Chapter, Verse
1 1, 10| stammen, en naar de verdeling van de oversten der vaderen,
2 1, 11| volgens hetgeen in het boek van Mozes geschreven was, en
3 1, 16| elke deur; en niemand mocht van zijn dagorde aftreden. Want
4 1, 20| niet gehouden in Israël, van de tijden van de profeet
5 1, 20| in Israël, van de tijden van de profeet Samuël af.~
6 1, 22| achttiende jaar des koninkrijks van Josia is dit Pascha gehouden.~
7 1, 23| 23 En de werken van Josia zijn gericht geworden
8 1, 23| de Here, met een hart vol van godvruchtigheid.~
9 1, 25| 25 En na al deze daden van Josia, is het geschied,
10 1, 25| geschied, dat Farao de koning van Egypte kwam, en oorlog verwekte
11 1, 26| 26 En de koning van Egypte zond tot hem, zeggende:
12 1, 27| haastig bij mij; wend u af van mij, en stel u niet tegen
13 1, 28| Josia keerde zijn wagen van hem niet af; maar bestond
14 1, 28| niet lettende op de woorden van de profeet Jeremia, die
15 1, 33| zijn beschreven in het boek van de geschiedenissen der koningen
16 1, 33| geschiedenissen der koningen van Juda; en van elk der daden
17 1, 33| der koningen van Juda; en van elk der daden van Josia
18 1, 33| Juda; en van elk der daden van Josia in het bijzonder,
19 1, 33| door hem zijn gedaan, en van zijn heerlijkheid, en van
20 1, 33| van zijn heerlijkheid, en van zijn wetenschap in de wet
21 1, 33| wordt verhaald in het boek van de koningen van Israël en
22 1, 33| het boek van de koningen van Israël en Juda.~
23 1, 34| volk nam Joachas, de zoon van Josia, en maakte hem tot
24 1, 34| hem tot koning in plaats van zijn vader, toen hij drieëntwintig
25 1, 35| drie maanden. En de koning van Egypte zette hem af, dat
26 1, 36| het volk een geldstraf op van honderd talenten zilvers,
27 1, 37| 37 En de koning van Egypte stelde zijn broeder
28 1, 40| Nabuchodonosor, de koning van Babylon, en bond hem met
29 1, 41| 41 En Nabuchodonosor nam van de heilige vaten des Heren,
30 1, 42| 42 Het verhaal nu van hem, en van zijn onreinheid
31 1, 42| Het verhaal nu van hem, en van zijn onreinheid en goddeloosheid
32 1, 42| staat beschreven in het boek van de tijden der koningen.~
33 1, 48| werd hij meinedig, en viel van hem af, en hij verhardde
34 1, 48| inzettingen des Heren, des Gods van Israël.~
35 1, 49| ook bovenal de onreinheden van al de heidenen, en bevlekten
36 1, 53| zwaard zelfs in de omgang van hun heilige tempel, en spaarden
37 1, 55| Heren, en braken de muren van Jeruzalem, en haar torens
38 1, 56| degenen, die overig waren van het zwaard, voerden zij
39 1, 57| gesproken door de mond van Jeremia;~
40 1, 58| welbehagen had, en al de tijd van zijn verwoesting gerust
41 2, 1 | werd dat hij door de mond van Jeremia gesproken had;~
42 2, 2 | verwekte de Here de geest van Cyrus, de koning der Perzen,
43 2, 5 | 5 Indien er dan iemand van u is uit zijn volk, de Here
44 2, 5 | bouwe het huis des Heren van Israël; deze is de Here,
45 2, 8 | uit de vaderlijke stammen van Juda en Benjamin, en de
46 2, 9 | zeer vele gewillige gaven van velen, wier gemoed daartoe
47 2, 10| Heren, die Nabuchodonosor van Jeruzalem weggevoerd, en
48 2, 12| Schesbatzar, de stadhouder van Judea.~
49 2, 13| 13 Het getal nu van deze was: duizend gouden
50 2, 15| degenen, die uit de gevangenis van Babylonië te Jeruzalem kwamen.~
51 2, 16| 16 Doch ten tijde van Artaxerxes, de koning van
52 2, 16| van Artaxerxes, de koning van Perzië, schreven aan hem,
53 2, 17| schrijver, en de anderen van hun raad, en rechters, die
54 2, 18| gemaakt, dat de Joden, die van u tot ons wedergekeerd,
55 2, 21| goeddunkt, in de boeken van uw vaderen nagelaten, onderzoek
56 2, 23| dat de Joden daarin zich, van ouds af, altijd afvallig
57 2, 26| bevonden, dat deze stad van ouds af zich tegen de koningen
58 2, 27| ook schattingen aan die van Celo-Syrië en Fenicië opgelegd
59 2, 30| 30 Toen nu hetgeen van de koning Artaxerxes geschreven
60 2, 30| Jeruzalem, met een leger van ruiters en voet volk.~
61 2, 31| stil, tot het tweede jaar van het koninkrijk van Darius,
62 2, 31| jaar van het koninkrijk van Darius, de koning van Perzië.~
63 2, 31| koninkrijk van Darius, de koning van Perzië.~
64 3, 1 | huisgenoten, en voor al de groten van Medië en Perzië;~
65 3, 2 | landen, die onder hem waren van Indië aan tot Ethiopië toe,
66 3, 6 | wordt getrokken, en een hoed van fijne zijde, en een keten
67 3, 7 | en zal een bloedvriend van Darius genoemd worden.~
68 3, 9 | het geschrift geven; en van wie de koning en de drie
69 3, 9 | koning en de drie oversten van Perzië zullen oordelen,
70 3, 14| hij roepen al de groten van Perzië en Medië, en de vorsten,
71 3, 17| 17 Doet ons verklaring van hetgeen bij ulieden is geschreven.~
72 3, 18| En de eerste begon, die van de sterkte des wijns gesproken
73 3, 20| verstand des konings én van de wees enerlei verstand,
74 3, 22| hij maakt dat een ieder van talenten spreekt.~
75 3, 24| 24 En als zij van de wijn opgestaan zijn,
76 4, 1 | spreken, die gezegd had van de sterkte des konings,
77 4, 13| 13 De derde, die van de vrouwen en van de waarheid
78 4, 13| derde, die van de vrouwen en van de waarheid had gezegd,
79 4, 18| vrouw zien die schoon is van gedaante en van gestalte,~
80 4, 18| schoon is van gedaante en van gestalte,~
81 4, 26| 26 En velen zijn van hun zinnen beroofd om der
82 4, 30| 30 En zij nam de kroon van het hoofd des konings, zette
83 4, 33| En hij, begon te spreken van de waarheid.~
84 4, 39| recht is, en onthoudt zich van al hetgeen onrecht en boos
85 4, 40| macht, en de heerlijkheid, van alle eeuwen. Geprezen zij
86 4, 43| belofte, die gij beloofd hebt, van Jeruzalem te zullen bouwen,
87 4, 46| 46 En nu dit is wat ik van u verzoek, heer koning,
88 4, 46| heer koning, en dat ik van u begeer: en deze is de
89 4, 46| heerlijkheid, die door mij van u geeist wordt. Ik bid dan
90 4, 48| Celo-Syrië, Fenicië, en van de berg Libanon, schreef
91 4, 48| cederhout zouden overbrengen van de berg Libanon naar Jeruzalem,
92 4, 53| 53 En dat al degenen, die van Babylonië zouden opgaan
93 4, 54| 54 En hij schreef ook van het onderhoud der priesters,
94 4, 54| onderhoud der priesters, en van de priesterlijke kleding
95 4, 59| 59 Van u is de overwinning, en
96 4, 59| u is de overwinning, en van u is de wijsheid, en uw
97 5, 1 | op te trekken de oversten van de huizen der vaderen naar
98 5, 5 | 5 De priesters: de zonen van Pinehas, de zoon van Aäron,
99 5, 5 | zonen van Pinehas, de zoon van Aäron, waren Jozua, de zoon
100 5, 5 | Aäron, waren Jozua, de zoon van Josedek, de zoon van Seraja,
101 5, 5 | zoon van Josedek, de zoon van Seraja, en Jojakim; daarna
102 5, 5 | daarna Zerubabel, de zoon van Salathiël, uit den huize
103 5, 5 | Salathiël, uit den huize Davids, van het geslacht van Fares,
104 5, 5 | Davids, van het geslacht van Fares, en van de stam Juda.~
105 5, 5 | het geslacht van Fares, en van de stam Juda.~
106 5, 7 | opgetrokken uit de gevangenis van hun vreemdelingschap, welke
107 5, 7 | Nabuchodonosor, de koning van Babel, in Babylonië weggevoerd
108 5, 8 | en naar de andere delen van Judea, elk in zijn eigen
109 5, 9 | Het getal nu dergenen, die van het volk waren, met hun
110 5, 10| vierhonderdtweeënzeventig. De kinderen van Ares zevenhonderd zesenvijftig.~
111 5, 11| 11 De kinderen van Faät Moab, onder de kinderen
112 5, 11| Moab, onder de kinderen van Jozua en Joab tweeduizend
113 5, 12| 12 De kinderen van Elam duizendtweehonderdvierenvijftig.
114 5, 12| duizendtweehonderdvierenvijftig. De kinderen van Zathaï negenhonderdvijfenzeventig.
115 5, 12| negenhonderdvijfenzeventig. De kinderen van Chorvas zevenhonderd en
116 5, 12| zevenhonderd en vijf. De kinderen van Bani zeshonderdachtenveertig.~
117 5, 13| 13 De kinderen van Babaï zeshonderddrieëndertig.
118 5, 13| zeshonderddrieëndertig. De kinderen van Argas duizend driehonderd
119 5, 14| 14 De kinderen van Adonikam zeshonderdzevenendertig.
120 5, 14| zeshonderdzevenendertig. De kinderen van Bagoë tweeduizendzesenzestig.
121 5, 14| tweeduizendzesenzestig. De kinderen van Adin vierhonderdvierenvijftig.~
122 5, 15| 15 De kinderen van Ater uit Esekia tweeënnegentig.
123 5, 15| tweeënnegentig. De kinderen van Cilas en Azenas zevenenzestig.
124 5, 15| zevenenzestig. De kinderen van Azar vierhonderdtweeëndertig.~
125 5, 16| 16 De kinderen van Amri honderdeneen. De kinderen
126 5, 16| honderdeneen. De kinderen van Arom tweeëndertig. De kinderen
127 5, 16| tweeëndertig. De kinderen van Base driehonderd drieentwintig.
128 5, 16| drieentwintig. De kinderen van Arisfurith honderdentwee.~
129 5, 17| 17 De kinderen van Beter drieduizendenvijf.~
130 5, 18| honderddrieëntwintig; die van Nethofas vijfenvijftig;
131 5, 18| Nethofas vijfenvijftig; die van Anatoth honderdachtenvijftig;
132 5, 18| honderdachtenvijftig; die van Bethasmon tweeënveertig.~
133 5, 19| 19 Die van Cariathiri vijfentwintig;
134 5, 19| Cariathiri vijfentwintig; die van Cathiras en Berogh zevenhonderddrieënveertig;
135 5, 20| 20 Die van Kiramas en Gabbes zeshonderdeenentwintig;
136 5, 20| zeshonderdeenentwintig; die van Makalon honderdtweeëntwintig;
137 5, 20| honderdtweeëntwintig; die van Betolië vijfenvijftig.~
138 5, 21| 21 De kinderen van Nifis honderdzesenvijftig;
139 5, 22| 22 De kinderen van Jerechu tweehonderdvijfenveertig.~
140 5, 23| 23 De kinderen van Sanaäs drieduizend driehonderd
141 5, 24| De priesters: de kinderen van Jeddu, de zoon Jozua, met
142 5, 24| zoon Jozua, met de kinderen van Lanasib achthonderdzevenenzeventig.
143 5, 25| 25 De kinderen van Fassur duizendvierhonderdenzeven.
144 5, 25| duizendvierhonderdenzeven. De kinderen van Charmi tweehonderdenzeventien.~
145 5, 27| heilige zangers: de kinderen van Asaf honderdenachtentwintig.~
146 5, 28| deurwachters: de kinderen van Salum, de kinderen van Atar,
147 5, 28| kinderen van Salum, de kinderen van Atar, de kinderen van Tolman,
148 5, 28| kinderen van Atar, de kinderen van Tolman, de kinderen van
149 5, 28| van Tolman, de kinderen van Dahub, de kinderen van Ateta,
150 5, 28| kinderen van Dahub, de kinderen van Ateta, de kinderen van Tobi,
151 5, 28| kinderen van Ateta, de kinderen van Tobi, allen tezamen honderdnegenendertig.~
152 5, 29| heiligdom dienden: de kinderen van Hesai, de kinderen van Asifa,
153 5, 29| kinderen van Hesai, de kinderen van Asifa, de kinderen van Tabaoth,
154 5, 29| kinderen van Asifa, de kinderen van Tabaoth, de kinderen van
155 5, 29| van Tabaoth, de kinderen van Seras, de kinderen van Suda,
156 5, 29| kinderen van Seras, de kinderen van Suda, de kinderen van Faleas.~
157 5, 29| kinderen van Suda, de kinderen van Faleas.~
158 5, 30| 30 De kinderen van Labana, de kinderen van
159 5, 30| van Labana, de kinderen van Agraba, de kinderen van
160 5, 30| van Agraba, de kinderen van Akud, de kinderen van Uta,
161 5, 30| kinderen van Akud, de kinderen van Uta, de kinderen van Cetab,
162 5, 30| kinderen van Uta, de kinderen van Cetab, de kinderen van Akaba,
163 5, 30| kinderen van Cetab, de kinderen van Akaba, de kinderen van Sijba,
164 5, 30| kinderen van Akaba, de kinderen van Sijba, de kinderen van Anan,
165 5, 30| kinderen van Sijba, de kinderen van Anan, de kinderen van Cathua.~
166 5, 30| kinderen van Anan, de kinderen van Cathua.~
167 5, 31| 31 De kinderen van Geddur, de kinderen van
168 5, 31| van Geddur, de kinderen van Laïr, de kinderen van Desan,
169 5, 31| kinderen van Laïr, de kinderen van Desan, de kinderen van Noëba,
170 5, 31| kinderen van Desan, de kinderen van Noëba, de kinderen van Chaseba,
171 5, 31| kinderen van Noëba, de kinderen van Chaseba, de kinderen van
172 5, 31| van Chaseba, de kinderen van Cazera, de kinderen van
173 5, 31| van Cazera, de kinderen van Ozia, de kinderen van Finoë,
174 5, 31| kinderen van Ozia, de kinderen van Finoë, de kinderen van Asara.~
175 5, 31| kinderen van Finoë, de kinderen van Asara.~
176 5, 32| 32 De kinderen van Basthaï, de kinderen van
177 5, 32| van Basthaï, de kinderen van Assana, de kinderen van
178 5, 32| van Assana, de kinderen van Mavi, de kinderen van Nafis,
179 5, 32| kinderen van Mavi, de kinderen van Nafis, de kinderen van Akuf,
180 5, 32| kinderen van Nafis, de kinderen van Akuf, de kinderen van Achiba,
181 5, 32| kinderen van Akuf, de kinderen van Achiba, de kinderen van
182 5, 32| van Achiba, de kinderen van Asub, de kinderen van Farenaces.~
183 5, 32| kinderen van Asub, de kinderen van Farenaces.~
184 5, 33| kinderen der dienstknechten van Salomo, de kinderen van
185 5, 33| van Salomo, de kinderen van Asapfioth, de kinderen van
186 5, 33| van Asapfioth, de kinderen van Farera, de kinderen van
187 5, 33| van Farera, de kinderen van Jejeli, de kinderen van
188 5, 33| van Jejeli, de kinderen van Lozon, de kinderen van Isdaël,
189 5, 33| kinderen van Lozon, de kinderen van Isdaël, de kinderen van
190 5, 33| van Isdaël, de kinderen van Safni.~
191 5, 34| 34 De kinderen van Hagia, de zonen van Sachareth,
192 5, 34| kinderen van Hagia, de zonen van Sachareth, de kinderen van
193 5, 34| van Sachareth, de kinderen van Sabia, de kinderen van Saroth,
194 5, 34| kinderen van Sabia, de kinderen van Saroth, de kinderen van
195 5, 34| van Saroth, de kinderen van Misaje, de kinderen van
196 5, 34| van Misaje, de kinderen van Gas, de kinderen van Addus,
197 5, 34| kinderen van Gas, de kinderen van Addus, de kinderen van Suba,
198 5, 34| kinderen van Addus, de kinderen van Suba, de kinderen van Aferra,
199 5, 34| kinderen van Suba, de kinderen van Aferra, de kinderen van
200 5, 34| van Aferra, de kinderen van Barod, de kinderen van Safag,
201 5, 34| kinderen van Barod, de kinderen van Safag, de kinderen van Allom.~
202 5, 34| kinderen van Safag, de kinderen van Allom.~
203 5, 35| kinderen der dienstknechten van Salomo, driehonderd tweeënzeventig
204 5, 36| Dezen waren opgetrokken van Thermeleth, en Thelersa;
205 5, 37| Israël waren. De kinderen van Dalan, de zoon van Baëma,
206 5, 37| kinderen van Dalan, de zoon van Baëma, de kinderen van Nehoda
207 5, 37| zoon van Baëma, de kinderen van Nehoda zeshonderdtweeënvijftig;~
208 5, 38| werd gevonden, de kinderen van Obdie, de kinderen van Akbos,
209 5, 38| kinderen van Obdie, de kinderen van Akbos, de kinderen van Jaddu,
210 5, 38| kinderen van Akbos, de kinderen van Jaddu, die Augia tot een
211 5, 39| gevonden werd, zo zijn zij van het bedienen des priesterambts
212 5, 41| de Israëlieten nu waren van twaalf jaren en daarboven,
213 5, 44| En enigen uit de oversten van hun familiën, als zij nu
214 5, 46| priesters en Levieten, en die van dit volk waren, zetten zich
215 5, 48| 48 En Jozua, de zoon van Josedek, en zijn broeders
216 5, 48| met Zerubabel, de zoon van Sealthiël en zijn broeders
217 5, 49| En bereidden het altaar van de God Israëls, om daarop
218 5, 49| volgens hetgeen in het boek van Mozes de man Gods verhaald
219 5, 52| en der nieuwe maanden, en van alle andere feestdagen,
220 5, 53| geloften gedaan hadden, van de nieuwe maan der zevende
221 5, 55| opdat zij hun cederhout van de berg Libanon zouden toebrengen,
222 5, 55| te voeren naar de haven van Joppe, volgens het bevel,
223 5, 55| volgens het bevel, dat van Cyrus, de koning van Perzië,
224 5, 55| dat van Cyrus, de koning van Perzië, hun was aangeschreven.~
225 5, 56| begon Zerubabel, de zoon van Sealthiël, en Jozua de zoon
226 5, 56| Sealthiël, en Jozua de zoon van Josedek, en hun broederen,
227 5, 57| En legden het fundament van het huis Gods in de nieuwe
228 5, 57| huis Gods in de nieuwe maan van de tweede maand, als zij
229 5, 58| zijn broeder, en de zonen van Emadabus, en de zonen van
230 5, 58| van Emadabus, en de zonen van Joda, de zoon van Eliadad,
231 5, 58| zonen van Joda, de zoon van Eliadad, met hun zonen en
232 5, 59| de Levieten, de kinderen van Asaf, met cymbalen.~
233 5, 60| Here, naar de instelling van David, de koning van Israël.~
234 5, 60| instelling van David, de koning van Israël.~
235 5, 62| Here, over de oprichting van het huis des Heren.~
236 5, 64| 64 Kwamen tot het gebouw van dit huis met schreien en
237 5, 65| bazuinde zeer luid, zodat zij van verre gehoord werd.~
238 5, 69| en doen hem offeranden, van de dagen van Asbakaf de
239 5, 69| offeranden, van de dagen van Asbakaf de koning van Assyrië
240 5, 69| dagen van Asbakaf de koning van Assyrië af, die ons hier
241 5, 73| 73 En de volken van dit land drongen op degenen
242 5, 74| voleindigd, en al de tijd van het leven des konings Cyrus;
243 5, 74| lang tot het koninkrijk van Darius toe.~
244 6, 1 | 1 IN het tweede jaar nu van het koninkrijk van Darius
245 6, 1 | jaar nu van het koninkrijk van Darius profeteerde de profeet
246 6, 1 | Haggaï en Zacharia de zoon van Addo, over de Joden, die
247 6, 1 | Jeruzalem waren, in de naam van de God Israëls.~
248 6, 2 | stond op Zerubabel, de zoon van Sealthiël, en Jozua de zoon
249 6, 2 | Sealthiël, en Jozua de zoon van Josedek, en begonnen weder
250 6, 3 | hen Sisinnes de ondervoogd van Syrië en Fenicië, en Sathrabusan
251 6, 5 | oudsten der Joden genade van de Here, en werden niet
252 6, 7 | Sisinnes, de ondervoogd van Syrië en Fenicië, en Sathrabusan,
253 6, 8 | aangekomen zijnde in het land van Judea, en gegaan zijnde
254 6, 11| huis te bouwen, en de grond van deze werken te leggen?~
255 6, 14| 14 En dit huis is van over zeer vele jaren gebouwd
256 6, 15| hij hen over in de handen van Nabuchodonosor, de koning
257 6, 17| dat Cyrus over het land van Babylonië regeerde, heeft
258 6, 20| legde hij de fundamenten van het huis des Heren te Jeruzalem,
259 6, 20| des Heren te Jeruzalem, en van die tijd af tot nu toe werd
260 6, 21| de koninklijke boekkassen van Cyrus;~
261 6, 22| bevonden wordt, dat de opbouw van het huis des Heren te Jeruzalem
262 6, 22| Jeruzalem met bewilliging van de koning Cyrus is geschied,
263 6, 23| de stad, die in het land van Medië is, een zekere plaats,
264 6, 25| 25 Van hetwelk de hoogte zou zijn
265 6, 25| zestig ellen, met drie wanden van gehouwen stenen, en een
266 6, 25| gehouwen stenen, en een wand van nieuw hout van dat land,
267 6, 25| een wand van nieuw hout van dat land, en dat men de
268 6, 26| 26 En de heilige vaten van het huis des Heren, beide
269 6, 27| ook Sisinnes de ondervoogd van Syrië en Fenicië, en Sathrabusan
270 6, 27| te dragen, dat zij zich van die plaats zouden onthouden;
271 6, 27| knecht des Heren en overste van Judea, Zerubabel, en de
272 6, 29| Ook dat uit de inkomsten van Celo-Syrië en Fenicië met
273 6, 32| zal, of teniet doen iets van hetgeen aangeschreven is,
274 6, 32| dat men een balk zal nemen van zijn eigen huis en hem daaraan
275 7, 4 | het bevel des Heren de God van Israël, en met goedvinden
276 7, 4 | Israël, en met goedvinden van Cyrus, en Darius, en Artaxerxes,
277 7, 4 | Artaxerxes, de koningen van Perzië.~
278 7, 6 | volgens hetgeen in het Boek van Mozes geschreven staat;~
279 7, 7 | offerden tot de inwijding van de tempel des Heren honderd
280 7, 8 | naar het getal der oversten van de twaalf geslachten Israëls,~
281 7, 9 | Israëls, volgens het boek van Mozes: en de deurwachters
282 7, 13| al die afgescheiden waren van de gruwelen der volken van
283 7, 13| van de gruwelen der volken van het land, en die de Here
284 7, 15| 15 Omdat Hij de raad van de koning der Assyriërs
285 8, 1 | trok henen Ezra, de zoon van Azaria, de zoon van Sechrie,
286 8, 1 | zoon van Azaria, de zoon van Sechrie, de zoon van Helchia,
287 8, 1 | zoon van Sechrie, de zoon van Helchia, de zoon van Sallem,~
288 8, 1 | zoon van Helchia, de zoon van Sallem,~
289 8, 2 | 2 De zoon van Sadduk, de zoon van Achitob,
290 8, 2 | zoon van Sadduk, de zoon van Achitob, de zoon van Amaria,
291 8, 2 | zoon van Achitob, de zoon van Amaria, de zoon van Orias,
292 8, 2 | zoon van Amaria, de zoon van Orias, de zoon van Bokka,
293 8, 2 | zoon van Orias, de zoon van Bokka, de zoon van Abisai,
294 8, 2 | zoon van Bokka, de zoon van Abisai, de zoon van Pinehas,
295 8, 2 | zoon van Abisai, de zoon van Pinehas, de zoon van Eleazar,
296 8, 2 | zoon van Pinehas, de zoon van Eleazar, de zoon van Aäron,
297 8, 2 | zoon van Eleazar, de zoon van Aäron, de eerste priester.~
298 8, 3 | verstandig zijnde in de wet van Mozes, die door de Gods
299 8, 4 | hem vond, in alles wat hij van hem begeerde.~
300 8, 7 | voorspoedige reis, die hun van de Here was gegeven.~
301 8, 8 | niets naliet der dingen die van de wet des Heren waren,
302 8, 8 | wet des Heren waren, en van de geboden om gans Israël
303 8, 9 | ook het schriftelijk bevel van de koning Artaxerxes tot
304 8, 9 | priester en leermeester van de wet des Heren, waarvan
305 8, 10| priester en leermeester van de wet des Heren, voorspoed.~
306 8, 14| bevonden worden in het land van Babylonië, dat men dat weder
307 8, 15| 15 Met hetgeen dat van uw volk gegeven is tot de
308 8, 18| gegeven zijn tot het gebruik van de tempel uws Gods,~
309 8, 20| hen, die over de schatten van Syrië en Fenicië zijn gesteld,~
310 8, 21| priester en leermeester, van de wet des hoogsten Gods
311 8, 32| Gerson; uit de kinderen van Ithamar: Gamaliël; uit de
312 8, 32| Gamaliël; uit de kinderen van David: Lattus, de zoon van
313 8, 32| van David: Lattus, de zoon van Sechenia.~
314 8, 33| 33 Uit de kinderen van Foros: Zacharia, en met
315 8, 34| 34 Uit de kinderen van Faät Moab; Eljaonia de zoon
316 8, 34| Faät Moab; Eljaonia de zoon van Zarea, en met hem tweehonderd
317 8, 35| 35 Uit de kinderen van Zathoë: Sechenia, de zoon
318 8, 35| Zathoë: Sechenia, de zoon van Jezel, en met hem driehonderd
319 8, 36| 36 Uit de kinderen van Adin, Obed, de zoon van
320 8, 36| van Adin, Obed, de zoon van Jonathan, en met hem tweehonderdvijftig
321 8, 37| 37 Uit de kinderen van Elam, Jesia, de zoon van
322 8, 37| van Elam, Jesia, de zoon van Gotholia, en met hem zeventig
323 8, 37| mannen; uit de kinderen van Safatja, Zaraja, de zoon
324 8, 37| Safatja, Zaraja, de zoon van Michaël, en met hem zeventig
325 8, 38| 38 Uit de kinderen van Joab, Abadja, de zoon van
326 8, 38| van Joab, Abadja, de zoon van Jezel, en met hem tweehonderdentwaalf
327 8, 39| 39 Uit de kinderen van Bania, Salimoth, de zoon
328 8, 39| Bania, Salimoth, de zoon van Josafir, en met hem honderdenzestig
329 8, 40| 40 Uit de kinderen van Babi, Zacharia, de zoon
330 8, 40| Babi, Zacharia, de zoon van Bebai, en met hem achtentwintig
331 8, 41| 41 Uit de kinderen van Astath, Joannes Aratan en
332 8, 42| 42 Uit de kinderen van Adonikam, de laatsten, en
333 8, 42| namen: Elifala, de zoon van Gevel, en Jamaja, en met
334 8, 42| mannen; uit de kinderen van Bagenthi, de zoon van Istaleumi,
335 8, 42| kinderen van Bagenthi, de zoon van Istaleumi, en met hem zeventig
336 8, 48| verstandige mannen uit de kinderen van Moöli, de zoon van Levi,
337 8, 48| kinderen van Moöli, de zoon van Levi, de zoon van Israël,
338 8, 48| de zoon van Levi, de zoon van Israël, namelijk Asebebia
339 8, 49| broeder, uit de kinderen van Chanun, en hun zonen, twintig
340 8, 50| 50 En van degenen, die de tempel dienden,
341 8, 51| jongelingen voor de Here: om van hem te verzoeken een goede
342 8, 52| 52 Want ik schaamde mij van de koning voetknechten en
343 8, 54| wij baden al deze dingen van de Here, en wij vonden hem
344 8, 55| 55 En ik zonderde van de oversten der priesters
345 8, 56| goud, en de heilige vaten van het huis onzes Heren, welke
346 8, 58| en twaalf koperen vaten van fijn koper, blinkende gelijk
347 8, 60| Jeruzalem, in de cellen van het huis onzes Gods.~
348 8, 62| En wij trokken weder op van de rivier Thera, de twaalfde
349 8, 63| En hij heeft ons verlost van de ingang aan van alle vijanden;
350 8, 63| verlost van de ingang aan van alle vijanden; en wij kwamen
351 8, 63| Heren, aan Marmoth, de zoon van Uria de priester.~
352 8, 64| hem was Eleazar de zoon van Pinehas, en met hem waren
353 8, 64| hem waren Josabdos de zoon van Jozua, en Moëth de zoon
354 8, 64| Jozua, en Moëth de zoon van Laban: en de Levieten leverden
355 8, 68| konings, en aan de landvoogden van Celo-Syrië en Fenicië; en
356 8, 69| hebben zich niet afgezonderd van de vreemde volken van dit
357 8, 69| afgezonderd van de vreemde volken van dit land, en van hun onreinheden:~
358 8, 69| volken van dit land, en van hun onreinheden:~
359 8, 70| 70 Van de volken der Kanaänieten,
360 8, 71| de oversten en de groten van het begin dezer zaak deelachtig
361 8, 72| en ik plukte mijn haren van mijn hoofd, en van mijn
362 8, 72| haren van mijn hoofd, en van mijn baard, en ik zat vol
363 8, 74| 74 En ik stond op van het vasten, hebbende de
364 8, 76| tot de hemel toe, zelfs van de tijden onzer vaderen.~
365 8, 79| een weinig genade geschied van de Here, om ons een wortel
366 8, 80| spijs te geven in de tijd van onze dienstbaarheid.~
367 8, 84| dat door de bezoedeling van de vreemde volken des lands
368 8, 88| vermengd zijn met de onreinheid van de volken des lands.~
369 8, 93| 93 En Jechonia, de zoon van Jeëli, uit de kinderen Israëls
370 8, 94| wij al onze vrouwen, die van vreemd geslacht zijn, met
371 8, 97| der priesters en Levieten van gans Israël, dat zij hiernaar
372 9, 1 | 1 EN Ezra opstaande, van de voorhof des tempels,
373 9, 1 | begaf zich in de kamer van Joannan de zoon van Eliasis.~
374 9, 1 | kamer van Joannan de zoon van Eliasis.~
375 9, 4 | zouden afgescheiden worden van de menigte der gevangenis.~
376 9, 5 | allen, die uit de stammen van Juda en Benjamin waren,
377 9, 6 | voorplaats des tempels, bevende van koude vanwege de aanstaande
378 9, 9 | doet zijn wil, en scheidt u van de volken van dit land,
379 9, 9 | scheidt u van de volken van dit land, en van de uitlandse
380 9, 9 | volken van dit land, en van de uitlandse vrouwen.~
381 9, 11| dit is geen werk voor ons van één dag of twee; want wij
382 9, 13| en de oudsten en rechters van iedere plaats, totdat de
383 9, 13| totdat de toorn des Heren van ons geweerd zij, ter oorzake
384 9, 13| geweerd zij, ter oorzake van dit gebod.~
385 9, 14| Toen nam Jonathas, de zoon van Azaël, en Esekia, de zoon
386 9, 14| Azaël, en Esekia, de zoon van Theoran, dit volgens deze
387 9, 16| zich de voornaamste mannen van hun vaderlijke huizen, allen
388 9, 17| hadden, op de nieuwe maan van de eerste maand.~
389 9, 19| 19 Van de kinderen van Jozua, de
390 9, 19| 19 Van de kinderen van Jozua, de zoon van Josedek
391 9, 19| kinderen van Jozua, de zoon van Josedek en zijn broederen,
392 9, 21| 21 En van de kinderen van Emmer: Ananias,
393 9, 21| 21 En van de kinderen van Emmer: Ananias, en Zabdeûs,
394 9, 22| 22 En van de kinderen van Fesur: Elionais,
395 9, 22| 22 En van de kinderen van Fesur: Elionais, Massias,
396 9, 23| 23 En van de Levieten: Josabad, en
397 9, 24| 24 Van de heilige zangers: Eliaseb,
398 9, 25| 25 Van de deurwachters: Salum en
399 9, 26| 26 Van de Israëlieten, uit de kinderen
400 9, 26| Israëlieten, uit de kinderen van Foros: Hiermas, en Jezias,
401 9, 27| 27 Van de kinderen van Ela: Mathanias,
402 9, 27| 27 Van de kinderen van Ela: Mathanias, en Zacharias,
403 9, 28| 28 En van de kinderen van Zamoth:
404 9, 28| 28 En van de kinderen van Zamoth: Eliazim, Othonias,
405 9, 29| 29 En van de kinderen van Bebai: Joannes,
406 9, 29| 29 En van de kinderen van Bebai: Joannes, en Ananias,
407 9, 30| 30 En van de kinderen van Mani: Olam,
408 9, 30| 30 En van de kinderen van Mani: Olam, Manuch, Jedar,
409 9, 31| 31 En van de kinderen van Addi: Naäth,
410 9, 31| 31 En van de kinderen van Addi: Naäth, en Moosias,
411 9, 32| 32 En uit de kinderen van Anan: Elionas, en Asajas,
412 9, 33| 33 En van de kinderen van Asom: Altaneüs,
413 9, 33| 33 En van de kinderen van Asom: Altaneüs, en Matthatias,
414 9, 34| 34 En van de kinderen van Baäni: Hieremias,
415 9, 34| 34 En van de kinderen van Baäni: Hieremias, Momdi,
416 9, 34| Selemias, Nathanius. En van de kinderen van Ezora: Sesis,
417 9, 34| Nathanius. En van de kinderen van Ezora: Sesis, Esril, Azaël,
418 9, 35| 35 En van de kinderen van Ethma: Mazitias,
419 9, 35| 35 En van de kinderen van Ethma: Mazitias, Zabada,
420 9, 37| het land op de nieuwe maan van de zevende maand, en de
421 9, 41| plaats voor de heilige poort, van de morgenstond af tot de
422 9, 41| in de tegenwoordigheid van mannen en vrouwen; en de
423 9, 45| heerlijk in de tegenwoordigheid van allen.~
|