Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
heren 70
herstellen 1
hesai 1
het 219
hetgeen 23
hetwelk 2
hetzelve 1
Frequency    [«  »]
1019 en
901 de
423 van
219 het
190 die
171 zijn
155 in

Het derde boek Ezra

IntraText - Concordances

het

    Chapter, Verse
1 1, 1 | EN Josia hield zijn Here het Pascha te Jeruzalem, en 2 1, 1 | te Jeruzalem, en slachtte het Pascha op de veertiende 3 1, 3 | zeide tot de Levieten, die het heilige in Israël bedienden, 4 1, 3 | ark des Heren te zetten in het huis, dat de koning Salomo 5 1, 5 | 5 Naar het voorschrift Davids; de koning 6 1, 5 | zijn zoon; en staat in het heiligdom naar de verdeling 7 1, 6 | 6 En slacht ordelijk het Pascha, en bereidt de offeranden 8 1, 6 | voor uw broederen; en houdt het Pascha naar het bevel des 9 1, 6 | en houdt het Pascha naar het bevel des Heren, dat hij 10 1, 7 | 7 En Josia schonk het volk, dat daar bevonden 11 1, 8 | volgens zijn belofte, aan het volk en aan de priesters 12 1, 9 | schonken aan de priesters voor het Pascha, tweeduizendzeshonderd 13 1, 9 | gaven de Levieten, voor het Pascha vijfduizend schapen, 14 1, 10| oversten der vaderen, voor het volk,~ 15 1, 11| offeren, volgens hetgeen in het boek van Mozes geschreven 16 1, 11| was, en alzo geschiedde het vroegoffer.~ 17 1, 12| 12 En zij braadden het Pascha aan het vuur, gelijk 18 1, 12| braadden het Pascha aan het vuur, gelijk het behoorde, 19 1, 12| Pascha aan het vuur, gelijk het behoorde, en offeranden 20 1, 13| 13 En brachten het voor al het volk. Daarna 21 1, 13| En brachten het voor al het volk. Daarna bereidden zij 22 1, 14| Want de priesters offerden het vette, totdat de tijd verliep; 23 1, 14| en de Levieten bereidden het voor zichzelf, en voor de 24 1, 16| de Levieten, bereidden het voor hen.~ 25 1, 18| 18 Om het Pascha te houden, en offeranden 26 1, 18| offeranden te brengen op het altaar des Heren, naar het 27 1, 18| het altaar des Heren, naar het bevel des konings Josia.~ 28 1, 19| gevonden werden, hielden het Pascha, en het feest der 29 1, 19| hielden het Pascha, en het feest der ongehevelde broden, 30 1, 22| 22 In het achttiende jaar des koninkrijks 31 1, 25| deze daden van Josia, is het geschied, dat Farao de koning 32 1, 29| te strijden tegen hem in het veld Megiddo, en de oversten 33 1, 31| wedergebracht was, legde hij het leven af, en werd begraven 34 1, 32| geschieden zou door geheel het geslacht Israëls.~ 35 1, 33| dingen nu zijn beschreven in het boek van de geschiedenissen 36 1, 33| elk der daden van Josia in het bijzonder, die door hem 37 1, 33| geschied is, wordt verhaald in het boek van de koningen van 38 1, 34| 34 En het volk nam Joachas, de zoon 39 1, 36| 36 En legde het volk een geldstraf op van 40 1, 42| 42 Het verhaal nu van hem, en van 41 1, 42| goddeloosheid staat beschreven in het boek van de tijden der koningen.~ 42 1, 53| doodden hun jongelingen met het zwaard zelfs in de omgang 43 1, 55| 55 En verbrandden het huis des Heren, en braken 44 1, 56| degenen, die overig waren van het zwaard, voerden zij naar 45 1, 57| opdat vervuld zou worden het woord des Heren, gesproken 46 1, 58| 58 Totdat het land aan zijn Sabbatten 47 2, 1 | over de Perzen regeerde, in het eerste jaar: opdat het woord 48 2, 1 | in het eerste jaar: opdat het woord des Heren vervuld 49 2, 5 | Jeruzalem in Judea, en bouwe het huis des Heren van Israël; 50 2, 8 | verwekte om op te trekken, en het huis des Heren te Jeruzalem 51 2, 13| 13 Het getal nu van deze was: duizend 52 2, 18| 18 Het zij nu de Heer koning bekend 53 2, 20| 20 Dewijl men dan in het werk is met hetgeen de tempel 54 2, 21| te laten weten, opdat, zo het u goeddunkt, in de boeken 55 2, 31| tempels te Jeruzalem stil, tot het tweede jaar van het koninkrijk 56 2, 31| tot het tweede jaar van het koninkrijk van Darius, de 57 3, 8 | verzegelde die, en legde ze onder het oorkussen des konings Darius,~ 58 3, 9 | zijn, zo zullen zij hem het geschrift geven; en van 59 3, 13| opgestaan was, namen zij het geschrift, en gaven het 60 3, 13| het geschrift, en gaven het hem, en hij las het.~ 61 3, 13| gaven het hem, en hij las het.~ 62 3, 15| zich neder in zijn Raad, en het geschrift werd voor hen 63 3, 20| 20 Hij maakt het verstand des konings én 64 3, 20| enerlei verstand, gelijk ook het verstand des dienstknechts 65 3, 20| dienstknechts en des vrijen, het verstand des armen en des 66 4, 2 | mensen de sterkste, die het land en de zee bemachtigen, 67 4, 4 | oorlog aandoen, zij doen het; en indien hij uitzendt 68 4, 5 | worden dood geslagen, en het woord des konings zullen 69 4, 6 | noch oorlog voeren, maar het land bouwen, wanneer ze 70 4, 15| of die hen regeert? zijn het niet de vrouwen? De vrouwen 71 4, 15| ter wereld gebracht, en al het volk, dat de zee en de aarde 72 4, 19| begeerte tot haar, dan tot het goud en het zilver en allerlei 73 4, 19| haar, dan tot het goud en het zilver en allerlei fraaiigheid.~ 74 4, 23| gij niet alles, en brengt het aan de vrouw? Ja een man 75 4, 30| En zij nam de kroon van het hoofd des konings, zette 76 4, 40| en zij is de kracht, en het koninkrijk, en de macht, 77 4, 41| En hij zweeg stil. En al het volk riep toen, en sprak 78 4, 42| geschreven is, en wij zullen het u geven, daar gij wijzer 79 4, 50| 50 En dat het gehele land, dat zij bewoonden, 80 4, 52| 52 En dat zij, om op het altaar, naar het gebod dat 81 4, 52| om op het altaar, naar het gebod dat zij hadden, dagelijks 82 4, 54| 54 En hij schreef ook van het onderhoud der priesters, 83 4, 55| geven, tot de dag toe dat het huis Gods zou voleindigd, 84 5, 5 | uit den huize Davids, van het geslacht van Fares, en van 85 5, 6 | redenen gesproken had, in het tweede jaar zijns koninkrijks 86 5, 7 | 7 Dezen nu zijn het die uit Judea zijn opgetrokken 87 5, 9 | 9 Het getal nu dergenen, die van 88 5, 9 | getal nu dergenen, die van het volk waren, met hun oversten, 89 5, 29| 29 Die het heiligdom dienden: de kinderen 90 5, 35| 35 Deze allen dienden het heiligdom, en waren kinderen 91 5, 38| En uit de priesters, die het priesterschap bedienden, 92 5, 39| geslachtschrift werd gezocht in het register, en niet gevonden 93 5, 39| gevonden werd, zo zijn zij van het bedienen des priesterambts 94 5, 44| Jeruzalem kwamen, beloofden het huis Gods op te richten 95 5, 46| neder te Jeruzalem, en in het land, en de heilige zangers, 96 5, 47| eerste poort, die tegen het oosten was.~ 97 5, 49| 49 En bereidden het altaar van de God Israëls, 98 5, 49| offeren, volgens hetgeen in het boek van Mozes de man Gods 99 5, 50| 50 En zij richtten het altaar op, in zijn plaats, 100 5, 51| brandofferen voor de Here, namelijk het vroeg-offer en het spade-offer.~ 101 5, 51| namelijk het vroeg-offer en het spade-offer.~ 102 5, 52| 52 En zij hielden het feest der loofhutten, gelijk 103 5, 52| dagelijks offeranden gelijk het betaamde en daarna gedurige 104 5, 55| haven van Joppe, volgens het bevel, dat van Cyrus, de 105 5, 56| 56 En in het tweede jaar nadat hij tot 106 5, 57| 57 En legden het fundament van het huis Gods 107 5, 57| legden het fundament van het huis Gods in de nieuwe maan 108 5, 58| al deze Levieten zetten het werk eendrachtig voort, 109 5, 58| die de werken maakten in het huis des Heren.~ 110 5, 62| 62 En het ganse volk blies met bazuinen, 111 5, 62| over de oprichting van het huis des Heren.~ 112 5, 63| geslachten, die ouder waren, en het huis, dat voor dezen was, 113 5, 64| 64 Kwamen tot het gebouw van dit huis met 114 5, 65| 65 Zodat het volk de bazuinen niet wel 115 5, 65| niet wel hoorde, vanwege het schreien des volks, want 116 5, 71| 71 Het komt ons en u niet toe tezamen 117 5, 71| ons en u niet toe tezamen het huis te bouwen voor de Here 118 5, 74| voleindigd, en al de tijd van het leven des konings Cyrus; 119 5, 74| verhinderd twee jaren lang tot het koninkrijk van Darius toe.~ 120 6, 1 | 1 IN het tweede jaar nu van het koninkrijk 121 6, 1 | IN het tweede jaar nu van het koninkrijk van Darius profeteerde 122 6, 2 | begonnen weder te bouwen het huis des Heren, dat te Jeruzalem 123 6, 5 | 5 En nadat het onderzoek gedaan was over 124 6, 6 | 6 Het afschrift nu des briefs, 125 6, 8 | 8 Het zij alles kennelijk onze 126 6, 8 | wij aangekomen zijnde in het land van Judea, en gegaan 127 6, 10| vlijt geschieden, en dat het werk gelukkig voortgaat 128 6, 12| dit gevraagd, opdat wij het u zouden bekend maken, en 129 6, 16| verbrand hebben en hebben het volk gevankelijk naar Babylon 130 6, 17| 17 Maar in het eerste jaar dat Cyrus over 131 6, 17| eerste jaar dat Cyrus over het land van Babylonië regeerde, 132 6, 18| Nabuchodonosor weggevoerd had uit het huis Gods dat te Jeruzalem 133 6, 20| legde hij de fundamenten van het huis des Heren te Jeruzalem, 134 6, 20| tijd af tot nu toe werd het gebouwd, en heeft nog zijn 135 6, 21| 21 Nu dan, indien het u goeddunkt heer koning, 136 6, 22| wordt, dat de opbouw van het huis des Heren te Jeruzalem 137 6, 22| koning Cyrus is geschied, en het de koning onze Heer goeddunkt, 138 6, 23| Ekbatana in de stad, die in het land van Medië is, een zekere 139 6, 24| 24 In het eerste jaar als Cyrus regeerde, 140 6, 24| de koning Cyrus, dat men het huis des Heren te Jeruzalem 141 6, 25| de onkosten zou geven uit het huis Cyrus de koning.~ 142 6, 26| En de heilige vaten van het huis des Heren, beide gouden 143 6, 26| Nabuchodonosor weggevoerd had uit het huis des Heren dat te Jeruzalem 144 6, 26| zou men weder brengen in het huis des Heren te Jeruzalem, 145 6, 28| daarbij bevolen, dat zij het geheel zullen opbouwen, 146 6, 28| zijn, hulp bewijze, totdat het huis des Heren voltooid 147 7, 4 | zij volbrachten die, door het bevel des Heren de God van 148 7, 5 | 5 Zo werd het heilige huis voltooid tot 149 7, 5 | drieëntwintigste dag der maand Adar, in het zesde jaar des konings Darius.~ 150 7, 6 | deden volgens hetgeen in het Boek van Mozes geschreven 151 7, 8 | Israëls twaalf bokken, naar het getal der oversten van de 152 7, 9 | de God Israëls, volgens het boek van Mozes: en de deurwachters 153 7, 10| gevangenis waren, hielden het Pascha, op de veertiende 154 7, 12| 12 En zij slachtten het Pascha voor al de kinderen 155 7, 13| de gevangenis waren, aten het Pascha, namelijk al die 156 7, 13| gruwelen der volken van het land, en die de Here zochten.~ 157 7, 14| 14 En zij hielden het feest der ongezuurde broden 158 8, 6 | 6 In het zevende jaar als Artaxerxes 159 8, 6 | de vijfde maand, (dit is het zevende jaar des konings) 160 8, 9 | 9 Hierbij kwam ook het schriftelijk bevel van de 161 8, 9 | de wet des Heren, waarvan het afschrift is hetgeen volgt:~ 162 8, 11| dat vrijwillig begeren uit het Joodse volk, en de priesters, 163 8, 12| zij mede trekken; gelijk het mij, en mijn zeven vrienden 164 8, 14| Jeruzalem beloofd hebben; en al het goud en zilver, dat zou 165 8, 14| mogen bevonden worden in het land van Babylonië, dat 166 8, 15| is; en dat men vergadere het goud en het zilver tot stieren, 167 8, 15| men vergadere het goud en het zilver tot stieren, en rammen, 168 8, 16| Here offere offeranden op het altaar des Heren, huns Gods, 169 8, 17| broederen zult willen doen met het goud en zilver, volbrengt 170 8, 18| die u gegeven zijn tot het gebruik van de tempel uws 171 8, 23| toorn Gods niet kome over het koninkrijk des konings, 172 8, 28| mijner vaderen, die dit in het hart des konings heeft gegeven, 173 8, 31| optogen uit Babylonië, onder het rijk des konings Artaxerxes.~ 174 8, 47| enigen zouden toezenden, die het priesterschap in het huis 175 8, 47| die het priesterschap in het huis onzes Gods mochten 176 8, 50| oversten gegeven hadden tot het werk der Levieten, tweehonderdentwintig 177 8, 56| 56 En ik woog hun het zilver en het goud, en de 178 8, 56| ik woog hun het zilver en het goud, en de heilige vaten 179 8, 56| en de heilige vaten van het huis onzes Heren, welke 180 8, 56| raadsheren, en de groten, en het ganse Israël gegeven hadden.~ 181 8, 57| 57 En als ik het gewogen had, heb ik hun 182 8, 59| de vaten zijn heilig, en het goud, en het zilver, het 183 8, 59| heilig, en het goud, en het zilver, het zijn geloften 184 8, 59| het goud, en het zilver, het zijn geloften des Heren, 185 8, 60| Jeruzalem, in de cellen van het huis onzes Gods.~ 186 8, 63| waren, zo werd de vierde dag het gewogen zilver en goud overgeleverd 187 8, 63| en goud overgeleverd in het huis des Heren, aan Marmoth, 188 8, 64| en de Levieten leverden het alles over naar het getal 189 8, 64| leverden het alles over naar het getal en gewicht;~ 190 8, 65| 65 En het gehele gewicht daarvan werd 191 8, 66| Israëls, twaalf stieren, voor het ganse Israël,~ 192 8, 68| Fenicië; en zij verheerlijkten het volk en de tempel des Heren.~ 193 8, 69| oversten tot mij, en zeiden: Het volk Israëls, en de oversten, 194 8, 71| namelijk en hun zonen; en het heilige zaad is vermengd 195 8, 71| oversten en de groten van het begin dezer zaak deelachtig 196 8, 73| toen bewogen werden door het woord des Heren, de God 197 8, 73| misdaad, en ik zat droevig tot het avondoffer toe.~ 198 8, 74| 74 En ik stond op van het vasten, hebbende de klederen 199 8, 80| een licht te ontdekken in het huis des Heren onzes Gods, 200 8, 82| Heren te verheerlijken, en het verwoeste Sion op te richten, 201 8, 84| 84 Het land waarin gij komt om 202 8, 86| gij machtig wordt en eet het goede des lands, en het 203 8, 86| het goede des lands, en het uw kinderen doet erven in 204 8, 88| hebt ons zodanige wortel in het land gegeven, en wij zijn 205 8, 92| vrouwen, en jongelingen, want het wenen was groot onder de 206 9, 4 | niet zouden komen, naar het oordeel der overste ouderlingen, 207 9, 8 | 8 Maar nu, bekent het, en geeft heerlijkheid de 208 9, 11| de menigte is groot, en het is wintertijd, en wij kunnen 209 9, 17| 17 En het is ten einde gebracht, aangaande 210 9, 37| neder te Jeruzalem, en in het land op de nieuwe maan van 211 9, 38| voor de heilige poort tegen het oosten.~ 212 9, 45| 45 En Ezra nam het boek op voor de menigte, 213 9, 47| 47 En al het volk antwoordde daarop Amen! 214 9, 49| de menigte, hun stem in het lezen verheffende.~ 215 9, 50| en tot de Levieten die het volk boven allen leerden:~ 216 9, 52| 52 Gaat dan henen, eet het vette en drinkt het zoete, 217 9, 52| eet het vette en drinkt het zoete, en zendt geschenken 218 9, 54| 54 En de Levieten bevalen het ganse volk, zeggende: Deze 219 9, 56| zij waren onderricht in het woord, dat hun geleerd was,


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License