Chapter, Verse
1 1, 1 | EN Josia hield zijn Here het Pascha te Jeruzalem, en
2 1, 1 | te Jeruzalem, en slachtte het Pascha op de veertiende
3 1, 3 | zeide tot de Levieten, die het heilige in Israël bedienden,
4 1, 3 | ark des Heren te zetten in het huis, dat de koning Salomo
5 1, 5 | 5 Naar het voorschrift Davids; de koning
6 1, 5 | zijn zoon; en staat in het heiligdom naar de verdeling
7 1, 6 | 6 En slacht ordelijk het Pascha, en bereidt de offeranden
8 1, 6 | voor uw broederen; en houdt het Pascha naar het bevel des
9 1, 6 | en houdt het Pascha naar het bevel des Heren, dat hij
10 1, 7 | 7 En Josia schonk het volk, dat daar bevonden
11 1, 8 | volgens zijn belofte, aan het volk en aan de priesters
12 1, 9 | schonken aan de priesters voor het Pascha, tweeduizendzeshonderd
13 1, 9 | gaven de Levieten, voor het Pascha vijfduizend schapen,
14 1, 10| oversten der vaderen, voor het volk,~
15 1, 11| offeren, volgens hetgeen in het boek van Mozes geschreven
16 1, 11| was, en alzo geschiedde het vroegoffer.~
17 1, 12| 12 En zij braadden het Pascha aan het vuur, gelijk
18 1, 12| braadden het Pascha aan het vuur, gelijk het behoorde,
19 1, 12| Pascha aan het vuur, gelijk het behoorde, en offeranden
20 1, 13| 13 En brachten het voor al het volk. Daarna
21 1, 13| En brachten het voor al het volk. Daarna bereidden zij
22 1, 14| Want de priesters offerden het vette, totdat de tijd verliep;
23 1, 14| en de Levieten bereidden het voor zichzelf, en voor de
24 1, 16| de Levieten, bereidden het voor hen.~
25 1, 18| 18 Om het Pascha te houden, en offeranden
26 1, 18| offeranden te brengen op het altaar des Heren, naar het
27 1, 18| het altaar des Heren, naar het bevel des konings Josia.~
28 1, 19| gevonden werden, hielden het Pascha, en het feest der
29 1, 19| hielden het Pascha, en het feest der ongehevelde broden,
30 1, 22| 22 In het achttiende jaar des koninkrijks
31 1, 25| deze daden van Josia, is het geschied, dat Farao de koning
32 1, 29| te strijden tegen hem in het veld Megiddo, en de oversten
33 1, 31| wedergebracht was, legde hij het leven af, en werd begraven
34 1, 32| geschieden zou door geheel het geslacht Israëls.~
35 1, 33| dingen nu zijn beschreven in het boek van de geschiedenissen
36 1, 33| elk der daden van Josia in het bijzonder, die door hem
37 1, 33| geschied is, wordt verhaald in het boek van de koningen van
38 1, 34| 34 En het volk nam Joachas, de zoon
39 1, 36| 36 En legde het volk een geldstraf op van
40 1, 42| 42 Het verhaal nu van hem, en van
41 1, 42| goddeloosheid staat beschreven in het boek van de tijden der koningen.~
42 1, 53| doodden hun jongelingen met het zwaard zelfs in de omgang
43 1, 55| 55 En verbrandden het huis des Heren, en braken
44 1, 56| degenen, die overig waren van het zwaard, voerden zij naar
45 1, 57| opdat vervuld zou worden het woord des Heren, gesproken
46 1, 58| 58 Totdat het land aan zijn Sabbatten
47 2, 1 | over de Perzen regeerde, in het eerste jaar: opdat het woord
48 2, 1 | in het eerste jaar: opdat het woord des Heren vervuld
49 2, 5 | Jeruzalem in Judea, en bouwe het huis des Heren van Israël;
50 2, 8 | verwekte om op te trekken, en het huis des Heren te Jeruzalem
51 2, 13| 13 Het getal nu van deze was: duizend
52 2, 18| 18 Het zij nu de Heer koning bekend
53 2, 20| 20 Dewijl men dan in het werk is met hetgeen de tempel
54 2, 21| te laten weten, opdat, zo het u goeddunkt, in de boeken
55 2, 31| tempels te Jeruzalem stil, tot het tweede jaar van het koninkrijk
56 2, 31| tot het tweede jaar van het koninkrijk van Darius, de
57 3, 8 | verzegelde die, en legde ze onder het oorkussen des konings Darius,~
58 3, 9 | zijn, zo zullen zij hem het geschrift geven; en van
59 3, 13| opgestaan was, namen zij het geschrift, en gaven het
60 3, 13| het geschrift, en gaven het hem, en hij las het.~
61 3, 13| gaven het hem, en hij las het.~
62 3, 15| zich neder in zijn Raad, en het geschrift werd voor hen
63 3, 20| 20 Hij maakt het verstand des konings én
64 3, 20| enerlei verstand, gelijk ook het verstand des dienstknechts
65 3, 20| dienstknechts en des vrijen, het verstand des armen en des
66 4, 2 | mensen de sterkste, die het land en de zee bemachtigen,
67 4, 4 | oorlog aandoen, zij doen het; en indien hij uitzendt
68 4, 5 | worden dood geslagen, en het woord des konings zullen
69 4, 6 | noch oorlog voeren, maar het land bouwen, wanneer ze
70 4, 15| of die hen regeert? zijn het niet de vrouwen? De vrouwen
71 4, 15| ter wereld gebracht, en al het volk, dat de zee en de aarde
72 4, 19| begeerte tot haar, dan tot het goud en het zilver en allerlei
73 4, 19| haar, dan tot het goud en het zilver en allerlei fraaiigheid.~
74 4, 23| gij niet alles, en brengt het aan de vrouw? Ja een man
75 4, 30| En zij nam de kroon van het hoofd des konings, zette
76 4, 40| en zij is de kracht, en het koninkrijk, en de macht,
77 4, 41| En hij zweeg stil. En al het volk riep toen, en sprak
78 4, 42| geschreven is, en wij zullen het u geven, daar gij wijzer
79 4, 50| 50 En dat het gehele land, dat zij bewoonden,
80 4, 52| 52 En dat zij, om op het altaar, naar het gebod dat
81 4, 52| om op het altaar, naar het gebod dat zij hadden, dagelijks
82 4, 54| 54 En hij schreef ook van het onderhoud der priesters,
83 4, 55| geven, tot de dag toe dat het huis Gods zou voleindigd,
84 5, 5 | uit den huize Davids, van het geslacht van Fares, en van
85 5, 6 | redenen gesproken had, in het tweede jaar zijns koninkrijks
86 5, 7 | 7 Dezen nu zijn het die uit Judea zijn opgetrokken
87 5, 9 | 9 Het getal nu dergenen, die van
88 5, 9 | getal nu dergenen, die van het volk waren, met hun oversten,
89 5, 29| 29 Die het heiligdom dienden: de kinderen
90 5, 35| 35 Deze allen dienden het heiligdom, en waren kinderen
91 5, 38| En uit de priesters, die het priesterschap bedienden,
92 5, 39| geslachtschrift werd gezocht in het register, en niet gevonden
93 5, 39| gevonden werd, zo zijn zij van het bedienen des priesterambts
94 5, 44| Jeruzalem kwamen, beloofden het huis Gods op te richten
95 5, 46| neder te Jeruzalem, en in het land, en de heilige zangers,
96 5, 47| eerste poort, die tegen het oosten was.~
97 5, 49| 49 En bereidden het altaar van de God Israëls,
98 5, 49| offeren, volgens hetgeen in het boek van Mozes de man Gods
99 5, 50| 50 En zij richtten het altaar op, in zijn plaats,
100 5, 51| brandofferen voor de Here, namelijk het vroeg-offer en het spade-offer.~
101 5, 51| namelijk het vroeg-offer en het spade-offer.~
102 5, 52| 52 En zij hielden het feest der loofhutten, gelijk
103 5, 52| dagelijks offeranden gelijk het betaamde en daarna gedurige
104 5, 55| haven van Joppe, volgens het bevel, dat van Cyrus, de
105 5, 56| 56 En in het tweede jaar nadat hij tot
106 5, 57| 57 En legden het fundament van het huis Gods
107 5, 57| legden het fundament van het huis Gods in de nieuwe maan
108 5, 58| al deze Levieten zetten het werk eendrachtig voort,
109 5, 58| die de werken maakten in het huis des Heren.~
110 5, 62| 62 En het ganse volk blies met bazuinen,
111 5, 62| over de oprichting van het huis des Heren.~
112 5, 63| geslachten, die ouder waren, en het huis, dat voor dezen was,
113 5, 64| 64 Kwamen tot het gebouw van dit huis met
114 5, 65| 65 Zodat het volk de bazuinen niet wel
115 5, 65| niet wel hoorde, vanwege het schreien des volks, want
116 5, 71| 71 Het komt ons en u niet toe tezamen
117 5, 71| ons en u niet toe tezamen het huis te bouwen voor de Here
118 5, 74| voleindigd, en al de tijd van het leven des konings Cyrus;
119 5, 74| verhinderd twee jaren lang tot het koninkrijk van Darius toe.~
120 6, 1 | 1 IN het tweede jaar nu van het koninkrijk
121 6, 1 | IN het tweede jaar nu van het koninkrijk van Darius profeteerde
122 6, 2 | begonnen weder te bouwen het huis des Heren, dat te Jeruzalem
123 6, 5 | 5 En nadat het onderzoek gedaan was over
124 6, 6 | 6 Het afschrift nu des briefs,
125 6, 8 | 8 Het zij alles kennelijk onze
126 6, 8 | wij aangekomen zijnde in het land van Judea, en gegaan
127 6, 10| vlijt geschieden, en dat het werk gelukkig voortgaat
128 6, 12| dit gevraagd, opdat wij het u zouden bekend maken, en
129 6, 16| verbrand hebben en hebben het volk gevankelijk naar Babylon
130 6, 17| 17 Maar in het eerste jaar dat Cyrus over
131 6, 17| eerste jaar dat Cyrus over het land van Babylonië regeerde,
132 6, 18| Nabuchodonosor weggevoerd had uit het huis Gods dat te Jeruzalem
133 6, 20| legde hij de fundamenten van het huis des Heren te Jeruzalem,
134 6, 20| tijd af tot nu toe werd het gebouwd, en heeft nog zijn
135 6, 21| 21 Nu dan, indien het u goeddunkt heer koning,
136 6, 22| wordt, dat de opbouw van het huis des Heren te Jeruzalem
137 6, 22| koning Cyrus is geschied, en het de koning onze Heer goeddunkt,
138 6, 23| Ekbatana in de stad, die in het land van Medië is, een zekere
139 6, 24| 24 In het eerste jaar als Cyrus regeerde,
140 6, 24| de koning Cyrus, dat men het huis des Heren te Jeruzalem
141 6, 25| de onkosten zou geven uit het huis Cyrus de koning.~
142 6, 26| En de heilige vaten van het huis des Heren, beide gouden
143 6, 26| Nabuchodonosor weggevoerd had uit het huis des Heren dat te Jeruzalem
144 6, 26| zou men weder brengen in het huis des Heren te Jeruzalem,
145 6, 28| daarbij bevolen, dat zij het geheel zullen opbouwen,
146 6, 28| zijn, hulp bewijze, totdat het huis des Heren voltooid
147 7, 4 | zij volbrachten die, door het bevel des Heren de God van
148 7, 5 | 5 Zo werd het heilige huis voltooid tot
149 7, 5 | drieëntwintigste dag der maand Adar, in het zesde jaar des konings Darius.~
150 7, 6 | deden volgens hetgeen in het Boek van Mozes geschreven
151 7, 8 | Israëls twaalf bokken, naar het getal der oversten van de
152 7, 9 | de God Israëls, volgens het boek van Mozes: en de deurwachters
153 7, 10| gevangenis waren, hielden het Pascha, op de veertiende
154 7, 12| 12 En zij slachtten het Pascha voor al de kinderen
155 7, 13| de gevangenis waren, aten het Pascha, namelijk al die
156 7, 13| gruwelen der volken van het land, en die de Here zochten.~
157 7, 14| 14 En zij hielden het feest der ongezuurde broden
158 8, 6 | 6 In het zevende jaar als Artaxerxes
159 8, 6 | de vijfde maand, (dit is het zevende jaar des konings)
160 8, 9 | 9 Hierbij kwam ook het schriftelijk bevel van de
161 8, 9 | de wet des Heren, waarvan het afschrift is hetgeen volgt:~
162 8, 11| dat vrijwillig begeren uit het Joodse volk, en de priesters,
163 8, 12| zij mede trekken; gelijk het mij, en mijn zeven vrienden
164 8, 14| Jeruzalem beloofd hebben; en al het goud en zilver, dat zou
165 8, 14| mogen bevonden worden in het land van Babylonië, dat
166 8, 15| is; en dat men vergadere het goud en het zilver tot stieren,
167 8, 15| men vergadere het goud en het zilver tot stieren, en rammen,
168 8, 16| Here offere offeranden op het altaar des Heren, huns Gods,
169 8, 17| broederen zult willen doen met het goud en zilver, volbrengt
170 8, 18| die u gegeven zijn tot het gebruik van de tempel uws
171 8, 23| toorn Gods niet kome over het koninkrijk des konings,
172 8, 28| mijner vaderen, die dit in het hart des konings heeft gegeven,
173 8, 31| optogen uit Babylonië, onder het rijk des konings Artaxerxes.~
174 8, 47| enigen zouden toezenden, die het priesterschap in het huis
175 8, 47| die het priesterschap in het huis onzes Gods mochten
176 8, 50| oversten gegeven hadden tot het werk der Levieten, tweehonderdentwintig
177 8, 56| 56 En ik woog hun het zilver en het goud, en de
178 8, 56| ik woog hun het zilver en het goud, en de heilige vaten
179 8, 56| en de heilige vaten van het huis onzes Heren, welke
180 8, 56| raadsheren, en de groten, en het ganse Israël gegeven hadden.~
181 8, 57| 57 En als ik het gewogen had, heb ik hun
182 8, 59| de vaten zijn heilig, en het goud, en het zilver, het
183 8, 59| heilig, en het goud, en het zilver, het zijn geloften
184 8, 59| het goud, en het zilver, het zijn geloften des Heren,
185 8, 60| Jeruzalem, in de cellen van het huis onzes Gods.~
186 8, 63| waren, zo werd de vierde dag het gewogen zilver en goud overgeleverd
187 8, 63| en goud overgeleverd in het huis des Heren, aan Marmoth,
188 8, 64| en de Levieten leverden het alles over naar het getal
189 8, 64| leverden het alles over naar het getal en gewicht;~
190 8, 65| 65 En het gehele gewicht daarvan werd
191 8, 66| Israëls, twaalf stieren, voor het ganse Israël,~
192 8, 68| Fenicië; en zij verheerlijkten het volk en de tempel des Heren.~
193 8, 69| oversten tot mij, en zeiden: Het volk Israëls, en de oversten,
194 8, 71| namelijk en hun zonen; en het heilige zaad is vermengd
195 8, 71| oversten en de groten van het begin dezer zaak deelachtig
196 8, 73| toen bewogen werden door het woord des Heren, de God
197 8, 73| misdaad, en ik zat droevig tot het avondoffer toe.~
198 8, 74| 74 En ik stond op van het vasten, hebbende de klederen
199 8, 80| een licht te ontdekken in het huis des Heren onzes Gods,
200 8, 82| Heren te verheerlijken, en het verwoeste Sion op te richten,
201 8, 84| 84 Het land waarin gij komt om
202 8, 86| gij machtig wordt en eet het goede des lands, en het
203 8, 86| het goede des lands, en het uw kinderen doet erven in
204 8, 88| hebt ons zodanige wortel in het land gegeven, en wij zijn
205 8, 92| vrouwen, en jongelingen, want het wenen was groot onder de
206 9, 4 | niet zouden komen, naar het oordeel der overste ouderlingen,
207 9, 8 | 8 Maar nu, bekent het, en geeft heerlijkheid de
208 9, 11| de menigte is groot, en het is wintertijd, en wij kunnen
209 9, 17| 17 En het is ten einde gebracht, aangaande
210 9, 37| neder te Jeruzalem, en in het land op de nieuwe maan van
211 9, 38| voor de heilige poort tegen het oosten.~
212 9, 45| 45 En Ezra nam het boek op voor de menigte,
213 9, 47| 47 En al het volk antwoordde daarop Amen!
214 9, 49| de menigte, hun stem in het lezen verheffende.~
215 9, 50| en tot de Levieten die het volk boven allen leerden:~
216 9, 52| 52 Gaat dan henen, eet het vette en drinkt het zoete,
217 9, 52| eet het vette en drinkt het zoete, en zendt geschenken
218 9, 54| 54 En de Levieten bevalen het ganse volk, zeggende: Deze
219 9, 56| zij waren onderricht in het woord, dat hun geleerd was,
|