Chapter, Verse
1 1, 1 | 1 EN Josia hield zijn Here het Pascha te Jeruzalem,
2 1, 4 | en hebt acht op Israël zijn volk, en bereidt alles naar
3 1, 5 | heerlijke instelling Salomo's, zijn zoon; en staat in het heiligdom
4 1, 8 | goederen des konings, volgens zijn belofte, aan het volk en
5 1, 9 | en Semea, en Nathanaël zijn broeder, en Hasabia en Ochiël
6 1, 16| deur; en niemand mocht van zijn dagorde aftreden. Want hun
7 1, 21| hetwelk bevonden was in zijn woning te Jeruzalem.~
8 1, 23| 23 En de werken van Josia zijn gericht geworden voor de
9 1, 24| 24 En wat zijn zaken aanbelangt, die zijn
10 1, 24| zijn zaken aanbelangt, die zijn beschreven in de vorige
11 1, 24| en de woorden des Heren zijn opgestaan tegen Israël.~
12 1, 28| 28 En Josia keerde zijn wagen van hem niet af; maar
13 1, 30| 30 En de koning zeide tot zijn knechten: Voert mij af uit
14 1, 30| want ik ben zeer zwak. En zijn knechten voerden hem terstond
15 1, 31| 31 En hij klom op zijn tweede wagen, en als hij
16 1, 31| af, en werd begraven in zijn vaderlijk graf.~
17 1, 33| 33 Deze dingen nu zijn beschreven in het boek van
18 1, 33| bijzonder, die door hem zijn gedaan, en van zijn heerlijkheid,
19 1, 33| hem zijn gedaan, en van zijn heerlijkheid, en van zijn
20 1, 33| zijn heerlijkheid, en van zijn wetenschap in de wet des
21 1, 34| tot koning in plaats van zijn vader, toen hij drieëntwintig
22 1, 35| Jeruzalem geen koning zou zijn.~
23 1, 37| koning van Egypte stelde zijn broeder Jojakim tot koning
24 1, 38| de groten aan zich; maar zijn broeder Saracus nam hij,
25 1, 41| ze weg, en zette die in zijn tempel te Babylon.~
26 1, 42| verhaal nu van hem, en van zijn onreinheid en goddeloosheid
27 1, 43| 43 En Joakim zijn zoon, werd koning in zijn
28 1, 43| zijn zoon, werd koning in zijn plaats, en hij was achttien
29 1, 48| hem af, en hij verhardde zijn nek, en zijn hart, en overtrad
30 1, 48| hij verhardde zijn nek, en zijn hart, en overtrad de inzettingen
31 1, 50| vaderen zond tot hen, door zijn boden om hen tot bekering
32 1, 50| hij hen zou verschonen, en zijn woning.~
33 1, 51| 51 Doch zij bespotten zijn boden, en op de dag dat
34 1, 51| hen sprak, belachten zij zijn profeten.~
35 1, 52| hij vertoornd zijnde over zijn volk vanwege hun goddeloosheid,
36 1, 57| 57 En zij waren zijn en zijner kinderen dienstknechten,
37 1, 58| 58 Totdat het land aan zijn Sabbatten een welbehagen
38 1, 58| welbehagen had, en al de tijd van zijn verwoesting gerust had,
39 2, 2 | liet uitroepen in geheel zijn koninkrijk, en mede door
40 2, 5 | dan iemand van u is uit zijn volk, de Here zij met hem,
41 2, 6 | wonen, en in die plaats zijn,~
42 2, 10| Jeruzalem weggevoerd, en in zijn afgoden-tempel gezet had.~
43 2, 11| deze over aan Mithridates, zijn schatmeester;~
44 2, 14| zo gouden als zilveren, zijn vijfduizend, vierhonderdennegenenzestig.~
45 2, 15| 15 En deze zijn wedergebracht door Schesbatzar,
46 2, 17| in Celo-Syrië en Fenicië zijn;~
47 2, 18| wedergekeerd, en aangekomen zijn te Jeruzalem, een stad die
48 2, 27| lieden afvallig geweest zijn, en oorlogen daarin gevoerd
49 3, 1 | hem stonden, en voor al zijn huisgenoten, en voor al
50 3, 2 | 2 En voor al zijn vorsten, en krijgsoversten,
51 3, 3 | koning, keerde weder in zijn slaapkamer, en viel in slaap,
52 3, 6 | fijne zijde, en een keten om zijn hals;~
53 3, 7 | naast Darius zitten vanwege zijn wijsheid, en zal een bloedvriend
54 3, 8 | 8 Toen schreef een ieder zijn eigen spreuk, en verzegelde
55 3, 9 | de koning zal opgestaan zijn, zo zullen zij hem het geschrift
56 3, 9 | Perzië zullen oordelen, dat zijn rede de wijste is, die zal
57 3, 12| derde schreef: De vrouwen zijn de sterkste, maar boven
58 3, 15| hij zette zich neder in zijn Raad, en het geschrift werd
59 3, 23| zij niet om vriendelijk te zijn de vrienden en broeders,
60 3, 24| zij van de wijn opgestaan zijn, zo gedenken zij niet wat
61 4, 2 | 2 O mannen, zijn niet de mensen de sterkste,
62 4, 10| 10 En al zijn volk, en zijn heerlegers
63 4, 10| 10 En al zijn volk, en zijn heerlegers zijn hem gehoorzaam.~
64 4, 10| volk, en zijn heerlegers zijn hem gehoorzaam.~
65 4, 11| niemand durft weggaan, noch zijn eigen werken doen, en zijn
66 4, 11| zijn eigen werken doen, en zijn hem niet ongehoorzaam.~
67 4, 15| heerst, of die hen regeert? zijn het niet de vrouwen? De
68 4, 17| kunnen zonder de vrouwen niet zijn.~
69 4, 20| 20 Een mens verlaat zijn eigen vader, die hem opgevoed
70 4, 20| die hem opgevoed heeft, en zijn eigen land, en hangt zijn
71 4, 20| zijn eigen land, en hangt zijn eigen vrouw aan.~
72 4, 21| En bij de vrouw laat hij zijn leven; en gedenkt noch zijn
73 4, 21| zijn leven; en gedenkt noch zijn vader, noch zijn moeder,
74 4, 21| gedenkt noch zijn vader, noch zijn moeder, noch zijn land.~
75 4, 21| noch zijn moeder, noch zijn land.~
76 4, 23| vrouw? Ja een man neemt zijn zwaard, en gaat heen op
77 4, 24| heeft, zo brengt hij dat tot zijn beminde.~
78 4, 25| 25 En een man heeft zijn eigen vrouw liever dan zijn
79 4, 25| zijn eigen vrouw liever dan zijn vader en zijn moeder.~
80 4, 25| liever dan zijn vader en zijn moeder.~
81 4, 26| 26 En velen zijn van hun zinnen beroofd om
82 4, 26| beroofd om der vrouwen wil, en zijn om harentwil tot slaven
83 4, 27| 27 En velen zijn omgekomen, en zijn verworgd
84 4, 27| velen zijn omgekomen, en zijn verworgd geworden, en hebben
85 4, 28| de koning niet groot in zijn macht? en vrezen niet alle
86 4, 32| 32 O mannen, hoe zijn dan de vrouwen niet sterk,
87 4, 34| 34 O mannen, zijn niet de vrouwen sterk! Groot
88 4, 37| alle zodanige hun werken zijn onrecht; en daar is in hen
89 4, 44| die uit Jeruzalem genomen zijn, terug zoudt zenden, welke
90 4, 49| aan al de Joden, die uit zijn koninkrijk in Judea opgingen
91 4, 50| hen zonder schatting zou zijn: en dat de Idumeeërs de
92 4, 51| totdat die zou voltooid zijn.~
93 4, 55| en Jeruzalem zou herbouwd zijn.~
94 4, 58| jongeling uitging, verhief hij zijn aangezicht naar de hemel
95 4, 61| en hij verkondigde dit al zijn broederen.~
96 4, 63| bouwen en de tempel waarover zijn naam aangeroepen werd. En
97 5, 4 | 4 Dit nu zijn de namen der mannen die
98 5, 7 | 7 Dezen nu zijn het die uit Judea zijn opgetrokken
99 5, 7 | nu zijn het die uit Judea zijn opgetrokken uit de gevangenis
100 5, 8 | 8 En zij zijn weder gekeerd naar Jeruzalem,
101 5, 8 | delen van Judea, elk in zijn eigen stad: die met Zerubabel
102 5, 38| dochteren Faëzeldeüs, en naar zijn naam is genoemd.~
103 5, 39| en niet gevonden werd, zo zijn zij van het bedienen des
104 5, 44| huis Gods op te richten in zijn plaats, naar hun vermogen.~
105 5, 47| in hun woning waren, zo zijn zij eendrachtig vergaderd
106 5, 48| de zoon van Josedek, en zijn broeders de priesters, met
107 5, 48| de zoon van Sealthiël en zijn broeders stonden op.~
108 5, 50| richtten het altaar op, in zijn plaats, hoewel enigen uit
109 5, 58| Heren; en Jozua stond met zijn zonen en broederen, en Kadmiël
110 5, 58| en broederen, en Kadmiël zijn broeder, en de zonen van
111 5, 61| gezangen, lovende de Here, dat zijn goedheid en zijn heerlijkheid
112 5, 61| Here, dat zijn goedheid en zijn heerlijkheid is tot in der
113 6, 4 | dingen te voltooien, en wie zijn de bouwlieden die dit opmaken?~
114 6, 7 | Syrië en Fenicië oversten zijn, wensen Darius de koning
115 6, 8 | der Joden, die gevangen zijn geweest,~
116 6, 12| aanschrijven welke de mannen zijn, die hierover gesteld zijn;
117 6, 12| zijn, die hierover gesteld zijn; en wij hebben hun ook schriftelijk
118 6, 12| dergenen die hun oversten zijn.~
119 6, 13| geantwoord en gezegd: Wij zijn kinderen des Heren, die
120 6, 18| Jeruzalem was, en die hij in zijn tempel gezet had, deze nam
121 6, 19| Heren zou gebouwd worden op zijn plaats.~
122 6, 20| het gebouwd, en heeft nog zijn voltooiing niet gekregen.~
123 6, 23| boekkassen die te Babylon zijn; en daar is bevonden, te
124 6, 25| Van hetwelk de hoogte zou zijn zestig ellen, en de breedte
125 6, 27| zouden laten bouwen, op zijn plaats.~
126 6, 28| Joden, die uit de gevangenis zijn, hulp bewijze, totdat het
127 6, 30| priesters, die te Jeruzalem zijn, zullen verklaren dat dagelijks
128 6, 31| God, voor de koning, en zijn kinderen; en dat zij bidden
129 6, 32| men een balk zal nemen van zijn eigen huis en hem daaraan
130 6, 32| daaraan zal hangen, en dat zijn goederen aan de koning zullen
131 6, 32| koning zullen vervallen zijn.~
132 6, 33| ieder koning en volk, welke zijn hand zal uitsteken, om te
133 7, 1 | 1 TOEN zijn Sisinnes de ondervoogd in
134 8, 12| velen als er dan begerig zijn, dat zij mede trekken; gelijk
135 8, 18| des Heren, die u gegeven zijn tot het gebruik van de tempel
136 8, 20| schatten van Syrië en Fenicië zijn gesteld,~
137 8, 23| koninkrijk des konings, en zijn zonen.~
138 8, 28| heeft gegeven, opdat hij zijn huis, dat te Jeruzalem is,
139 8, 29| gemaakt voor de koning en zijn raadsheren, en al zijn vrienden,
140 8, 29| en zijn raadsheren, en al zijn vrienden, en zijn groten.~
141 8, 29| en al zijn vrienden, en zijn groten.~
142 8, 31| 31 En deze zijn de oversten naar hun vaderlijke
143 8, 33| Foros: Zacharia, en met hem zijn aangetekend honderdenvijftig
144 8, 42| Adonikam, de laatsten, en deze zijn hun namen: Elifala, de zoon
145 8, 47| bevelende, dat zij Loddo en zijn broederen, en de schatbewaarders
146 8, 48| Israël, namelijk Asebebia en zijn zonen, en zijn broederen,
147 8, 48| Asebebia en zijn zonen, en zijn broederen, zijnde achttien;~
148 8, 49| Asebia, en Annu, en Hosea zijn broeder, uit de kinderen
149 8, 50| tempels, dezer aller namen zijn schriftelijk aangetekend.~
150 8, 56| Heren, welke de koning, en zijn raadsheren, en de groten,
151 8, 59| Here heilig, en de vaten zijn heilig, en het goud, en
152 8, 59| goud, en het zilver, het zijn geloften des Heren, namelijk
153 8, 62| maand, totdat wij gekomen zijn te Jeruzalem, naar de sterke
154 8, 71| lands; en aan deze zonde zijn de oversten en de groten
155 8, 73| 73 En tot mij zijn vergaderd allen die toen
156 8, 76| 76 Want onze zonden zijn vermenigvuldigd boven onze
157 8, 76| hoofden, en onze misdaden zijn verhoogd tot de hemel toe,
158 8, 77| 77 En wij zijn in grote zonde tot deze
159 8, 78| de zonden onzer vaderen. zijn wij met onze broederen en
160 8, 81| toen wij knechten waren, zo zijn wij niet verlaten door de
161 8, 88| het land gegeven, en wij zijn weder achterwaarts gekeerd,
162 8, 88| overtreden, zodat wij vermengd zijn met de onreinheid van de
163 8, 89| over ons niet vertoornd zijn totdat gij ons uitgeroeid
164 8, 90| gij zijt waarachtig; wij zijn tot een wortel overgelaten
165 8, 91| 91 Zie, wij zijn nu voor u in onze misdaden:
166 8, 94| die van vreemd geslacht zijn, met haar kinderen zullen
167 8, 95| wet des Heren gehoorzaam zijn; sta op, en doe alzo.~
168 8, 96| komt deze zaak toe, en wij zijn met u om de kracht daarbij
169 9, 9 | 9 En doet zijn wil, en scheidt u van de
170 9, 19| de zoon van Josedek en zijn broederen, Nathelas, en
171 9, 55| te drinken, en vrolijk te zijn, en om geschenken te geven
|