Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
dezelve 1
dezen 3
dezer 4
die 190
dienaars 3
dienaren 1
dienden 3
Frequency    [«  »]
901 de
423 van
219 het
190 die
171 zijn
155 in
148 kinderen

Het derde boek Ezra

IntraText - Concordances

die

    Chapter, Verse
1 1, 2 | En stelde de priesters, die met lange klederen waren 2 1, 3 | hij zeide tot de Levieten, die het heilige in Israël bedienden, 3 1, 5 | uwer vaderen, de Levieten, die voor uw broederen de kinderen 4 1, 9 | en Zacharia, en Suëlus, die Oversten des tempels waren, 5 1, 15| en Zacharia, en Jeduthun, die door de koning gesteld was.~ 6 1, 17| de offerande des Heren op die dag behoorde.~ 7 1, 19| En de kinderen Israëls, die daar op die tijd gevonden 8 1, 19| kinderen Israëls, die daar op die tijd gevonden werden, hielden 9 1, 24| wat zijn zaken aanbelangt, die zijn beschreven in de vorige 10 1, 24| vorige tijden, vanwege hen, die gezondigd hebben, en goddeloosheid 11 1, 24| enig volk en koninkrijk, en die hem bedroefd hebben; en 12 1, 28| van de profeet Jeremia, die hij hem zeide uit de mond 13 1, 33| Josia in het bijzonder, die door hem zijn gedaan, en 14 1, 41| bracht ze weg, en zette die in zijn tempel te Babylon.~ 15 1, 46| over Judea en Jeruzalem; die was eenentwintig jaren oud, 16 1, 47| vreesde niet voor de woorden, die door Jeremia de profeet 17 1, 49| bevlekten de tempel des Heren, die te Jeruzalem geheiligd was.~ 18 1, 53| 53 Die doodden hun jongelingen 19 1, 54| schatkisten namen zij en voerden die naar Babylon.~ 20 1, 56| 56 En degenen, die overig waren van het zwaard, 21 2, 2 | Cyrus, de koning der Perzen, die liet uitroepen in geheel 22 2, 5 | Israël; deze is de Here, die te Jeruzalem woont.~ 23 2, 6 | Zovelen dan, als er omtrent die plaatsen wonen, en in die 24 2, 6 | die plaatsen wonen, en in die plaats zijn,~ 25 2, 7 | 7 Die zullen hem helpen, met goud 26 2, 7 | lastdieren, en met andere dingen, die men als geloften toebrengt 27 2, 7 | in de tempel des Heren, die te Jeruzalem is.~ 28 2, 9 | 9 En die rondom hen waren, hielpen 29 2, 10| heilige vaten des Heren, die Nabuchodonosor van Jeruzalem 30 2, 11| Cyrus, de koning der Perzen, die tevoorschijn gebracht hebbende, 31 2, 14| 14 Al de vaten dan, die overgebracht werden, zo 32 2, 15| Schesbatzar, met degenen, die uit de gevangenis van Babylonië 33 2, 16| schreven aan hem, tegen degenen die in Judea en te Jeruzalem 34 2, 16| schrijver, en de overigen die met hen verordineerd waren, 35 2, 17| van hun raad, en rechters, die in Celo-Syrië en Fenicië 36 2, 18| bekend gemaakt, dat de Joden, die van u tot ons wedergekeerd, 37 2, 18| zijn te Jeruzalem, een stad die afvallig en boos is, hun 38 2, 22| vinden, en verstaan, dat die stad afvallig was, en aan 39 2, 23| om welker oorzaken wil die stad ook verwoest is.~ 40 2, 25| Rathymus, de schrijver, die over de voorvallende zaken 41 2, 25| schrijver, en aan de anderen, die met hen verordineerd waren, 42 2, 26| 26 Ik heb de brief, die gij aan mij gezonden hebt, 43 2, 27| welke ook schattingen aan die van Celo-Syrië en Fenicië 44 2, 30| Samellius de schrijver en die met hen verordineerd waren 45 2, 31| 31 En begonnen degenen, die daar bouwden, te verhinderen. 46 3, 1 | maaltijd voor al degenen die onder hem stonden, en voor 47 3, 2 | en oversten der landen, die onder hem waren van Indië 48 3, 4 | zeiden de drie jongelingen, die des konings lijfwacht waren, 49 3, 6 | zal hem een wagen geven, die door paarden met gouden 50 3, 8 | eigen spreuk, en verzegelde die, en legde ze onder het oorkussen 51 3, 9 | zijn rede de wijste is, die zal de overwinning gegeven 52 3, 18| 18 En de eerste begon, die van de sterkte des wijns 53 3, 19| hij verleidt al de mensen die hem drinken;~ 54 4, 1 | begon de tweede te spreken, die gezegd had van de sterkte 55 4, 2 | niet de mensen de sterkste, die het land en de zee bemachtigen, 56 4, 3 | overtreft en overheerst die, en regeert die, en alles 57 4, 3 | overheerst die, en regeert die, en alles wat hij hun zegt, 58 4, 6 | 6 En allen die in de krijg niet gaan noch 59 4, 6 | schatting toe te brengen, daar die maar één alleen is.~ 60 4, 12| koning niet de sterkste, die men alzo gehoorzaamt? en 61 4, 13| 13 De derde, die van de vrouwen en van de 62 4, 15| 15 Wie is dan degene die over hen heerst, of die 63 4, 15| die over hen heerst, of die hen regeert? zijn het niet 64 4, 16| zelfs degenen opgevoed, die de wijngaarden planten, 65 4, 18| hebben, en een vrouw zien die schoon is van gedaante en 66 4, 20| verlaat zijn eigen vader, die hem opgevoed heeft, en zijn 67 4, 29| Bartacus, des konings bijwijf, die aan de rechterhand des konings 68 4, 30| hoofd des konings, zette die zichzelf op, en sloeg de 69 4, 35| 35 Is die niet groot die zodanige 70 4, 35| 35 Is die niet groot die zodanige dingen doet? Doch 71 4, 43| Gedenk aan uw belofte, die gij beloofd hebt, van Jeruzalem 72 4, 44| En dat gij al de vaten, die uit Jeruzalem genomen zijn, 73 4, 44| verstoren, en hij beloofde die weder derwaarts te zenden.~ 74 4, 46| deze is de heerlijkheid, die door mij van u geeist wordt. 75 4, 46| gij de belofte volbrengt, die gij de Koning des hemels 76 4, 47| zouden geleide doen, en allen die met hem opgingen om Jeruzalem 77 4, 49| schreef aan al de Joden, die uit zijn koninkrijk in Judea 78 4, 50| der Joden zouden verlaten, die zij ingenomen hadden;~ 79 4, 51| talenten zouden geven, totdat die zou voltooid zijn.~ 80 4, 53| 53 En dat al degenen, die van Babylonië zouden opgaan 81 4, 53| nakomelingen, met al de priesters die mede zouden opgaan.~ 82 4, 56| schreef, dat men allen, die de stad bewaarden, hun deel 83 4, 57| zond weder al de vaten, die Cyrus uit Babylonië afgezonderd 84 4, 60| 60 Geloofd zijt gij, die mij wijsheid gegeven hebt, 85 5, 3 | deden hen zo gezamenlijk met die optrekken.~ 86 5, 4 | zijn de namen der mannen die optrokken, naar de huizen 87 5, 6 | 6 Die onder Darius, de koning 88 5, 7 | 7 Dezen nu zijn het die uit Judea zijn opgetrokken 89 5, 8 | elk in zijn eigen stad: die met Zerubabel en Jozua kwamen 90 5, 9 | 9 Het getal nu dergenen, die van het volk waren, met 91 5, 18| Bethlomon honderddrieëntwintig; die van Nethofas vijfenvijftig; 92 5, 18| Nethofas vijfenvijftig; die van Anatoth honderdachtenvijftig; 93 5, 18| Anatoth honderdachtenvijftig; die van Bethasmon tweeënveertig.~ 94 5, 19| 19 Die van Cariathiri vijfentwintig; 95 5, 19| Cariathiri vijfentwintig; die van Cathiras en Berogh zevenhonderddrieënveertig; 96 5, 20| 20 Die van Kiramas en Gabbes zeshonderdeenentwintig; 97 5, 20| zeshonderdeenentwintig; die van Makalon honderdtweeëntwintig; 98 5, 20| Makalon honderdtweeëntwintig; die van Betolië vijfenvijftig.~ 99 5, 29| 29 Die het heiligdom dienden: de 100 5, 38| 38 En uit de priesters, die het priesterschap bedienden, 101 5, 38| de kinderen van Jaddu, die Augia tot een huisvrouw 102 5, 40| overpriester zou opstaan, die aangedaan was met openbaring 103 5, 46| priesters en Levieten, en die van dit volk waren, zetten 104 5, 47| voorhof der eerste poort, die tegen het oosten was.~ 105 5, 51| 51 Want al de volken, die op de aarde waren, versterkten 106 5, 52| feestdagen, voor degenen die geheiligd waren.~ 107 5, 53| 53 En allen, die God geloften gedaan hadden, 108 5, 56| priesters, de Levieten, en allen die uit de gevangenis te Jeruzalem 109 5, 58| En stelden de Levieten, die boven de twintig jaren waren, 110 5, 58| eendrachtig voort, bij degenen, die de werken maakten in het 111 5, 63| oversten naar hun geslachten, die ouder waren, en het huis, 112 5, 67| verstonden, dat degenen, die uit de gevangenis waren 113 5, 69| de koning van Assyrië af, die ons hier heeft overgebracht.~ 114 5, 73| land drongen op degenen die in Judea woonden, en hen 115 6, 1 | van Addo, over de Joden, die in Judea en Jeruzalem waren, 116 6, 4 | en wie zijn de bouwlieden die dit opmaken?~ 117 6, 6 | afschrift nu des briefs, die hij aan Darius heeft geschreven 118 6, 7 | Sathrabusan, en hun metgezellen die in Syrië en Fenicië oversten 119 6, 8 | dat de oudsten der Joden, die gevangen zijn geweest,~ 120 6, 12| aanschrijven welke de mannen zijn, die hierover gesteld zijn; en 121 6, 12| afgeëist de namen dergenen die hun oversten zijn.~ 122 6, 13| zijn kinderen des Heren, die de hemel en de aarde heeft 123 6, 15| vaders tegen de Here Israëls, die in de hemel is, hadden gezondigd, 124 6, 18| gouden en zilveren vaten, die Nabuchodonosor weggevoerd 125 6, 18| dat te Jeruzalem was, en die hij in zijn tempel gezet 126 6, 18| koning weder uit de tempel die te Babylon is, en werden 127 6, 19| werd bevolen, dat hij al die vaten zou wegnemen, en zetten 128 6, 20| Heren te Jeruzalem, en van die tijd af tot nu toe werd 129 6, 23| onderzoeken in de boekkassen die te Babylon zijn; en daar 130 6, 23| te Ekbatana in de stad, die in het land van Medië is, 131 6, 26| beide gouden en zilveren, die Nabuchodonosor weggevoerd 132 6, 26| naar Babylon gebracht had, die zou men weder brengen in 133 6, 27| en de andere landvoogden, die in Syrië en Fenicië waren 134 6, 27| dragen, dat zij zich van die plaats zouden onthouden; 135 6, 28| toezie, dat men de Joden, die uit de gevangenis zijn, 136 6, 30| gelijk dan de priesters, die te Jeruzalem zijn, zullen 137 7, 4 | 4 En zij volbrachten die, door het bevel des Heren 138 7, 6 | Levieten, en de anderen die uit de gevangenis daarbij 139 7, 10| En de kinderen Israëls, die uit de gevangenis waren, 140 7, 11| al de kinderen Israëls, die uit de gevangenis waren 141 7, 13| En de kinderen Israëls, die uit de gevangenis waren, 142 7, 13| het Pascha, namelijk al die afgescheiden waren van de 143 7, 13| volken van het land, en die de Here zochten.~ 144 8, 3 | zijnde in de wet van Mozes, die door de Gods Israëls was 145 8, 7 | volgens de voorspoedige reis, die hun van de Here was gegeven.~ 146 8, 8 | niets naliet der dingen die van de wet des Heren waren, 147 8, 11| heb ik bevolen, dat zij die dat vrijwillig begeren uit 148 8, 14| Israëls gaven toebrengen, die ik en mijn vrienden voor 149 8, 15| tempel des Heren, huns Gods, die te Jeruzalem is; en dat 150 8, 16| altaar des Heren, huns Gods, die te Jeruzalem is;~ 151 8, 18| heilige vaten des Heren, die u gegeven zijn tot het gebruik 152 8, 19| 19 Die zult gij geven uit des konings 153 8, 20| koning, heb bevolen aan hen, die over de schatten van Syrië 154 8, 21| hoogsten Gods zal aanschrijven, die zij hem vlijtig zullen geven,~ 155 8, 26| Syrië en Fenicië, al degenen die de wet uws Gods verstaan, 156 8, 26| Gods verstaan, leer hun, die haar niet verstaan.~ 157 8, 27| 27 En al die de wet uws Gods en des konings 158 8, 28| Here de God mijner vaderen, die dit in het hart des konings 159 8, 29| 29 En die mij heeft geëerd gemaakt 160 8, 31| verdelingen der heerschappijen, die met mij optogen uit Babylonië, 161 8, 46| tot Loddeus de overste, die daar was in de plaats der 162 8, 47| en de schatbewaarders in die plaats zouden aanzeggen, 163 8, 47| enigen zouden toezenden, die het priesterschap in het 164 8, 50| 50 En van degenen, die de tempel dienden, die David 165 8, 50| die de tempel dienden, die David en de oversten gegeven 166 8, 51| voor ons, en voor degenen die bij ons waren, namelijk 167 8, 53| Heren was voor degenen, die hem zochten in alle oprechtheid.~ 168 8, 61| deze priesters en Levieten, die dit zilver, en goud, en 169 8, 61| Jeruzalem te leveren brachten die in de tempel des Heren.~ 170 8, 62| sterke hand onzes Heren, die over ons was.~ 171 8, 66| 66 En die uit de gevangenis aangekomen 172 8, 73| mij zijn vergaderd allen die toen bewogen werden door 173 8, 83| hebben uw geboden overtreden, die gij ons gegeven hebt door 174 8, 88| 88 Want gij, Here, die onze zonden hebt verlicht, 175 8, 94| dat wij al onze vrouwen, die van vreemd geslacht zijn, 176 8, 95| goeddunken, en al degenen die de wet des Heren gehoorzaam 177 9, 3 | en Jeruzalem, aan allen die uit de gevangenis waren, 178 9, 4 | 4 En dat hun, die binnen twee of drie dagen 179 9, 5 | En zij vergaderden allen, die uit de stammen van Juda 180 9, 12| menigte staan, en al degenen die uit onze inwoners uitlandse 181 9, 15| 15 En die uit de gevangenis waren, 182 9, 17| gebracht, aangaande de mannen die uitlandse vrouwen hadden, 183 9, 18| priesters werden gevonden, die uitlandse vrouwen hadden 184 9, 37| priesters, en de Levieten, en die anderen uit Israël zetten 185 9, 39| de wet Mozes zou halen, die door de Here, de God Israëls 186 9, 41| 41 En hij las die in de grote plaats voor 187 9, 42| een houten verheven stoel, die daartoe bereid was.~ 188 9, 50| leermeester, en tot de Levieten die het volk boven allen leerden:~ 189 9, 52| zendt geschenken aan hen, die niet hebben.~ 190 9, 55| geschenken te geven aan hen die niet hadden, en zich grotelijks


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License