Chapter, Verse
1 1, 2 | En stelde de priesters, die met lange klederen waren
2 1, 3 | hij zeide tot de Levieten, die het heilige in Israël bedienden,
3 1, 5 | uwer vaderen, de Levieten, die voor uw broederen de kinderen
4 1, 9 | en Zacharia, en Suëlus, die Oversten des tempels waren,
5 1, 15| en Zacharia, en Jeduthun, die door de koning gesteld was.~
6 1, 17| de offerande des Heren op die dag behoorde.~
7 1, 19| En de kinderen Israëls, die daar op die tijd gevonden
8 1, 19| kinderen Israëls, die daar op die tijd gevonden werden, hielden
9 1, 24| wat zijn zaken aanbelangt, die zijn beschreven in de vorige
10 1, 24| vorige tijden, vanwege hen, die gezondigd hebben, en goddeloosheid
11 1, 24| enig volk en koninkrijk, en die hem bedroefd hebben; en
12 1, 28| van de profeet Jeremia, die hij hem zeide uit de mond
13 1, 33| Josia in het bijzonder, die door hem zijn gedaan, en
14 1, 41| bracht ze weg, en zette die in zijn tempel te Babylon.~
15 1, 46| over Judea en Jeruzalem; die was eenentwintig jaren oud,
16 1, 47| vreesde niet voor de woorden, die door Jeremia de profeet
17 1, 49| bevlekten de tempel des Heren, die te Jeruzalem geheiligd was.~
18 1, 53| 53 Die doodden hun jongelingen
19 1, 54| schatkisten namen zij en voerden die naar Babylon.~
20 1, 56| 56 En degenen, die overig waren van het zwaard,
21 2, 2 | Cyrus, de koning der Perzen, die liet uitroepen in geheel
22 2, 5 | Israël; deze is de Here, die te Jeruzalem woont.~
23 2, 6 | Zovelen dan, als er omtrent die plaatsen wonen, en in die
24 2, 6 | die plaatsen wonen, en in die plaats zijn,~
25 2, 7 | 7 Die zullen hem helpen, met goud
26 2, 7 | lastdieren, en met andere dingen, die men als geloften toebrengt
27 2, 7 | in de tempel des Heren, die te Jeruzalem is.~
28 2, 9 | 9 En die rondom hen waren, hielpen
29 2, 10| heilige vaten des Heren, die Nabuchodonosor van Jeruzalem
30 2, 11| Cyrus, de koning der Perzen, die tevoorschijn gebracht hebbende,
31 2, 14| 14 Al de vaten dan, die overgebracht werden, zo
32 2, 15| Schesbatzar, met degenen, die uit de gevangenis van Babylonië
33 2, 16| schreven aan hem, tegen degenen die in Judea en te Jeruzalem
34 2, 16| schrijver, en de overigen die met hen verordineerd waren,
35 2, 17| van hun raad, en rechters, die in Celo-Syrië en Fenicië
36 2, 18| bekend gemaakt, dat de Joden, die van u tot ons wedergekeerd,
37 2, 18| zijn te Jeruzalem, een stad die afvallig en boos is, hun
38 2, 22| vinden, en verstaan, dat die stad afvallig was, en aan
39 2, 23| om welker oorzaken wil die stad ook verwoest is.~
40 2, 25| Rathymus, de schrijver, die over de voorvallende zaken
41 2, 25| schrijver, en aan de anderen, die met hen verordineerd waren,
42 2, 26| 26 Ik heb de brief, die gij aan mij gezonden hebt,
43 2, 27| welke ook schattingen aan die van Celo-Syrië en Fenicië
44 2, 30| Samellius de schrijver en die met hen verordineerd waren
45 2, 31| 31 En begonnen degenen, die daar bouwden, te verhinderen.
46 3, 1 | maaltijd voor al degenen die onder hem stonden, en voor
47 3, 2 | en oversten der landen, die onder hem waren van Indië
48 3, 4 | zeiden de drie jongelingen, die des konings lijfwacht waren,
49 3, 6 | zal hem een wagen geven, die door paarden met gouden
50 3, 8 | eigen spreuk, en verzegelde die, en legde ze onder het oorkussen
51 3, 9 | zijn rede de wijste is, die zal de overwinning gegeven
52 3, 18| 18 En de eerste begon, die van de sterkte des wijns
53 3, 19| hij verleidt al de mensen die hem drinken;~
54 4, 1 | begon de tweede te spreken, die gezegd had van de sterkte
55 4, 2 | niet de mensen de sterkste, die het land en de zee bemachtigen,
56 4, 3 | overtreft en overheerst die, en regeert die, en alles
57 4, 3 | overheerst die, en regeert die, en alles wat hij hun zegt,
58 4, 6 | 6 En allen die in de krijg niet gaan noch
59 4, 6 | schatting toe te brengen, daar die maar één alleen is.~
60 4, 12| koning niet de sterkste, die men alzo gehoorzaamt? en
61 4, 13| 13 De derde, die van de vrouwen en van de
62 4, 15| 15 Wie is dan degene die over hen heerst, of die
63 4, 15| die over hen heerst, of die hen regeert? zijn het niet
64 4, 16| zelfs degenen opgevoed, die de wijngaarden planten,
65 4, 18| hebben, en een vrouw zien die schoon is van gedaante en
66 4, 20| verlaat zijn eigen vader, die hem opgevoed heeft, en zijn
67 4, 29| Bartacus, des konings bijwijf, die aan de rechterhand des konings
68 4, 30| hoofd des konings, zette die zichzelf op, en sloeg de
69 4, 35| 35 Is die niet groot die zodanige
70 4, 35| 35 Is die niet groot die zodanige dingen doet? Doch
71 4, 43| Gedenk aan uw belofte, die gij beloofd hebt, van Jeruzalem
72 4, 44| En dat gij al de vaten, die uit Jeruzalem genomen zijn,
73 4, 44| verstoren, en hij beloofde die weder derwaarts te zenden.~
74 4, 46| deze is de heerlijkheid, die door mij van u geeist wordt.
75 4, 46| gij de belofte volbrengt, die gij de Koning des hemels
76 4, 47| zouden geleide doen, en allen die met hem opgingen om Jeruzalem
77 4, 49| schreef aan al de Joden, die uit zijn koninkrijk in Judea
78 4, 50| der Joden zouden verlaten, die zij ingenomen hadden;~
79 4, 51| talenten zouden geven, totdat die zou voltooid zijn.~
80 4, 53| 53 En dat al degenen, die van Babylonië zouden opgaan
81 4, 53| nakomelingen, met al de priesters die mede zouden opgaan.~
82 4, 56| schreef, dat men allen, die de stad bewaarden, hun deel
83 4, 57| zond weder al de vaten, die Cyrus uit Babylonië afgezonderd
84 4, 60| 60 Geloofd zijt gij, die mij wijsheid gegeven hebt,
85 5, 3 | deden hen zo gezamenlijk met die optrekken.~
86 5, 4 | zijn de namen der mannen die optrokken, naar de huizen
87 5, 6 | 6 Die onder Darius, de koning
88 5, 7 | 7 Dezen nu zijn het die uit Judea zijn opgetrokken
89 5, 8 | elk in zijn eigen stad: die met Zerubabel en Jozua kwamen
90 5, 9 | 9 Het getal nu dergenen, die van het volk waren, met
91 5, 18| Bethlomon honderddrieëntwintig; die van Nethofas vijfenvijftig;
92 5, 18| Nethofas vijfenvijftig; die van Anatoth honderdachtenvijftig;
93 5, 18| Anatoth honderdachtenvijftig; die van Bethasmon tweeënveertig.~
94 5, 19| 19 Die van Cariathiri vijfentwintig;
95 5, 19| Cariathiri vijfentwintig; die van Cathiras en Berogh zevenhonderddrieënveertig;
96 5, 20| 20 Die van Kiramas en Gabbes zeshonderdeenentwintig;
97 5, 20| zeshonderdeenentwintig; die van Makalon honderdtweeëntwintig;
98 5, 20| Makalon honderdtweeëntwintig; die van Betolië vijfenvijftig.~
99 5, 29| 29 Die het heiligdom dienden: de
100 5, 38| 38 En uit de priesters, die het priesterschap bedienden,
101 5, 38| de kinderen van Jaddu, die Augia tot een huisvrouw
102 5, 40| overpriester zou opstaan, die aangedaan was met openbaring
103 5, 46| priesters en Levieten, en die van dit volk waren, zetten
104 5, 47| voorhof der eerste poort, die tegen het oosten was.~
105 5, 51| 51 Want al de volken, die op de aarde waren, versterkten
106 5, 52| feestdagen, voor degenen die geheiligd waren.~
107 5, 53| 53 En allen, die God geloften gedaan hadden,
108 5, 56| priesters, de Levieten, en allen die uit de gevangenis te Jeruzalem
109 5, 58| En stelden de Levieten, die boven de twintig jaren waren,
110 5, 58| eendrachtig voort, bij degenen, die de werken maakten in het
111 5, 63| oversten naar hun geslachten, die ouder waren, en het huis,
112 5, 67| verstonden, dat degenen, die uit de gevangenis waren
113 5, 69| de koning van Assyrië af, die ons hier heeft overgebracht.~
114 5, 73| land drongen op degenen die in Judea woonden, en hen
115 6, 1 | van Addo, over de Joden, die in Judea en Jeruzalem waren,
116 6, 4 | en wie zijn de bouwlieden die dit opmaken?~
117 6, 6 | afschrift nu des briefs, die hij aan Darius heeft geschreven
118 6, 7 | Sathrabusan, en hun metgezellen die in Syrië en Fenicië oversten
119 6, 8 | dat de oudsten der Joden, die gevangen zijn geweest,~
120 6, 12| aanschrijven welke de mannen zijn, die hierover gesteld zijn; en
121 6, 12| afgeëist de namen dergenen die hun oversten zijn.~
122 6, 13| zijn kinderen des Heren, die de hemel en de aarde heeft
123 6, 15| vaders tegen de Here Israëls, die in de hemel is, hadden gezondigd,
124 6, 18| gouden en zilveren vaten, die Nabuchodonosor weggevoerd
125 6, 18| dat te Jeruzalem was, en die hij in zijn tempel gezet
126 6, 18| koning weder uit de tempel die te Babylon is, en werden
127 6, 19| werd bevolen, dat hij al die vaten zou wegnemen, en zetten
128 6, 20| Heren te Jeruzalem, en van die tijd af tot nu toe werd
129 6, 23| onderzoeken in de boekkassen die te Babylon zijn; en daar
130 6, 23| te Ekbatana in de stad, die in het land van Medië is,
131 6, 26| beide gouden en zilveren, die Nabuchodonosor weggevoerd
132 6, 26| naar Babylon gebracht had, die zou men weder brengen in
133 6, 27| en de andere landvoogden, die in Syrië en Fenicië waren
134 6, 27| dragen, dat zij zich van die plaats zouden onthouden;
135 6, 28| toezie, dat men de Joden, die uit de gevangenis zijn,
136 6, 30| gelijk dan de priesters, die te Jeruzalem zijn, zullen
137 7, 4 | 4 En zij volbrachten die, door het bevel des Heren
138 7, 6 | Levieten, en de anderen die uit de gevangenis daarbij
139 7, 10| En de kinderen Israëls, die uit de gevangenis waren,
140 7, 11| al de kinderen Israëls, die uit de gevangenis waren
141 7, 13| En de kinderen Israëls, die uit de gevangenis waren,
142 7, 13| het Pascha, namelijk al die afgescheiden waren van de
143 7, 13| volken van het land, en die de Here zochten.~
144 8, 3 | zijnde in de wet van Mozes, die door de Gods Israëls was
145 8, 7 | volgens de voorspoedige reis, die hun van de Here was gegeven.~
146 8, 8 | niets naliet der dingen die van de wet des Heren waren,
147 8, 11| heb ik bevolen, dat zij die dat vrijwillig begeren uit
148 8, 14| Israëls gaven toebrengen, die ik en mijn vrienden voor
149 8, 15| tempel des Heren, huns Gods, die te Jeruzalem is; en dat
150 8, 16| altaar des Heren, huns Gods, die te Jeruzalem is;~
151 8, 18| heilige vaten des Heren, die u gegeven zijn tot het gebruik
152 8, 19| 19 Die zult gij geven uit des konings
153 8, 20| koning, heb bevolen aan hen, die over de schatten van Syrië
154 8, 21| hoogsten Gods zal aanschrijven, die zij hem vlijtig zullen geven,~
155 8, 26| Syrië en Fenicië, al degenen die de wet uws Gods verstaan,
156 8, 26| Gods verstaan, leer hun, die haar niet verstaan.~
157 8, 27| 27 En al die de wet uws Gods en des konings
158 8, 28| Here de God mijner vaderen, die dit in het hart des konings
159 8, 29| 29 En die mij heeft geëerd gemaakt
160 8, 31| verdelingen der heerschappijen, die met mij optogen uit Babylonië,
161 8, 46| tot Loddeus de overste, die daar was in de plaats der
162 8, 47| en de schatbewaarders in die plaats zouden aanzeggen,
163 8, 47| enigen zouden toezenden, die het priesterschap in het
164 8, 50| 50 En van degenen, die de tempel dienden, die David
165 8, 50| die de tempel dienden, die David en de oversten gegeven
166 8, 51| voor ons, en voor degenen die bij ons waren, namelijk
167 8, 53| Heren was voor degenen, die hem zochten in alle oprechtheid.~
168 8, 61| deze priesters en Levieten, die dit zilver, en goud, en
169 8, 61| Jeruzalem te leveren brachten die in de tempel des Heren.~
170 8, 62| sterke hand onzes Heren, die over ons was.~
171 8, 66| 66 En die uit de gevangenis aangekomen
172 8, 73| mij zijn vergaderd allen die toen bewogen werden door
173 8, 83| hebben uw geboden overtreden, die gij ons gegeven hebt door
174 8, 88| 88 Want gij, Here, die onze zonden hebt verlicht,
175 8, 94| dat wij al onze vrouwen, die van vreemd geslacht zijn,
176 8, 95| goeddunken, en al degenen die de wet des Heren gehoorzaam
177 9, 3 | en Jeruzalem, aan allen die uit de gevangenis waren,
178 9, 4 | 4 En dat hun, die binnen twee of drie dagen
179 9, 5 | En zij vergaderden allen, die uit de stammen van Juda
180 9, 12| menigte staan, en al degenen die uit onze inwoners uitlandse
181 9, 15| 15 En die uit de gevangenis waren,
182 9, 17| gebracht, aangaande de mannen die uitlandse vrouwen hadden,
183 9, 18| priesters werden gevonden, die uitlandse vrouwen hadden
184 9, 37| priesters, en de Levieten, en die anderen uit Israël zetten
185 9, 39| de wet Mozes zou halen, die door de Here, de God Israëls
186 9, 41| 41 En hij las die in de grote plaats voor
187 9, 42| een houten verheven stoel, die daartoe bereid was.~
188 9, 50| leermeester, en tot de Levieten die het volk boven allen leerden:~
189 9, 52| zendt geschenken aan hen, die niet hebben.~
190 9, 55| geschenken te geven aan hen die niet hadden, en zich grotelijks
|