Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
ziet 1
zij 145
zijde 1
zijn 171
zijnde 8
zijner 1
zijns 1
Frequency    [«  »]
423 van
219 het
190 die
171 zijn
155 in
148 kinderen
145 zij

Het derde boek Ezra

IntraText - Concordances

zijn

    Chapter, Verse
1 1, 1 | 1 EN Josia hield zijn Here het Pascha te Jeruzalem, 2 1, 4 | en hebt acht op Israël zijn volk, en bereidt alles naar 3 1, 5 | heerlijke instelling Salomo's, zijn zoon; en staat in het heiligdom 4 1, 8 | goederen des konings, volgens zijn belofte, aan het volk en 5 1, 9 | en Semea, en Nathanaël zijn broeder, en Hasabia en Ochiël 6 1, 16| deur; en niemand mocht van zijn dagorde aftreden. Want hun 7 1, 21| hetwelk bevonden was in zijn woning te Jeruzalem.~ 8 1, 23| 23 En de werken van Josia zijn gericht geworden voor de 9 1, 24| 24 En wat zijn zaken aanbelangt, die zijn 10 1, 24| zijn zaken aanbelangt, die zijn beschreven in de vorige 11 1, 24| en de woorden des Heren zijn opgestaan tegen Israël.~ 12 1, 28| 28 En Josia keerde zijn wagen van hem niet af; maar 13 1, 30| 30 En de koning zeide tot zijn knechten: Voert mij af uit 14 1, 30| want ik ben zeer zwak. En zijn knechten voerden hem terstond 15 1, 31| 31 En hij klom op zijn tweede wagen, en als hij 16 1, 31| af, en werd begraven in zijn vaderlijk graf.~ 17 1, 33| 33 Deze dingen nu zijn beschreven in het boek van 18 1, 33| bijzonder, die door hem zijn gedaan, en van zijn heerlijkheid, 19 1, 33| hem zijn gedaan, en van zijn heerlijkheid, en van zijn 20 1, 33| zijn heerlijkheid, en van zijn wetenschap in de wet des 21 1, 34| tot koning in plaats van zijn vader, toen hij drieëntwintig 22 1, 35| Jeruzalem geen koning zou zijn.~ 23 1, 37| koning van Egypte stelde zijn broeder Jojakim tot koning 24 1, 38| de groten aan zich; maar zijn broeder Saracus nam hij, 25 1, 41| ze weg, en zette die in zijn tempel te Babylon.~ 26 1, 42| verhaal nu van hem, en van zijn onreinheid en goddeloosheid 27 1, 43| 43 En Joakim zijn zoon, werd koning in zijn 28 1, 43| zijn zoon, werd koning in zijn plaats, en hij was achttien 29 1, 48| hem af, en hij verhardde zijn nek, en zijn hart, en overtrad 30 1, 48| hij verhardde zijn nek, en zijn hart, en overtrad de inzettingen 31 1, 50| vaderen zond tot hen, door zijn boden om hen tot bekering 32 1, 50| hij hen zou verschonen, en zijn woning.~ 33 1, 51| 51 Doch zij bespotten zijn boden, en op de dag dat 34 1, 51| hen sprak, belachten zij zijn profeten.~ 35 1, 52| hij vertoornd zijnde over zijn volk vanwege hun goddeloosheid, 36 1, 57| 57 En zij waren zijn en zijner kinderen dienstknechten, 37 1, 58| 58 Totdat het land aan zijn Sabbatten een welbehagen 38 1, 58| welbehagen had, en al de tijd van zijn verwoesting gerust had, 39 2, 2 | liet uitroepen in geheel zijn koninkrijk, en mede door 40 2, 5 | dan iemand van u is uit zijn volk, de Here zij met hem, 41 2, 6 | wonen, en in die plaats zijn,~ 42 2, 10| Jeruzalem weggevoerd, en in zijn afgoden-tempel gezet had.~ 43 2, 11| deze over aan Mithridates, zijn schatmeester;~ 44 2, 14| zo gouden als zilveren, zijn vijfduizend, vierhonderdennegenenzestig.~ 45 2, 15| 15 En deze zijn wedergebracht door Schesbatzar, 46 2, 17| in Celo-Syrië en Fenicië zijn;~ 47 2, 18| wedergekeerd, en aangekomen zijn te Jeruzalem, een stad die 48 2, 27| lieden afvallig geweest zijn, en oorlogen daarin gevoerd 49 3, 1 | hem stonden, en voor al zijn huisgenoten, en voor al 50 3, 2 | 2 En voor al zijn vorsten, en krijgsoversten, 51 3, 3 | koning, keerde weder in zijn slaapkamer, en viel in slaap, 52 3, 6 | fijne zijde, en een keten om zijn hals;~ 53 3, 7 | naast Darius zitten vanwege zijn wijsheid, en zal een bloedvriend 54 3, 8 | 8 Toen schreef een ieder zijn eigen spreuk, en verzegelde 55 3, 9 | de koning zal opgestaan zijn, zo zullen zij hem het geschrift 56 3, 9 | Perzië zullen oordelen, dat zijn rede de wijste is, die zal 57 3, 12| derde schreef: De vrouwen zijn de sterkste, maar boven 58 3, 15| hij zette zich neder in zijn Raad, en het geschrift werd 59 3, 23| zij niet om vriendelijk te zijn de vrienden en broeders, 60 3, 24| zij van de wijn opgestaan zijn, zo gedenken zij niet wat 61 4, 2 | 2 O mannen, zijn niet de mensen de sterkste, 62 4, 10| 10 En al zijn volk, en zijn heerlegers 63 4, 10| 10 En al zijn volk, en zijn heerlegers zijn hem gehoorzaam.~ 64 4, 10| volk, en zijn heerlegers zijn hem gehoorzaam.~ 65 4, 11| niemand durft weggaan, noch zijn eigen werken doen, en zijn 66 4, 11| zijn eigen werken doen, en zijn hem niet ongehoorzaam.~ 67 4, 15| heerst, of die hen regeert? zijn het niet de vrouwen? De 68 4, 17| kunnen zonder de vrouwen niet zijn.~ 69 4, 20| 20 Een mens verlaat zijn eigen vader, die hem opgevoed 70 4, 20| die hem opgevoed heeft, en zijn eigen land, en hangt zijn 71 4, 20| zijn eigen land, en hangt zijn eigen vrouw aan.~ 72 4, 21| En bij de vrouw laat hij zijn leven; en gedenkt noch zijn 73 4, 21| zijn leven; en gedenkt noch zijn vader, noch zijn moeder, 74 4, 21| gedenkt noch zijn vader, noch zijn moeder, noch zijn land.~ 75 4, 21| noch zijn moeder, noch zijn land.~ 76 4, 23| vrouw? Ja een man neemt zijn zwaard, en gaat heen op 77 4, 24| heeft, zo brengt hij dat tot zijn beminde.~ 78 4, 25| 25 En een man heeft zijn eigen vrouw liever dan zijn 79 4, 25| zijn eigen vrouw liever dan zijn vader en zijn moeder.~ 80 4, 25| liever dan zijn vader en zijn moeder.~ 81 4, 26| 26 En velen zijn van hun zinnen beroofd om 82 4, 26| beroofd om der vrouwen wil, en zijn om harentwil tot slaven 83 4, 27| 27 En velen zijn omgekomen, en zijn verworgd 84 4, 27| velen zijn omgekomen, en zijn verworgd geworden, en hebben 85 4, 28| de koning niet groot in zijn macht? en vrezen niet alle 86 4, 32| 32 O mannen, hoe zijn dan de vrouwen niet sterk, 87 4, 34| 34 O mannen, zijn niet de vrouwen sterk! Groot 88 4, 37| alle zodanige hun werken zijn onrecht; en daar is in hen 89 4, 44| die uit Jeruzalem genomen zijn, terug zoudt zenden, welke 90 4, 49| aan al de Joden, die uit zijn koninkrijk in Judea opgingen 91 4, 50| hen zonder schatting zou zijn: en dat de Idumeeërs de 92 4, 51| totdat die zou voltooid zijn.~ 93 4, 55| en Jeruzalem zou herbouwd zijn.~ 94 4, 58| jongeling uitging, verhief hij zijn aangezicht naar de hemel 95 4, 61| en hij verkondigde dit al zijn broederen.~ 96 4, 63| bouwen en de tempel waarover zijn naam aangeroepen werd. En 97 5, 4 | 4 Dit nu zijn de namen der mannen die 98 5, 7 | 7 Dezen nu zijn het die uit Judea zijn opgetrokken 99 5, 7 | nu zijn het die uit Judea zijn opgetrokken uit de gevangenis 100 5, 8 | 8 En zij zijn weder gekeerd naar Jeruzalem, 101 5, 8 | delen van Judea, elk in zijn eigen stad: die met Zerubabel 102 5, 38| dochteren Faëzeldeüs, en naar zijn naam is genoemd.~ 103 5, 39| en niet gevonden werd, zo zijn zij van het bedienen des 104 5, 44| huis Gods op te richten in zijn plaats, naar hun vermogen.~ 105 5, 47| in hun woning waren, zo zijn zij eendrachtig vergaderd 106 5, 48| de zoon van Josedek, en zijn broeders de priesters, met 107 5, 48| de zoon van Sealthiël en zijn broeders stonden op.~ 108 5, 50| richtten het altaar op, in zijn plaats, hoewel enigen uit 109 5, 58| Heren; en Jozua stond met zijn zonen en broederen, en Kadmiël 110 5, 58| en broederen, en Kadmiël zijn broeder, en de zonen van 111 5, 61| gezangen, lovende de Here, dat zijn goedheid en zijn heerlijkheid 112 5, 61| Here, dat zijn goedheid en zijn heerlijkheid is tot in der 113 6, 4 | dingen te voltooien, en wie zijn de bouwlieden die dit opmaken?~ 114 6, 7 | Syrië en Fenicië oversten zijn, wensen Darius de koning 115 6, 8 | der Joden, die gevangen zijn geweest,~ 116 6, 12| aanschrijven welke de mannen zijn, die hierover gesteld zijn; 117 6, 12| zijn, die hierover gesteld zijn; en wij hebben hun ook schriftelijk 118 6, 12| dergenen die hun oversten zijn.~ 119 6, 13| geantwoord en gezegd: Wij zijn kinderen des Heren, die 120 6, 18| Jeruzalem was, en die hij in zijn tempel gezet had, deze nam 121 6, 19| Heren zou gebouwd worden op zijn plaats.~ 122 6, 20| het gebouwd, en heeft nog zijn voltooiing niet gekregen.~ 123 6, 23| boekkassen die te Babylon zijn; en daar is bevonden, te 124 6, 25| Van hetwelk de hoogte zou zijn zestig ellen, en de breedte 125 6, 27| zouden laten bouwen, op zijn plaats.~ 126 6, 28| Joden, die uit de gevangenis zijn, hulp bewijze, totdat het 127 6, 30| priesters, die te Jeruzalem zijn, zullen verklaren dat dagelijks 128 6, 31| God, voor de koning, en zijn kinderen; en dat zij bidden 129 6, 32| men een balk zal nemen van zijn eigen huis en hem daaraan 130 6, 32| daaraan zal hangen, en dat zijn goederen aan de koning zullen 131 6, 32| koning zullen vervallen zijn.~ 132 6, 33| ieder koning en volk, welke zijn hand zal uitsteken, om te 133 7, 1 | 1 TOEN zijn Sisinnes de ondervoogd in 134 8, 12| velen als er dan begerig zijn, dat zij mede trekken; gelijk 135 8, 18| des Heren, die u gegeven zijn tot het gebruik van de tempel 136 8, 20| schatten van Syrië en Fenicië zijn gesteld,~ 137 8, 23| koninkrijk des konings, en zijn zonen.~ 138 8, 28| heeft gegeven, opdat hij zijn huis, dat te Jeruzalem is, 139 8, 29| gemaakt voor de koning en zijn raadsheren, en al zijn vrienden, 140 8, 29| en zijn raadsheren, en al zijn vrienden, en zijn groten.~ 141 8, 29| en al zijn vrienden, en zijn groten.~ 142 8, 31| 31 En deze zijn de oversten naar hun vaderlijke 143 8, 33| Foros: Zacharia, en met hem zijn aangetekend honderdenvijftig 144 8, 42| Adonikam, de laatsten, en deze zijn hun namen: Elifala, de zoon 145 8, 47| bevelende, dat zij Loddo en zijn broederen, en de schatbewaarders 146 8, 48| Israël, namelijk Asebebia en zijn zonen, en zijn broederen, 147 8, 48| Asebebia en zijn zonen, en zijn broederen, zijnde achttien;~ 148 8, 49| Asebia, en Annu, en Hosea zijn broeder, uit de kinderen 149 8, 50| tempels, dezer aller namen zijn schriftelijk aangetekend.~ 150 8, 56| Heren, welke de koning, en zijn raadsheren, en de groten, 151 8, 59| Here heilig, en de vaten zijn heilig, en het goud, en 152 8, 59| goud, en het zilver, het zijn geloften des Heren, namelijk 153 8, 62| maand, totdat wij gekomen zijn te Jeruzalem, naar de sterke 154 8, 71| lands; en aan deze zonde zijn de oversten en de groten 155 8, 73| 73 En tot mij zijn vergaderd allen die toen 156 8, 76| 76 Want onze zonden zijn vermenigvuldigd boven onze 157 8, 76| hoofden, en onze misdaden zijn verhoogd tot de hemel toe, 158 8, 77| 77 En wij zijn in grote zonde tot deze 159 8, 78| de zonden onzer vaderen. zijn wij met onze broederen en 160 8, 81| toen wij knechten waren, zo zijn wij niet verlaten door de 161 8, 88| het land gegeven, en wij zijn weder achterwaarts gekeerd, 162 8, 88| overtreden, zodat wij vermengd zijn met de onreinheid van de 163 8, 89| over ons niet vertoornd zijn totdat gij ons uitgeroeid 164 8, 90| gij zijt waarachtig; wij zijn tot een wortel overgelaten 165 8, 91| 91 Zie, wij zijn nu voor u in onze misdaden: 166 8, 94| die van vreemd geslacht zijn, met haar kinderen zullen 167 8, 95| wet des Heren gehoorzaam zijn; sta op, en doe alzo.~ 168 8, 96| komt deze zaak toe, en wij zijn met u om de kracht daarbij 169 9, 9 | 9 En doet zijn wil, en scheidt u van de 170 9, 19| de zoon van Josedek en zijn broederen, Nathelas, en 171 9, 55| te drinken, en vrolijk te zijn, en om geschenken te geven


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License