeruzalem, en dat de tempel des Heren zou gebouwd 550 6, 20| daar gekomen was, legde hij de fundamenten van het huis 551 6, 21| laat onderzocht worden in de koninklijke boekkassen van 552 6, 22| indien bevonden wordt, dat de opbouw van het huis des 553 6, 22| Jeruzalem met bewilliging van de koning Cyrus is geschied, 554 6, 22| Cyrus is geschied, en het de koning onze Heer goeddunkt, 555 6, 23| 23 Toen heeft de koning Darius bevolen, dat 556 6, 23| dat men zou onderzoeken in de boekkassen die te Babylon 557 6, 23| bevonden, te Ekbatana in de stad, die in het land van 558 6, 24| als Cyrus regeerde, gebood de koning Cyrus, dat men het 559 6, 25| 25 Van hetwelk de hoogte zou zijn zestig ellen, 560 6, 25| zou zijn zestig ellen, en de breedte zestig ellen, met 561 6, 25| van dat land, en dat men de onkosten zou geven uit het 562 6, 25| geven uit het huis Cyrus de koning.~ 563 6, 26| 26 En de heilige vaten van het huis 564 6, 27| 27 Hij beval ook Sisinnes de ondervoogd van Syrië en 565 6, 27| Sathrabusan en hun metgezellen, en de andere landvoogden, die 566 6, 27| zouden onthouden; en dat zij de knecht des Heren en overste 567 6, 27| van Judea, Zerubabel, en de oudsten der Joden, dit huis 568 6, 28| men wel toezie, dat men de Joden, die uit de gevangenis 569 6, 28| dat men de Joden, die uit de gevangenis zijn, hulp bewijze, 570 6, 29| 29 Ook dat uit de inkomsten van Celo-Syrië 571 6, 29| bijleg gegeven worde aan de landvoogd Zerubabel, voor 572 6, 29| mensen, tot een offerande de Here, namelijk tot stieren, 573 6, 30| gedurig alle jaren; gelijk dan de priesters, die te Jeruzalem 574 6, 31| drankofferen geofferd worden aan de hoogste God, voor de koning, 575 6, 31| aan de hoogste God, voor de koning, en zijn kinderen; 576 6, 32| en dat zijn goederen aan de koning zullen vervallen 577 6, 33| 33 Daarom ook, de Here, wiens naam daar aangeroepen 578 7, 1 | 1 TOEN zijn Sisinnes de ondervoogd in Celo-Syrië 579 7, 1 | geweest aan hetgeen door de koning Darius was verordineerd;~ 580 7, 2 | 2 En hielden vlijtig de hand aan de heilige werken: 581 7, 2 | hielden vlijtig de hand aan de heilige werken: en waren 582 7, 2 | heilige werken: en waren de oudsten der Joden en de 583 7, 2 | de oudsten der Joden en de opzieners des tempels behulpzaam.~ 584 7, 3 | 3 En de heilige werken gingen gelukkig 585 7, 3 | gingen gelukkig voort, als de profeten Haggaï en Zacharia 586 7, 4 | door het bevel des Heren de God van Israël, en met goedvinden 587 7, 4 | en Darius, en Artaxerxes, de koningen van Perzië.~ 588 7, 5 | heilige huis voltooid tot op de drieëntwintigste dag der 589 7, 6 | 6 En de kinderen Israëls, en de 590 7, 6 | de kinderen Israëls, en de priesters en de Levieten, 591 7, 6 | Israëls, en de priesters en de Levieten, en de anderen 592 7, 6 | priesters en de Levieten, en de anderen die uit de gevangenis 593 7, 6 | Levieten, en de anderen die uit de gevangenis daarbij gevoegd 594 7, 7 | 7 En offerden tot de inwijding van de tempel 595 7, 7 | offerden tot de inwijding van de tempel des Heren honderd 596 7, 8 | 8 En voor de zonden des gansen volks 597 7, 8 | het getal der oversten van de twaalf geslachten Israëls,~ 598 7, 9 | 9 En de priesters en de Levieten 599 7, 9 | 9 En de priesters en de Levieten stonden naar de 600 7, 9 | de Levieten stonden naar de geslachten, bekleed met 601 7, 9 | met lange klederen, over de werken des Heren, de God 602 7, 9 | over de werken des Heren, de God Israëls, volgens het 603 7, 9 | volgens het boek van Mozes: en de deurwachters stonden aan 604 7, 10| 10 En de kinderen Israëls, die uit 605 7, 10| kinderen Israëls, die uit de gevangenis waren, hielden 606 7, 10| hielden het Pascha, op de veertiende dag der eerste 607 7, 10| dag der eerste maand, als de priesters en Levieten geheiligd 608 7, 11| 11 Doch al de kinderen Israëls, die uit 609 7, 11| kinderen Israëls, die uit de gevangenis waren gekomen, 610 7, 11| tezamen geheiligd, maar de Levieten waren tezamen geheiligd.~ 611 7, 12| slachtten het Pascha voor al de kinderen der gevangenis, 612 7, 12| gevangenis, en voor hun broederen de priesters, en voor zichzelf.~ 613 7, 13| 13 En de kinderen Israëls, die uit 614 7, 13| kinderen Israëls, die uit de gevangenis waren, aten het 615 7, 13| die afgescheiden waren van de gruwelen der volken van 616 7, 13| volken van het land, en die de Here zochten.~ 617 7, 14| lang, zich verheugende voor de Here;~ 618 7, 15| 15 Omdat Hij de raad van de koning der Assyriërs 619 7, 15| 15 Omdat Hij de raad van de koning der Assyriërs tot 620 7, 15| hun handen te sterken in de werken des Heren, de God 621 7, 15| in de werken des Heren, de God Israëls.~ 622 8, 1 | na deze, als Artaxerxes, de koning der Perzen, regeerde, 623 8, 1 | regeerde, trok henen Ezra, de zoon van Azaria, de zoon 624 8, 1 | Ezra, de zoon van Azaria, de zoon van Sechrie, de zoon 625 8, 1 | Azaria, de zoon van Sechrie, de zoon van Helchia, de zoon 626 8, 1 | Sechrie, de zoon van Helchia, de zoon van Sallem,~ 627 8, 2 | 2 De zoon van Sadduk, de zoon 628 8, 2 | 2 De zoon van Sadduk, de zoon van Achitob, de zoon 629 8, 2 | Sadduk, de zoon van Achitob, de zoon van Amaria, de zoon 630 8, 2 | Achitob, de zoon van Amaria, de zoon van Orias, de zoon 631 8, 2 | Amaria, de zoon van Orias, de zoon van Bokka, de zoon 632 8, 2 | Orias, de zoon van Bokka, de zoon van Abisai, de zoon 633 8, 2 | Bokka, de zoon van Abisai, de zoon van Pinehas, de zoon 634 8, 2 | Abisai, de zoon van Pinehas, de zoon van Eleazar, de zoon 635 8, 2 | Pinehas, de zoon van Eleazar, de zoon van Aäron, de eerste 636 8, 2 | Eleazar, de zoon van Aäron, de eerste priester.~ 637 8, 3 | schriftgeleerde, verstandig zijnde in de wet van Mozes, die door 638 8, 3 | wet van Mozes, die door de Gods Israëls was gegeven.~ 639 8, 4 | 4 En de koning had hem heerlijkheid 640 8, 5 | Jeruzalem sommigen op, uit de kinderen Israëls, en uit 641 8, 5 | kinderen Israëls, en uit de priesters en Levieten, en 642 8, 5 | priesters en Levieten, en uit de heilige zangers en deurwachters, 643 8, 6 | als Artaxerxes regeerde in de vijfde maand, (dit is het 644 8, 6 | gingen zij uit Babylonië, op de nieuwe maan der eerste maand,~ 645 8, 7 | Jeruzalem onder hem, volgens de voorspoedige reis, die hun 646 8, 7 | voorspoedige reis, die hun van de Here was gegeven.~ 647 8, 8 | naliet der dingen die van de wet des Heren waren, en 648 8, 8 | des Heren waren, en van de geboden om gans Israël al 649 8, 8 | geboden om gans Israël al de rechten en gerichten te 650 8, 9 | het schriftelijk bevel van de koning Artaxerxes tot Ezra 651 8, 9 | koning Artaxerxes tot Ezra de priester en leermeester 652 8, 9 | priester en leermeester van de wet des Heren, waarvan het 653 8, 10| 10 De koning Artaxerxes wenst 654 8, 10| koning Artaxerxes wenst Ezra, de priester en leermeester 655 8, 10| priester en leermeester van de wet des Heren, voorspoed.~ 656 8, 11| uit het Joodse volk, en de priesters, en de Levieten 657 8, 11| volk, en de priesters, en de Levieten in ons koninkrijk 658 8, 13| doen volgens hetgeen in de wet des Heren vervat is.~ 659 8, 14| 14 En zij de Here Israëls gaven toebrengen, 660 8, 14| dat men dat weder brenge de Here te Jeruzalem:~ 661 8, 15| van uw volk gegeven is tot de tempel des Heren, huns Gods, 662 8, 16| 16 Opdat men de Here offere offeranden op 663 8, 17| zilver, volbrengt dat naar de wil uws Gods.~ 664 8, 18| 18 En de heilige vaten des Heren, 665 8, 18| zijn tot het gebruik van de tempel uws Gods,~ 666 8, 20| bevolen aan hen, die over de schatten van Syrië en Fenicië 667 8, 21| 21 Dat zo wat Ezra, de priester en leermeester, 668 8, 21| priester en leermeester, van de wet des hoogsten Gods zal 669 8, 23| zorgvuldig volbracht naar de wet Gods, voor de hoogste 670 8, 23| volbracht naar de wet Gods, voor de hoogste God; opdat de toorn 671 8, 23| voor de hoogste God; opdat de toorn Gods niet kome over 672 8, 26| 26 En gij Ezra, naar de wijsheid Gods, stel tot 673 8, 26| Fenicië, al degenen die de wet uws Gods verstaan, leer 674 8, 27| 27 En al die de wet uws Gods en des konings 675 8, 27| worden gestraft, hetzij met de dood, hetzij met andere 676 8, 28| 28 En Ezra de schriftgeleerde zeide: Geloofd 677 8, 28| zeide: Geloofd zij alleen de Here de God mijner vaderen, 678 8, 28| Geloofd zij alleen de Here de God mijner vaderen, die 679 8, 29| heeft geëerd gemaakt voor de koning en zijn raadsheren, 680 8, 30| ik werd welgemoed, naar de hulp des Heren, mijns Gods; 681 8, 31| 31 En deze zijn de oversten naar hun vaderlijke 682 8, 32| 32 Uit de kinderen Pinehas: Gerson; 683 8, 32| kinderen Pinehas: Gerson; uit de kinderen van Ithamar: Gamaliël; 684 8, 32| van Ithamar: Gamaliël; uit de kinderen van David: Lattus, 685 8, 32| kinderen van David: Lattus, de zoon van Sechenia.~ 686 8, 33| 33 Uit de kinderen van Foros: Zacharia, 687 8, 34| 34 Uit de kinderen van Faät Moab; 688 8, 34| van Faät Moab; Eljaonia de zoon van Zarea, en met hem 689 8, 35| 35 Uit de kinderen van Zathoë: Sechenia, 690 8, 35| kinderen van Zathoë: Sechenia, de zoon van Jezel, en met hem 691 8, 36| 36 Uit de kinderen van Adin, Obed, 692 8, 36| kinderen van Adin, Obed, de zoon van Jonathan, en met 693 8, 37| 37 Uit de kinderen van Elam, Jesia, 694 8, 37| kinderen van Elam, Jesia, de zoon van Gotholia, en met 695 8, 37| hem zeventig mannen; uit de kinderen van Safatja, Zaraja, 696 8, 37| kinderen van Safatja, Zaraja, de zoon van Michaël, en met 697 8, 38| 38 Uit de kinderen van Joab, Abadja, 698 8, 38| kinderen van Joab, Abadja, de zoon van Jezel, en met hem 699 8, 39| 39 Uit de kinderen van Bania, Salimoth, 700 8, 39| kinderen van Bania, Salimoth, de zoon van Josafir, en met 701 8, 40| 40 Uit de kinderen van Babi, Zacharia, 702 8, 40| kinderen van Babi, Zacharia, de zoon van Bebai, en met hem 703 8, 41| 41 Uit de kinderen van Astath, Joannes 704 8, 42| 42 Uit de kinderen van Adonikam, de 705 8, 42| de kinderen van Adonikam, de laatsten, en deze zijn hun 706 8, 42| zijn hun namen: Elifala, de zoon van Gevel, en Jamaja, 707 8, 42| hen zeventig mannen; uit de kinderen van Bagenthi, de 708 8, 42| de kinderen van Bagenthi, de zoon van Istaleumi, en met 709 8, 43| En ik verzamelde hen aan de rivier genoemd Thera, en 710 8, 44| 44 En uit de priesters en uit de Levieten 711 8, 44| uit de priesters en uit de Levieten niemand daar vindende,~ 712 8, 45| Zacharia en Mosollamon de oversten, en geleerden.~ 713 8, 46| zouden komen tot Loddeus de overste, die daar was in 714 8, 46| overste, die daar was in de plaats der schatkamer,~ 715 8, 47| Loddo en zijn broederen, en de schatbewaarders in die plaats 716 8, 48| zij brachten tot ons, naar de sterke hand onzes Heren, 717 8, 48| enige verstandige mannen uit de kinderen van Moöli, de zoon 718 8, 48| uit de kinderen van Moöli, de zoon van Levi, de zoon van 719 8, 48| Moöli, de zoon van Levi, de zoon van Israël, namelijk 720 8, 49| Hosea zijn broeder, uit de kinderen van Chanun, en 721 8, 50| 50 En van degenen, die de tempel dienden, die David 722 8, 50| tempel dienden, die David en de oversten gegeven hadden 723 8, 51| beval daar een vasten aan de jongelingen voor de Here: 724 8, 51| aan de jongelingen voor de Here: om van hem te verzoeken 725 8, 52| Want ik schaamde mij van de koning voetknechten en ruiters 726 8, 53| 53 Want wij hadden tegen de koning gezegd, dat de sterkte 727 8, 53| tegen de koning gezegd, dat de sterkte onzes Heren was 728 8, 54| baden al deze dingen van de Here, en wij vonden hem 729 8, 55| 55 En ik zonderde van de oversten der priesters twaalf 730 8, 56| het zilver en het goud, en de heilige vaten van het huis 731 8, 56| huis onzes Heren, welke de koning, en zijn raadsheren, 732 8, 56| en zijn raadsheren, en de groten, en het ganse Israël 733 8, 59| ben: Gijlieden zijt ook de Here heilig, en de vaten 734 8, 59| zijt ook de Here heilig, en de vaten zijn heilig, en het 735 8, 60| totdat gij ze overlevert aan de oversten der priesters en 736 8, 60| priesters en Levieten, en aan de oversten der vaderlijke 737 8, 60| Israëls te Jeruzalem, in de cellen van het huis onzes 738 8, 61| dit zilver, en goud, en de vaten tot zich genomen hadden, 739 8, 61| leveren brachten die in de tempel des Heren.~ 740 8, 62| wij trokken weder op van de rivier Thera, de twaalfde 741 8, 62| op van de rivier Thera, de twaalfde dag der eerste 742 8, 62| zijn te Jeruzalem, naar de sterke hand onzes Heren, 743 8, 63| hij heeft ons verlost van de ingang aan van alle vijanden; 744 8, 63| dagen geweest waren, zo werd de vierde dag het gewogen zilver 745 8, 63| des Heren, aan Marmoth, de zoon van Uria de priester.~ 746 8, 63| Marmoth, de zoon van Uria de priester.~ 747 8, 64| 64 En met hem was Eleazar de zoon van Pinehas, en met 748 8, 64| en met hem waren Josabdos de zoon van Jozua, en Moëth 749 8, 64| zoon van Jozua, en Moëth de zoon van Laban: en de Levieten 750 8, 64| Moëth de zoon van Laban: en de Levieten leverden het alles 751 8, 66| 66 En die uit de gevangenis aangekomen waren, 752 8, 66| offerden tot offeranden de Here de God Israëls, twaalf 753 8, 66| offerden tot offeranden de Here de God Israëls, twaalf stieren, 754 8, 67| alles tot een offerande voor de Here;~ 755 8, 68| 68 En gaven de bevelen des konings over, 756 8, 68| bevelen des konings over, aan de rentmeesters des konings, 757 8, 68| rentmeesters des konings, en aan de landvoogden van Celo-Syrië 758 8, 68| verheerlijkten het volk en de tempel des Heren.~ 759 8, 69| volbracht waren, zo kwamen de oversten tot mij, en zeiden: 760 8, 69| zeiden: Het volk Israëls, en de oversten, en de priesters, 761 8, 69| Israëls, en de oversten, en de priesters, en de Levieten 762 8, 69| oversten, en de priesters, en de Levieten hebben zich niet 763 8, 69| zich niet afgezonderd van de vreemde volken van dit land, 764 8, 70| 70 Van de volken der Kanaänieten, 765 8, 71| vermengd geworden onder de vreemde volken des lands; 766 8, 71| en aan deze zonde zijn de oversten en de groten van 767 8, 71| zonde zijn de oversten en de groten van het begin dezer 768 8, 73| door het woord des Heren, de God Israëls, daar ik treurig 769 8, 74| van het vasten, hebbende de klederen verscheurd, en 770 8, 74| klederen verscheurd, en de heilige rok; en ik knielde 771 8, 74| handen uitstrekkende tot de Here, zeide ik:~ 772 8, 76| misdaden zijn verhoogd tot de hemel toe, zelfs van de 773 8, 76| de hemel toe, zelfs van de tijden onzer vaderen.~ 774 8, 78| om onzer zonde wil, en om de zonden onzer vaderen. zijn 775 8, 78| overgegeven met schande, aan de koningen der aarde, tot 776 8, 78| gevangenis, en roof, tot op de huidige dag.~ 777 8, 79| weinig genade geschied van de Here, om ons een wortel 778 8, 79| te laten, en een naam, in de plaats uws heiligdoms:~ 779 8, 80| om ons spijs te geven in de tijd van onze dienstbaarheid.~ 780 8, 81| zijn wij niet verlaten door de Here onze God, maar hij 781 8, 81| ons in genade gesteld voor de koningen der Perzen, om 782 8, 82| 82 En om de tempel onzes Heren te verheerlijken, 783 8, 83| gij ons gegeven hebt door de dienst uwer knechten de 784 8, 83| de dienst uwer knechten de profeten, zeggende:~ 785 8, 84| hebben, is een land, dat door de bezoedeling van de vreemde 786 8, 84| door de bezoedeling van de vreemde volken des lands 787 8, 88| zodat wij vermengd zijn met de onreinheid van de volken 788 8, 88| zijn met de onreinheid van de volken des lands.~ 789 8, 90| een wortel overgelaten op de huidige dag.~ 790 8, 92| 92 En toen Ezra bad, en de zonden bekende, en weende, 791 8, 92| en weende, liggende voor de tempel op de aarde, zo is 792 8, 92| liggende voor de tempel op de aarde, zo is is tot hem 793 8, 92| het wenen was groot onder de menigte.~ 794 8, 93| 93 En Jechonia, de zoon van Jeëli, uit de kinderen 795 8, 93| de zoon van Jeëli, uit de kinderen Israëls riep en 796 8, 93| wij hebben gezondigd tegen de Here, wij hebben vreemde 797 8, 93| ten huwelijk genomen, uit de volken des lands.~ 798 8, 94| een eed geschieden voor de Here, dat wij al onze vrouwen, 799 8, 95| goeddunken, en al degenen die de wet des Heren gehoorzaam 800 8, 96| toe, en wij zijn met u om de kracht daarbij te doen.~ 801 8, 97| Ezra stond op, en beëedigde de oversten der priesters en 802 9, 1 | 1 EN Ezra opstaande, van de voorhof des tempels, begaf 803 9, 1 | des tempels, begaf zich in de kamer van Joannan de zoon 804 9, 1 | in de kamer van Joannan de zoon van Eliasis.~ 805 9, 2 | water, treurig zijnde over de grote overtredingen der 806 9, 3 | Jeruzalem, aan allen die uit de gevangenis waren, opdat 807 9, 4 | afgescheiden worden van de menigte der gevangenis.~ 808 9, 5 | vergaderden allen, die uit de stammen van Juda en Benjamin 809 9, 5 | dagen te Jeruzalem; dit was de negende maand, en de twintigste 810 9, 5 | was de negende maand, en de twintigste dag der maand.~ 811 9, 6 | 6 En de gehele menigte zat op de 812 9, 6 | de gehele menigte zat op de grote voorplaats des tempels, 813 9, 6 | bevende van koude vanwege de aanstaande winter.~ 814 9, 8 | het, en geeft heerlijkheid de Here, de God onzer vaderen.~ 815 9, 8 | geeft heerlijkheid de Here, de God onzer vaderen.~ 816 9, 9 | zijn wil, en scheidt u van de volken van dit land, en 817 9, 9 | volken van dit land, en van de uitlandse vrouwen.~ 818 9, 10| 10 Toen riep de ganse menigte, en zeide 819 9, 11| 11 Maar de menigte is groot, en het 820 9, 11| kunnen niet staan onder de blauwe hemel, en dit is 821 9, 12| 12 Doch dat de voorgangers der menigte 822 9, 13| komen, en tijd nemen, en de oudsten en rechters van 823 9, 13| van iedere plaats, totdat de toorn des Heren van ons 824 9, 14| 14 Toen nam Jonathas, de zoon van Azaël, en Esekia, 825 9, 14| zoon van Azaël, en Esekia, de zoon van Theoran, dit volgens 826 9, 15| 15 En die uit de gevangenis waren, volgden 827 9, 16| 16 En Ezra de priester verkoos tot zich 828 9, 16| priester verkoos tot zich de voornaamste mannen van hun 829 9, 16| allen met namen, en op de nieuwe maan der tiende maand 830 9, 17| einde gebracht, aangaande de mannen die uitlandse vrouwen 831 9, 17| uitlandse vrouwen hadden, op de nieuwe maan van de eerste 832 9, 17| hadden, op de nieuwe maan van de eerste maand.~ 833 9, 18| 18 En onder de priesters werden gevonden, 834 9, 19| 19 Van de kinderen van Jozua, de zoon 835 9, 19| Van de kinderen van Jozua, de zoon van Josedek en zijn 836 9, 20| 20 En legden de hand daaraan; dat zij hun 837 9, 21| 21 En van de kinderen van Emmer: Ananias, 838 9, 22| 22 En van de kinderen van Fesur: Elionais, 839 9, 23| 23 En van de Levieten: Josabad, en Semeïs, 840 9, 24| 24 Van de heilige zangers: Eliaseb, 841 9, 25| 25 Van de deurwachters: Salum en Telbanes.~ 842 9, 26| 26 Van de Israëlieten, uit de kinderen 843 9, 26| Van de Israëlieten, uit de kinderen van Foros: Hiermas, 844 9, 27| 27 Van de kinderen van Ela: Mathanias, 845 9, 28| 28 En van de kinderen van Zamoth: Eliazim, 846 9, 29| 29 En van de kinderen van Bebai: Joannes, 847 9, 30| 30 En van de kinderen van Mani: Olam, 848 9, 31| 31 En van de kinderen van Addi: Naäth, 849 9, 32| 32 En uit de kinderen van Anan: Elionas, 850 9, 33| 33 En van de kinderen van Asom: Altaneüs, 851 9, 34| 34 En van de kinderen van Baäni: Hieremias, 852 9, 34| Selemias, Nathanius. En van de kinderen van Ezora: Sesis, 853 9, 35| 35 En van de kinderen van Ethma: Mazitias, 854 9, 37| 37 En de priesters, en de Levieten, 855 9, 37| 37 En de priesters, en de Levieten, en die anderen 856 9, 37| Jeruzalem, en in het land op de nieuwe maan van de zevende 857 9, 37| land op de nieuwe maan van de zevende maand, en de kinderen 858 9, 37| van de zevende maand, en de kinderen Israëls waren in 859 9, 38| 38 En de gehele menigte kwam eendrachtig 860 9, 38| kwam eendrachtig tezamen in de grote plaats, welke is voor 861 9, 38| grote plaats, welke is voor de heilige poort tegen het 862 9, 39| En zij zeiden tot Ezra, de priester en leermeester 863 9, 39| leermeester der wet, dat hij de wet Mozes zou halen, die 864 9, 39| Mozes zou halen, die door de Here, de God Israëls was 865 9, 39| halen, die door de Here, de God Israëls was gegeven.~ 866 9, 40| 40 En Ezra, de overste priester, bracht 867 9, 40| overste priester, bracht de wet voor de ganse menigte, 868 9, 40| priester, bracht de wet voor de ganse menigte, zo der mannen 869 9, 40| der vrouwen, en voor al de priesters om de wet te horen, 870 9, 40| voor al de priesters om de wet te horen, op de nieuwe 871 9, 40| priesters om de wet te horen, op de nieuwe maan der zevende 872 9, 41| 41 En hij las die in de grote plaats voor de heilige 873 9, 41| in de grote plaats voor de heilige poort, van de morgenstond 874 9, 41| voor de heilige poort, van de morgenstond af tot de middag 875 9, 41| van de morgenstond af tot de middag toe, in de tegenwoordigheid 876 9, 41| af tot de middag toe, in de tegenwoordigheid van mannen 877 9, 41| van mannen en vrouwen; en de gehele menigte keerde hun 878 9, 41| menigte keerde hun zinnen tot de wet.~ 879 9, 42| 42 En Ezra, de priester en leermeester 880 9, 43| Ezekias, Baälsamus aan de rechterhand.~ 881 9, 44| 44 En aan de linkerhand Chaldeüs, en 882 9, 45| Ezra nam het boek op voor de menigte, en zat heerlijk 883 9, 45| menigte, en zat heerlijk in de tegenwoordigheid van allen.~ 884 9, 46| 46 En als hij de wet uitlegde, zo stonden 885 9, 46| rechtop. En Ezra loofde de Here, de hoogste God, de 886 9, 46| En Ezra loofde de Here, de hoogste God, de God der 887 9, 46| de Here, de hoogste God, de God der heerscharen, de 888 9, 46| de God der heerscharen, de almachtige;~ 889 9, 47| opwaarts heffende, en op de aarde vallende, baden zij 890 9, 47| aarde vallende, baden zij de Here aan.~ 891 9, 48| en Jozabdus, en Ananias, de Levieten, leerden de wet 892 9, 48| Ananias, de Levieten, leerden de wet des Heren.~ 893 9, 49| 49 En zij lazen de wet des Heren voor de menigte, 894 9, 49| lazen de wet des Heren voor de menigte, hun stem in het 895 9, 50| Attaratas zeide tot Ezra de overste priester en leermeester, 896 9, 50| priester en leermeester, en tot de Levieten die het volk boven 897 9, 51| 51 Deze dag is de Here heilig; en zij weenden 898 9, 51| zij weenden allen, als zij de wet hoorden.~ 899 9, 53| Want deze dag is heilig de Here, en zijt niet droevig, 900 9, 53| zijt niet droevig, want de Here zal u verheerlijken.~ 901 9, 54| 54 En de Levieten bevalen het ganse


1-500 | 501-901

Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License