Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
vaderlijke 5
vaders 1
vallende 1
van 423
vanwege 7
varen 1
vasten 2
Frequency    [«  »]
-----
1019 en
901 de
423 van
219 het
190 die
171 zijn

Het derde boek Ezra

IntraText - Concordances

van

    Chapter, Verse
1 1, 10| stammen, en naar de verdeling van de oversten der vaderen, 2 1, 11| volgens hetgeen in het boek van Mozes geschreven was, en 3 1, 16| elke deur; en niemand mocht van zijn dagorde aftreden. Want 4 1, 20| niet gehouden in Israël, van de tijden van de profeet 5 1, 20| in Israël, van de tijden van de profeet Samuël af.~ 6 1, 22| achttiende jaar des koninkrijks van Josia is dit Pascha gehouden.~ 7 1, 23| 23 En de werken van Josia zijn gericht geworden 8 1, 23| de Here, met een hart vol van godvruchtigheid.~ 9 1, 25| 25 En na al deze daden van Josia, is het geschied, 10 1, 25| geschied, dat Farao de koning van Egypte kwam, en oorlog verwekte 11 1, 26| 26 En de koning van Egypte zond tot hem, zeggende: 12 1, 27| haastig bij mij; wend u af van mij, en stel u niet tegen 13 1, 28| Josia keerde zijn wagen van hem niet af; maar bestond 14 1, 28| niet lettende op de woorden van de profeet Jeremia, die 15 1, 33| zijn beschreven in het boek van de geschiedenissen der koningen 16 1, 33| geschiedenissen der koningen van Juda; en van elk der daden 17 1, 33| der koningen van Juda; en van elk der daden van Josia 18 1, 33| Juda; en van elk der daden van Josia in het bijzonder, 19 1, 33| door hem zijn gedaan, en van zijn heerlijkheid, en van 20 1, 33| van zijn heerlijkheid, en van zijn wetenschap in de wet 21 1, 33| wordt verhaald in het boek van de koningen van Israël en 22 1, 33| het boek van de koningen van Israël en Juda.~ 23 1, 34| volk nam Joachas, de zoon van Josia, en maakte hem tot 24 1, 34| hem tot koning in plaats van zijn vader, toen hij drieëntwintig 25 1, 35| drie maanden. En de koning van Egypte zette hem af, dat 26 1, 36| het volk een geldstraf op van honderd talenten zilvers, 27 1, 37| 37 En de koning van Egypte stelde zijn broeder 28 1, 40| Nabuchodonosor, de koning van Babylon, en bond hem met 29 1, 41| 41 En Nabuchodonosor nam van de heilige vaten des Heren, 30 1, 42| 42 Het verhaal nu van hem, en van zijn onreinheid 31 1, 42| Het verhaal nu van hem, en van zijn onreinheid en goddeloosheid 32 1, 42| staat beschreven in het boek van de tijden der koningen.~ 33 1, 48| werd hij meinedig, en viel van hem af, en hij verhardde 34 1, 48| inzettingen des Heren, des Gods van Israël.~ 35 1, 49| ook bovenal de onreinheden van al de heidenen, en bevlekten 36 1, 53| zwaard zelfs in de omgang van hun heilige tempel, en spaarden 37 1, 55| Heren, en braken de muren van Jeruzalem, en haar torens 38 1, 56| degenen, die overig waren van het zwaard, voerden zij 39 1, 57| gesproken door de mond van Jeremia;~ 40 1, 58| welbehagen had, en al de tijd van zijn verwoesting gerust 41 2, 1 | werd dat hij door de mond van Jeremia gesproken had;~ 42 2, 2 | verwekte de Here de geest van Cyrus, de koning der Perzen, 43 2, 5 | 5 Indien er dan iemand van u is uit zijn volk, de Here 44 2, 5 | bouwe het huis des Heren van Israël; deze is de Here, 45 2, 8 | uit de vaderlijke stammen van Juda en Benjamin, en de 46 2, 9 | zeer vele gewillige gaven van velen, wier gemoed daartoe 47 2, 10| Heren, die Nabuchodonosor van Jeruzalem weggevoerd, en 48 2, 12| Schesbatzar, de stadhouder van Judea.~ 49 2, 13| 13 Het getal nu van deze was: duizend gouden 50 2, 15| degenen, die uit de gevangenis van Babylonië te Jeruzalem kwamen.~ 51 2, 16| 16 Doch ten tijde van Artaxerxes, de koning van 52 2, 16| van Artaxerxes, de koning van Perzië, schreven aan hem, 53 2, 17| schrijver, en de anderen van hun raad, en rechters, die 54 2, 18| gemaakt, dat de Joden, die van u tot ons wedergekeerd, 55 2, 21| goeddunkt, in de boeken van uw vaderen nagelaten, onderzoek 56 2, 23| dat de Joden daarin zich, van ouds af, altijd afvallig 57 2, 26| bevonden, dat deze stad van ouds af zich tegen de koningen 58 2, 27| ook schattingen aan die van Celo-Syrië en Fenicië opgelegd 59 2, 30| 30 Toen nu hetgeen van de koning Artaxerxes geschreven 60 2, 30| Jeruzalem, met een leger van ruiters en voet volk.~ 61 2, 31| stil, tot het tweede jaar van het koninkrijk van Darius, 62 2, 31| jaar van het koninkrijk van Darius, de koning van Perzië.~ 63 2, 31| koninkrijk van Darius, de koning van Perzië.~ 64 3, 1 | huisgenoten, en voor al de groten van Medië en Perzië;~ 65 3, 2 | landen, die onder hem waren van Indië aan tot Ethiopië toe, 66 3, 6 | wordt getrokken, en een hoed van fijne zijde, en een keten 67 3, 7 | en zal een bloedvriend van Darius genoemd worden.~ 68 3, 9 | het geschrift geven; en van wie de koning en de drie 69 3, 9 | koning en de drie oversten van Perzië zullen oordelen, 70 3, 14| hij roepen al de groten van Perzië en Medië, en de vorsten, 71 3, 17| 17 Doet ons verklaring van hetgeen bij ulieden is geschreven.~ 72 3, 18| En de eerste begon, die van de sterkte des wijns gesproken 73 3, 20| verstand des konings én van de wees enerlei verstand, 74 3, 22| hij maakt dat een ieder van talenten spreekt.~ 75 3, 24| 24 En als zij van de wijn opgestaan zijn, 76 4, 1 | spreken, die gezegd had van de sterkte des konings, 77 4, 13| 13 De derde, die van de vrouwen en van de waarheid 78 4, 13| derde, die van de vrouwen en van de waarheid had gezegd, 79 4, 18| vrouw zien die schoon is van gedaante en van gestalte,~ 80 4, 18| schoon is van gedaante en van gestalte,~ 81 4, 26| 26 En velen zijn van hun zinnen beroofd om der 82 4, 30| 30 En zij nam de kroon van het hoofd des konings, zette 83 4, 33| En hij, begon te spreken van de waarheid.~ 84 4, 39| recht is, en onthoudt zich van al hetgeen onrecht en boos 85 4, 40| macht, en de heerlijkheid, van alle eeuwen. Geprezen zij 86 4, 43| belofte, die gij beloofd hebt, van Jeruzalem te zullen bouwen, 87 4, 46| 46 En nu dit is wat ik van u verzoek, heer koning, 88 4, 46| heer koning, en dat ik van u begeer: en deze is de 89 4, 46| heerlijkheid, die door mij van u geeist wordt. Ik bid dan 90 4, 48| Celo-Syrië, Fenicië, en van de berg Libanon, schreef 91 4, 48| cederhout zouden overbrengen van de berg Libanon naar Jeruzalem, 92 4, 53| 53 En dat al degenen, die van Babylonië zouden opgaan 93 4, 54| 54 En hij schreef ook van het onderhoud der priesters, 94 4, 54| onderhoud der priesters, en van de priesterlijke kleding 95 4, 59| 59 Van u is de overwinning, en 96 4, 59| u is de overwinning, en van u is de wijsheid, en uw 97 5, 1 | op te trekken de oversten van de huizen der vaderen naar 98 5, 5 | 5 De priesters: de zonen van Pinehas, de zoon van Aäron, 99 5, 5 | zonen van Pinehas, de zoon van Aäron, waren Jozua, de zoon 100 5, 5 | Aäron, waren Jozua, de zoon van Josedek, de zoon van Seraja, 101 5, 5 | zoon van Josedek, de zoon van Seraja, en Jojakim; daarna 102 5, 5 | daarna Zerubabel, de zoon van Salathiël, uit den huize 103 5, 5 | Salathiël, uit den huize Davids, van het geslacht van Fares, 104 5, 5 | Davids, van het geslacht van Fares, en van de stam Juda.~ 105 5, 5 | het geslacht van Fares, en van de stam Juda.~ 106 5, 7 | opgetrokken uit de gevangenis van hun vreemdelingschap, welke 107 5, 7 | Nabuchodonosor, de koning van Babel, in Babylonië weggevoerd 108 5, 8 | en naar de andere delen van Judea, elk in zijn eigen 109 5, 9 | Het getal nu dergenen, die van het volk waren, met hun 110 5, 10| vierhonderdtweeënzeventig. De kinderen van Ares zevenhonderd zesenvijftig.~ 111 5, 11| 11 De kinderen van Faät Moab, onder de kinderen 112 5, 11| Moab, onder de kinderen van Jozua en Joab tweeduizend 113 5, 12| 12 De kinderen van Elam duizendtweehonderdvierenvijftig. 114 5, 12| duizendtweehonderdvierenvijftig. De kinderen van Zathaï negenhonderdvijfenzeventig. 115 5, 12| negenhonderdvijfenzeventig. De kinderen van Chorvas zevenhonderd en 116 5, 12| zevenhonderd en vijf. De kinderen van Bani zeshonderdachtenveertig.~ 117 5, 13| 13 De kinderen van Babaï zeshonderddrieëndertig. 118 5, 13| zeshonderddrieëndertig. De kinderen van Argas duizend driehonderd 119 5, 14| 14 De kinderen van Adonikam zeshonderdzevenendertig. 120 5, 14| zeshonderdzevenendertig. De kinderen van Bagoë tweeduizendzesenzestig. 121 5, 14| tweeduizendzesenzestig. De kinderen van Adin vierhonderdvierenvijftig.~ 122 5, 15| 15 De kinderen van Ater uit Esekia tweeënnegentig. 123 5, 15| tweeënnegentig. De kinderen van Cilas en Azenas zevenenzestig. 124 5, 15| zevenenzestig. De kinderen van Azar vierhonderdtweeëndertig.~ 125 5, 16| 16 De kinderen van Amri honderdeneen. De kinderen 126 5, 16| honderdeneen. De kinderen van Arom tweeëndertig. De kinderen 127 5, 16| tweeëndertig. De kinderen van Base driehonderd drieentwintig. 128 5, 16| drieentwintig. De kinderen van Arisfurith honderdentwee.~ 129 5, 17| 17 De kinderen van Beter drieduizendenvijf.~ 130 5, 18| honderddrieëntwintig; die van Nethofas vijfenvijftig; 131 5, 18| Nethofas vijfenvijftig; die van Anatoth honderdachtenvijftig; 132 5, 18| honderdachtenvijftig; die van Bethasmon tweeënveertig.~ 133 5, 19| 19 Die van Cariathiri vijfentwintig; 134 5, 19| Cariathiri vijfentwintig; die van Cathiras en Berogh zevenhonderddrieënveertig; 135 5, 20| 20 Die van Kiramas en Gabbes zeshonderdeenentwintig; 136 5, 20| zeshonderdeenentwintig; die van Makalon honderdtweeëntwintig; 137 5, 20| honderdtweeëntwintig; die van Betolië vijfenvijftig.~ 138 5, 21| 21 De kinderen van Nifis honderdzesenvijftig; 139 5, 22| 22 De kinderen van Jerechu tweehonderdvijfenveertig.~ 140 5, 23| 23 De kinderen van Sanaäs drieduizend driehonderd 141 5, 24| De priesters: de kinderen van Jeddu, de zoon Jozua, met 142 5, 24| zoon Jozua, met de kinderen van Lanasib achthonderdzevenenzeventig. 143 5, 25| 25 De kinderen van Fassur duizendvierhonderdenzeven. 144 5, 25| duizendvierhonderdenzeven. De kinderen van Charmi tweehonderdenzeventien.~ 145 5, 27| heilige zangers: de kinderen van Asaf honderdenachtentwintig.~ 146 5, 28| deurwachters: de kinderen van Salum, de kinderen van Atar, 147 5, 28| kinderen van Salum, de kinderen van Atar, de kinderen van Tolman, 148 5, 28| kinderen van Atar, de kinderen van Tolman, de kinderen van 149 5, 28| van Tolman, de kinderen van Dahub, de kinderen van Ateta, 150 5, 28| kinderen van Dahub, de kinderen van Ateta, de kinderen van Tobi, 151 5, 28| kinderen van Ateta, de kinderen van Tobi, allen tezamen honderdnegenendertig.~ 152 5, 29| heiligdom dienden: de kinderen van Hesai, de kinderen van Asifa, 153 5, 29| kinderen van Hesai, de kinderen van Asifa, de kinderen van Tabaoth, 154 5, 29| kinderen van Asifa, de kinderen van Tabaoth, de kinderen van 155 5, 29| van Tabaoth, de kinderen van Seras, de kinderen van Suda, 156 5, 29| kinderen van Seras, de kinderen van Suda, de kinderen van Faleas.~ 157 5, 29| kinderen van Suda, de kinderen van Faleas.~ 158 5, 30| 30 De kinderen van Labana, de kinderen van 159 5, 30| van Labana, de kinderen van Agraba, de kinderen van 160 5, 30| van Agraba, de kinderen van Akud, de kinderen van Uta, 161 5, 30| kinderen van Akud, de kinderen van Uta, de kinderen van Cetab, 162 5, 30| kinderen van Uta, de kinderen van Cetab, de kinderen van Akaba, 163 5, 30| kinderen van Cetab, de kinderen van Akaba, de kinderen van Sijba, 164 5, 30| kinderen van Akaba, de kinderen van Sijba, de kinderen van Anan, 165 5, 30| kinderen van Sijba, de kinderen van Anan, de kinderen van Cathua.~ 166 5, 30| kinderen van Anan, de kinderen van Cathua.~ 167 5, 31| 31 De kinderen van Geddur, de kinderen van 168 5, 31| van Geddur, de kinderen van Laïr, de kinderen van Desan, 169 5, 31| kinderen van Laïr, de kinderen van Desan, de kinderen van Noëba, 170 5, 31| kinderen van Desan, de kinderen van Noëba, de kinderen van Chaseba, 171 5, 31| kinderen van Noëba, de kinderen van Chaseba, de kinderen van 172 5, 31| van Chaseba, de kinderen van Cazera, de kinderen van 173 5, 31| van Cazera, de kinderen van Ozia, de kinderen van Finoë, 174 5, 31| kinderen van Ozia, de kinderen van Finoë, de kinderen van Asara.~ 175 5, 31| kinderen van Finoë, de kinderen van Asara.~ 176 5, 32| 32 De kinderen van Basthaï, de kinderen van 177 5, 32| van Basthaï, de kinderen van Assana, de kinderen van 178 5, 32| van Assana, de kinderen van Mavi, de kinderen van Nafis, 179 5, 32| kinderen van Mavi, de kinderen van Nafis, de kinderen van Akuf, 180 5, 32| kinderen van Nafis, de kinderen van Akuf, de kinderen van Achiba, 181 5, 32| kinderen van Akuf, de kinderen van Achiba, de kinderen van 182 5, 32| van Achiba, de kinderen van Asub, de kinderen van Farenaces.~ 183 5, 32| kinderen van Asub, de kinderen van Farenaces.~ 184 5, 33| kinderen der dienstknechten van Salomo, de kinderen van 185 5, 33| van Salomo, de kinderen van Asapfioth, de kinderen van 186 5, 33| van Asapfioth, de kinderen van Farera, de kinderen van 187 5, 33| van Farera, de kinderen van Jejeli, de kinderen van 188 5, 33| van Jejeli, de kinderen van Lozon, de kinderen van Isdaël, 189 5, 33| kinderen van Lozon, de kinderen van Isdaël, de kinderen van 190 5, 33| van Isdaël, de kinderen van Safni.~ 191 5, 34| 34 De kinderen van Hagia, de zonen van Sachareth, 192 5, 34| kinderen van Hagia, de zonen van Sachareth, de kinderen van 193 5, 34| van Sachareth, de kinderen van Sabia, de kinderen van Saroth, 194 5, 34| kinderen van Sabia, de kinderen van Saroth, de kinderen van 195 5, 34| van Saroth, de kinderen van Misaje, de kinderen van 196 5, 34| van Misaje, de kinderen van Gas, de kinderen van Addus, 197 5, 34| kinderen van Gas, de kinderen van Addus, de kinderen van Suba, 198 5, 34| kinderen van Addus, de kinderen van Suba, de kinderen van Aferra, 199 5, 34| kinderen van Suba, de kinderen van Aferra, de kinderen van 200 5, 34| van Aferra, de kinderen van Barod, de kinderen van Safag, 201 5, 34| kinderen van Barod, de kinderen van Safag, de kinderen van Allom.~ 202 5, 34| kinderen van Safag, de kinderen van Allom.~ 203 5, 35| kinderen der dienstknechten van Salomo, driehonderd tweeënzeventig 204 5, 36| Dezen waren opgetrokken van Thermeleth, en Thelersa; 205 5, 37| Israël waren. De kinderen van Dalan, de zoon van Baëma, 206 5, 37| kinderen van Dalan, de zoon van Baëma, de kinderen van Nehoda 207 5, 37| zoon van Baëma, de kinderen van Nehoda zeshonderdtweeënvijftig;~ 208 5, 38| werd gevonden, de kinderen van Obdie, de kinderen van Akbos, 209 5, 38| kinderen van Obdie, de kinderen van Akbos, de kinderen van Jaddu, 210 5, 38| kinderen van Akbos, de kinderen van Jaddu, die Augia tot een 211 5, 39| gevonden werd, zo zijn zij van het bedienen des priesterambts 212 5, 41| de Israëlieten nu waren van twaalf jaren en daarboven, 213 5, 44| En enigen uit de oversten van hun familiën, als zij nu 214 5, 46| priesters en Levieten, en die van dit volk waren, zetten zich 215 5, 48| 48 En Jozua, de zoon van Josedek, en zijn broeders 216 5, 48| met Zerubabel, de zoon van Sealthiël en zijn broeders 217 5, 49| En bereidden het altaar van de God Israëls, om daarop 218 5, 49| volgens hetgeen in het boek van Mozes de man Gods verhaald 219 5, 52| en der nieuwe maanden, en van alle andere feestdagen, 220 5, 53| geloften gedaan hadden, van de nieuwe maan der zevende 221 5, 55| opdat zij hun cederhout van de berg Libanon zouden toebrengen, 222 5, 55| te voeren naar de haven van Joppe, volgens het bevel, 223 5, 55| volgens het bevel, dat van Cyrus, de koning van Perzië, 224 5, 55| dat van Cyrus, de koning van Perzië, hun was aangeschreven.~ 225 5, 56| begon Zerubabel, de zoon van Sealthiël, en Jozua de zoon 226 5, 56| Sealthiël, en Jozua de zoon van Josedek, en hun broederen, 227 5, 57| En legden het fundament van het huis Gods in de nieuwe 228 5, 57| huis Gods in de nieuwe maan van de tweede maand, als zij 229 5, 58| zijn broeder, en de zonen van Emadabus, en de zonen van 230 5, 58| van Emadabus, en de zonen van Joda, de zoon van Eliadad, 231 5, 58| zonen van Joda, de zoon van Eliadad, met hun zonen en 232 5, 59| de Levieten, de kinderen van Asaf, met cymbalen.~ 233 5, 60| Here, naar de instelling van David, de koning van Israël.~ 234 5, 60| instelling van David, de koning van Israël.~ 235 5, 62| Here, over de oprichting van het huis des Heren.~ 236 5, 64| 64 Kwamen tot het gebouw van dit huis met schreien en 237 5, 65| bazuinde zeer luid, zodat zij van verre gehoord werd.~ 238 5, 69| en doen hem offeranden, van de dagen van Asbakaf de 239 5, 69| offeranden, van de dagen van Asbakaf de koning van Assyrië 240 5, 69| dagen van Asbakaf de koning van Assyrië af, die ons hier 241 5, 73| 73 En de volken van dit land drongen op degenen 242 5, 74| voleindigd, en al de tijd van het leven des konings Cyrus; 243 5, 74| lang tot het koninkrijk van Darius toe.~ 244 6, 1 | 1 IN het tweede jaar nu van het koninkrijk van Darius 245 6, 1 | jaar nu van het koninkrijk van Darius profeteerde de profeet 246 6, 1 | Haggaï en Zacharia de zoon van Addo, over de Joden, die 247 6, 1 | Jeruzalem waren, in de naam van de God Israëls.~ 248 6, 2 | stond op Zerubabel, de zoon van Sealthiël, en Jozua de zoon 249 6, 2 | Sealthiël, en Jozua de zoon van Josedek, en begonnen weder 250 6, 3 | hen Sisinnes de ondervoogd van Syrië en Fenicië, en Sathrabusan 251 6, 5 | oudsten der Joden genade van de Here, en werden niet 252 6, 7 | Sisinnes, de ondervoogd van Syrië en Fenicië, en Sathrabusan, 253 6, 8 | aangekomen zijnde in het land van Judea, en gegaan zijnde 254 6, 11| huis te bouwen, en de grond van deze werken te leggen?~ 255 6, 14| 14 En dit huis is van over zeer vele jaren gebouwd 256 6, 15| hij hen over in de handen van Nabuchodonosor, de koning 257 6, 17| dat Cyrus over het land van Babylonië regeerde, heeft 258 6, 20| legde hij de fundamenten van het huis des Heren te Jeruzalem, 259 6, 20| des Heren te Jeruzalem, en van die tijd af tot nu toe werd 260 6, 21| de koninklijke boekkassen van Cyrus;~ 261 6, 22| bevonden wordt, dat de opbouw van het huis des Heren te Jeruzalem 262 6, 22| Jeruzalem met bewilliging van de koning Cyrus is geschied, 263 6, 23| de stad, die in het land van Medië is, een zekere plaats, 264 6, 25| 25 Van hetwelk de hoogte zou zijn 265 6, 25| zestig ellen, met drie wanden van gehouwen stenen, en een 266 6, 25| gehouwen stenen, en een wand van nieuw hout van dat land, 267 6, 25| een wand van nieuw hout van dat land, en dat men de 268 6, 26| 26 En de heilige vaten van het huis des Heren, beide 269 6, 27| ook Sisinnes de ondervoogd van Syrië en Fenicië, en Sathrabusan 270 6, 27| te dragen, dat zij zich van die plaats zouden onthouden; 271 6, 27| knecht des Heren en overste van Judea, Zerubabel, en de 272 6, 29| Ook dat uit de inkomsten van Celo-Syrië en Fenicië met 273 6, 32| zal, of teniet doen iets van hetgeen aangeschreven is, 274 6, 32| dat men een balk zal nemen van zijn eigen huis en hem daaraan 275 7, 4 | het bevel des Heren de God van Israël, en met goedvinden 276 7, 4 | Israël, en met goedvinden van Cyrus, en Darius, en Artaxerxes, 277 7, 4 | Artaxerxes, de koningen van Perzië.~ 278 7, 6 | volgens hetgeen in het Boek van Mozes geschreven staat;~ 279 7, 7 | offerden tot de inwijding van de tempel des Heren honderd 280 7, 8 | naar het getal der oversten van de twaalf geslachten Israëls,~ 281 7, 9 | Israëls, volgens het boek van Mozes: en de deurwachters 282 7, 13| al die afgescheiden waren van de gruwelen der volken van 283 7, 13| van de gruwelen der volken van het land, en die de Here 284 7, 15| 15 Omdat Hij de raad van de koning der Assyriërs 285 8, 1 | trok henen Ezra, de zoon van Azaria, de zoon van Sechrie, 286 8, 1 | zoon van Azaria, de zoon van Sechrie, de zoon van Helchia, 287 8, 1 | zoon van Sechrie, de zoon van Helchia, de zoon van Sallem,~ 288 8, 1 | zoon van Helchia, de zoon van Sallem,~ 289 8, 2 | 2 De zoon van Sadduk, de zoon van Achitob, 290 8, 2 | zoon van Sadduk, de zoon van Achitob, de zoon van Amaria, 291 8, 2 | zoon van Achitob, de zoon van Amaria, de zoon van Orias, 292 8, 2 | zoon van Amaria, de zoon van Orias, de zoon van Bokka, 293 8, 2 | zoon van Orias, de zoon van Bokka, de zoon van Abisai, 294 8, 2 | zoon van Bokka, de zoon van Abisai, de zoon van Pinehas, 295 8, 2 | zoon van Abisai, de zoon van Pinehas, de zoon van Eleazar, 296 8, 2 | zoon van Pinehas, de zoon van Eleazar, de zoon van Aäron, 297 8, 2 | zoon van Eleazar, de zoon van Aäron, de eerste priester.~ 298 8, 3 | verstandig zijnde in de wet van Mozes, die door de Gods 299 8, 4 | hem vond, in alles wat hij van hem begeerde.~ 300 8, 7 | voorspoedige reis, die hun van de Here was gegeven.~ 301 8, 8 | niets naliet der dingen die van de wet des Heren waren, 302 8, 8 | wet des Heren waren, en van de geboden om gans Israël 303 8, 9 | ook het schriftelijk bevel van de koning Artaxerxes tot 304 8, 9 | priester en leermeester van de wet des Heren, waarvan 305 8, 10| priester en leermeester van de wet des Heren, voorspoed.~ 306 8, 14| bevonden worden in het land van Babylonië, dat men dat weder 307 8, 15| 15 Met hetgeen dat van uw volk gegeven is tot de 308 8, 18| gegeven zijn tot het gebruik van de tempel uws Gods,~ 309 8, 20| hen, die over de schatten van Syrië en Fenicië zijn gesteld,~ 310 8, 21| priester en leermeester, van de wet des hoogsten Gods 311 8, 32| Gerson; uit de kinderen van Ithamar: Gamaliël; uit de 312 8, 32| Gamaliël; uit de kinderen van David: Lattus, de zoon van 313 8, 32| van David: Lattus, de zoon van Sechenia.~ 314 8, 33| 33 Uit de kinderen van Foros: Zacharia, en met 315 8, 34| 34 Uit de kinderen van Faät Moab; Eljaonia de zoon 316 8, 34| Faät Moab; Eljaonia de zoon van Zarea, en met hem tweehonderd 317 8, 35| 35 Uit de kinderen van Zathoë: Sechenia, de zoon 318 8, 35| Zathoë: Sechenia, de zoon van Jezel, en met hem driehonderd 319 8, 36| 36 Uit de kinderen van Adin, Obed, de zoon van 320 8, 36| van Adin, Obed, de zoon van Jonathan, en met hem tweehonderdvijftig 321 8, 37| 37 Uit de kinderen van Elam, Jesia, de zoon van 322 8, 37| van Elam, Jesia, de zoon van Gotholia, en met hem zeventig 323 8, 37| mannen; uit de kinderen van Safatja, Zaraja, de zoon 324 8, 37| Safatja, Zaraja, de zoon van Michaël, en met hem zeventig 325 8, 38| 38 Uit de kinderen van Joab, Abadja, de zoon van 326 8, 38| van Joab, Abadja, de zoon van Jezel, en met hem tweehonderdentwaalf 327 8, 39| 39 Uit de kinderen van Bania, Salimoth, de zoon 328 8, 39| Bania, Salimoth, de zoon van Josafir, en met hem honderdenzestig 329 8, 40| 40 Uit de kinderen van Babi, Zacharia, de zoon 330 8, 40| Babi, Zacharia, de zoon van Bebai, en met hem achtentwintig 331 8, 41| 41 Uit de kinderen van Astath, Joannes Aratan en 332 8, 42| 42 Uit de kinderen van Adonikam, de laatsten, en 333 8, 42| namen: Elifala, de zoon van Gevel, en Jamaja, en met 334 8, 42| mannen; uit de kinderen van Bagenthi, de zoon van Istaleumi, 335 8, 42| kinderen van Bagenthi, de zoon van Istaleumi, en met hem zeventig 336 8, 48| verstandige mannen uit de kinderen van Moöli, de zoon van Levi, 337 8, 48| kinderen van Moöli, de zoon van Levi, de zoon van Israël, 338 8, 48| de zoon van Levi, de zoon van Israël, namelijk Asebebia 339 8, 49| broeder, uit de kinderen van Chanun, en hun zonen, twintig 340 8, 50| 50 En van degenen, die de tempel dienden, 341 8, 51| jongelingen voor de Here: om van hem te verzoeken een goede 342 8, 52| 52 Want ik schaamde mij van de koning voetknechten en 343 8, 54| wij baden al deze dingen van de Here, en wij vonden hem 344 8, 55| 55 En ik zonderde van de oversten der priesters 345 8, 56| goud, en de heilige vaten van het huis onzes Heren, welke 346 8, 58| en twaalf koperen vaten van fijn koper, blinkende gelijk 347 8, 60| Jeruzalem, in de cellen van het huis onzes Gods.~ 348 8, 62| En wij trokken weder op van de rivier Thera, de twaalfde 349 8, 63| En hij heeft ons verlost van de ingang aan van alle vijanden; 350 8, 63| verlost van de ingang aan van alle vijanden; en wij kwamen 351 8, 63| Heren, aan Marmoth, de zoon van Uria de priester.~ 352 8, 64| hem was Eleazar de zoon van Pinehas, en met hem waren 353 8, 64| hem waren Josabdos de zoon van Jozua, en Moëth de zoon 354 8, 64| Jozua, en Moëth de zoon van Laban: en de Levieten leverden 355 8, 68| konings, en aan de landvoogden van Celo-Syrië en Fenicië; en 356 8, 69| hebben zich niet afgezonderd van de vreemde volken van dit 357 8, 69| afgezonderd van de vreemde volken van dit land, en van hun onreinheden:~ 358 8, 69| volken van dit land, en van hun onreinheden:~ 359 8, 70| 70 Van de volken der Kanaänieten, 360 8, 71| de oversten en de groten van het begin dezer zaak deelachtig 361 8, 72| en ik plukte mijn haren van mijn hoofd, en van mijn 362 8, 72| haren van mijn hoofd, en van mijn baard, en ik zat vol 363 8, 74| 74 En ik stond op van het vasten, hebbende de 364 8, 76| tot de hemel toe, zelfs van de tijden onzer vaderen.~ 365 8, 79| een weinig genade geschied van de Here, om ons een wortel 366 8, 80| spijs te geven in de tijd van onze dienstbaarheid.~ 367 8, 84| dat door de bezoedeling van de vreemde volken des lands 368 8, 88| vermengd zijn met de onreinheid van de volken des lands.~ 369 8, 93| 93 En Jechonia, de zoon van Jeëli, uit de kinderen Israëls 370 8, 94| wij al onze vrouwen, die van vreemd geslacht zijn, met 371 8, 97| der priesters en Levieten van gans Israël, dat zij hiernaar 372 9, 1 | 1 EN Ezra opstaande, van de voorhof des tempels, 373 9, 1 | begaf zich in de kamer van Joannan de zoon van Eliasis.~ 374 9, 1 | kamer van Joannan de zoon van Eliasis.~ 375 9, 4 | zouden afgescheiden worden van de menigte der gevangenis.~ 376 9, 5 | allen, die uit de stammen van Juda en Benjamin waren, 377 9, 6 | voorplaats des tempels, bevende van koude vanwege de aanstaande 378 9, 9 | doet zijn wil, en scheidt u van de volken van dit land, 379 9, 9 | scheidt u van de volken van dit land, en van de uitlandse 380 9, 9 | volken van dit land, en van de uitlandse vrouwen.~ 381 9, 11| dit is geen werk voor ons van één dag of twee; want wij 382 9, 13| en de oudsten en rechters van iedere plaats, totdat de 383 9, 13| totdat de toorn des Heren van ons geweerd zij, ter oorzake 384 9, 13| geweerd zij, ter oorzake van dit gebod.~ 385 9, 14| Toen nam Jonathas, de zoon van Azaël, en Esekia, de zoon 386 9, 14| Azaël, en Esekia, de zoon van Theoran, dit volgens deze 387 9, 16| zich de voornaamste mannen van hun vaderlijke huizen, allen 388 9, 17| hadden, op de nieuwe maan van de eerste maand.~ 389 9, 19| 19 Van de kinderen van Jozua, de 390 9, 19| 19 Van de kinderen van Jozua, de zoon van Josedek 391 9, 19| kinderen van Jozua, de zoon van Josedek en zijn broederen, 392 9, 21| 21 En van de kinderen van Emmer: Ananias, 393 9, 21| 21 En van de kinderen van Emmer: Ananias, en Zabdeûs, 394 9, 22| 22 En van de kinderen van Fesur: Elionais, 395 9, 22| 22 En van de kinderen van Fesur: Elionais, Massias, 396 9, 23| 23 En van de Levieten: Josabad, en 397 9, 24| 24 Van de heilige zangers: Eliaseb, 398 9, 25| 25 Van de deurwachters: Salum en 399 9, 26| 26 Van de Israëlieten, uit de kinderen 400 9, 26| Israëlieten, uit de kinderen van Foros: Hiermas, en Jezias, 401 9, 27| 27 Van de kinderen van Ela: Mathanias, 402 9, 27| 27 Van de kinderen van Ela: Mathanias, en Zacharias, 403 9, 28| 28 En van de kinderen van Zamoth: 404 9, 28| 28 En van de kinderen van Zamoth: Eliazim, Othonias, 405 9, 29| 29 En van de kinderen van Bebai: Joannes, 406 9, 29| 29 En van de kinderen van Bebai: Joannes, en Ananias, 407 9, 30| 30 En van de kinderen van Mani: Olam, 408 9, 30| 30 En van de kinderen van Mani: Olam, Manuch, Jedar, 409 9, 31| 31 En van de kinderen van Addi: Naäth, 410 9, 31| 31 En van de kinderen van Addi: Naäth, en Moosias, 411 9, 32| 32 En uit de kinderen van Anan: Elionas, en Asajas, 412 9, 33| 33 En van de kinderen van Asom: Altaneüs, 413 9, 33| 33 En van de kinderen van Asom: Altaneüs, en Matthatias, 414 9, 34| 34 En van de kinderen van Baäni: Hieremias, 415 9, 34| 34 En van de kinderen van Baäni: Hieremias, Momdi, 416 9, 34| Selemias, Nathanius. En van de kinderen van Ezora: Sesis, 417 9, 34| Nathanius. En van de kinderen van Ezora: Sesis, Esril, Azaël, 418 9, 35| 35 En van de kinderen van Ethma: Mazitias, 419 9, 35| 35 En van de kinderen van Ethma: Mazitias, Zabada, 420 9, 37| het land op de nieuwe maan van de zevende maand, en de 421 9, 41| plaats voor de heilige poort, van de morgenstond af tot de 422 9, 41| in de tegenwoordigheid van mannen en vrouwen; en de 423 9, 45| heerlijk in de tegenwoordigheid van allen.~


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License