Chapter, Verse
1 1, 2 | aangedaan, naar hun dagordening in de tempel des Heren.~
2 1, 3 | Levieten, die het heilige in Israël bedienden, dat zij
3 1, 3 | ark des Heren te zetten in het huis, dat de koning
4 1, 5 | Salomo's, zijn zoon; en staat in het heiligdom naar de verdeling
5 1, 11| offeren, volgens hetgeen in het boek van Mozes geschreven
6 1, 12| en offeranden kookten zij in koperen ketels en potten,
7 1, 15| de kinderen Asafs, waren in hun ordening, volgens hetgeen
8 1, 20| zodanig Pascha niet gehouden in Israël, van de tijden van
9 1, 21| Israël, hetwelk bevonden was in zijn woning te Jeruzalem.~
10 1, 22| 22 In het achttiende jaar des
11 1, 24| aanbelangt, die zijn beschreven in de vorige tijden, vanwege
12 1, 29| om te strijden tegen hem in het veld Megiddo, en de
13 1, 31| leven af, en werd begraven in zijn vaderlijk graf.~
14 1, 32| 32 En in geheel Juda treurden zij
15 1, 33| dingen nu zijn beschreven in het boek van de geschiedenissen
16 1, 33| elk der daden van Josia in het bijzonder, die door
17 1, 33| en van zijn wetenschap in de wet des Heren. En hetgeen
18 1, 33| geschied is, wordt verhaald in het boek van de koningen
19 1, 34| en maakte hem tot koning in plaats van zijn vader, toen
20 1, 35| 35 En hij was koning in Israël en Jeruzalem drie
21 1, 38| hij, en bracht hem weder in Egypte.~
22 1, 41| bracht ze weg, en zette die in zijn tempel te Babylon.~
23 1, 42| goddeloosheid staat beschreven in het boek van de tijden der
24 1, 43| Joakim zijn zoon, werd koning in zijn plaats, en hij was
25 1, 53| jongelingen met het zwaard zelfs in de omgang van hun heilige
26 1, 54| 54 Maar hij gaf hen allen in hun handen, en al de heilige
27 1, 55| zij met vuur, en alles wat in haar heerlijk was, maakten
28 2, 1 | over de Perzen regeerde, in het eerste jaar: opdat het
29 2, 2 | Perzen, die liet uitroepen in geheel zijn koninkrijk,
30 2, 4 | bouwen te Jeruzalem, dat in Judea is.~
31 2, 5 | trekke op naar Jeruzalem in Judea, en bouwe het huis
32 2, 6 | omtrent die plaatsen wonen, en in die plaats zijn,~
33 2, 7 | men als geloften toebrengt in de tempel des Heren, die
34 2, 10| Jeruzalem weggevoerd, en in zijn afgoden-tempel gezet
35 2, 16| aan hem, tegen degenen die in Judea en te Jeruzalem woonden,
36 2, 16| waren, en te Samarië en in andere plaatsen woonden,
37 2, 17| hun raad, en rechters, die in Celo-Syrië en Fenicië zijn;~
38 2, 20| 20 Dewijl men dan in het werk is met hetgeen
39 2, 21| opdat, zo het u goeddunkt, in de boeken van uw vaderen
40 2, 22| 22 En gij zult in de gedenkboeken, daarover
41 2, 24| toegang meer zult hebben in Celo-Syrië en Fenicië.~
42 2, 25| hen verordineerd waren, en in Samarië en Syrië en Fenicië
43 3, 2 | Indië aan tot Ethiopië toe, in de honderdenzeventien provinciën.~
44 3, 3 | de koning, keerde weder in zijn slaapkamer, en viel
45 3, 3 | zijn slaapkamer, en viel in slaap, en ontwaakte weder.~
46 3, 15| En hij zette zich neder in zijn Raad, en het geschrift
47 3, 21| verandert alle verstand in vreugde en vrolijkheid,
48 4, 6 | 6 En allen die in de krijg niet gaan noch
49 4, 24| ziet een leeuw, en gaat in duisternis; en wanneer hij
50 4, 28| Is de koning niet groot in zijn macht? en vrezen niet
51 4, 34| hoog is de hemel, en snel in haar loop is de zon, want
52 4, 34| de zon, want zij, draait in de cirkel des hemels, en
53 4, 34| hemels, en zij keert weder in haar plaats op één dag.~
54 4, 37| 37 De wijn is onrecht, in de koning is onrecht, in
55 4, 37| in de koning is onrecht, in de vrouwen is onrecht, in
56 4, 37| in de vrouwen is onrecht, in alle kinderen der mensen
57 4, 37| zijn onrecht; en daar is in hen geen waarheid, en in
58 4, 37| in hen geen waarheid, en in hun ongerechtigheid zullen
59 4, 38| waarheid blijft en is sterk in der eeuwigheid; en zij leeft
60 4, 38| en zij leeft en heerst in alle eeuwigheid.~
61 4, 39| hebben zij een welbehagen in haar werken.~
62 4, 40| 40 En in haar oordeel is geen onrecht,
63 4, 48| En aan al de landvoogden in Celo-Syrië, Fenicië, en
64 4, 49| die uit zijn koninkrijk in Judea opgingen vanwege de
65 4, 49| vorst, noch rentmeester in hun deuren zou ingaan.~
66 5, 2 | duizend ruiters, om hen in vrede te geleiden naar Jeruzalem,
67 5, 4 | de huizen hunner vaderen in de stammen, naar de verdeling
68 5, 6 | wijze redenen gesproken had, in het tweede jaar zijns koninkrijks
69 5, 6 | tweede jaar zijns koninkrijks in de maand Nisan, welke is
70 5, 7 | Nabuchodonosor, de koning van Babel, in Babylonië weggevoerd had.~
71 5, 8 | andere delen van Judea, elk in zijn eigen stad: die met
72 5, 35| driehonderd tweeënzeventig in getal.~
73 5, 39| geslachtschrift werd gezocht in het register, en niet gevonden
74 5, 44| hun familiën, als zij nu in de tempel Gods te Jeruzalem
75 5, 44| huis Gods op te richten in zijn plaats, naar hun vermogen.~
76 5, 46| zich neder te Jeruzalem, en in het land, en de heilige
77 5, 46| deurwachters, en geheel Israël, in hun vlekken.~
78 5, 47| de kinderen Israëls elk in hun woning waren, zo zijn
79 5, 47| zij eendrachtig vergaderd in de voorhof der eerste poort,
80 5, 49| offeren, volgens hetgeen in het boek van Mozes de man
81 5, 50| richtten het altaar op, in zijn plaats, hoewel enigen
82 5, 50| hen vergaderden, omdat zij in vijandschap met hen waren.~
83 5, 52| feest der loofhutten, gelijk in de wet bevolen was, en offerden
84 5, 56| 56 En in het tweede jaar nadat hij
85 5, 57| fundament van het huis Gods in de nieuwe maan van de tweede
86 5, 57| de tweede maand, als zij in Judea en Jeruzalem waren
87 5, 58| degenen, die de werken maakten in het huis des Heren.~
88 5, 59| en de priesters stonden in lange klederen met snarenspel
89 5, 61| zijn heerlijkheid is tot in der eeuwigheid, over geheel
90 5, 64| met bazuinen en vreugde in grote stem.~
91 5, 73| land drongen op degenen die in Judea woonden, en hen bezettende,
92 6, 1 | 1 IN het tweede jaar nu van het
93 6, 1 | Addo, over de Joden, die in Judea en Jeruzalem waren,
94 6, 1 | Judea en Jeruzalem waren, in de naam van de God Israëls.~
95 6, 3 | 3 In deze tijd kwam tot hen Sisinnes
96 6, 5 | en werden niet verhinderd in de bouw, totdat men Darius
97 6, 7 | en hun metgezellen die in Syrië en Fenicië oversten
98 6, 8 | dat wij aangekomen zijnde in het land van Judea, en gegaan
99 6, 8 | Judea, en gegaan zijnde in de stad Jeruzalem, bevonden
100 6, 9 | 9 In de stad Jeruzalem bouwende
101 6, 9 | kostelijke stenen, en houtwerk in de muren gelegd;~
102 6, 10| hun handen, en hetzelve in grote heerlijkheid, en zorgvuldigheid
103 6, 15| tegen de Here Israëls, die in de hemel is, hadden gezondigd,
104 6, 15| verbitterd, zo gaf hij hen over in de handen van Nabuchodonosor,
105 6, 17| 17 Maar in het eerste jaar dat Cyrus
106 6, 18| Jeruzalem was, en die hij in zijn tempel gezet had, deze
107 6, 19| zou wegnemen, en zetten in de tempel te Jeruzalem,
108 6, 21| zo laat onderzocht worden in de koninklijke boekkassen
109 6, 23| dat men zou onderzoeken in de boekkassen die te Babylon
110 6, 23| is bevonden, te Ekbatana in de stad, die in het land
111 6, 23| Ekbatana in de stad, die in het land van Medië is, een
112 6, 24| 24 In het eerste jaar als Cyrus
113 6, 26| die zou men weder brengen in het huis des Heren te Jeruzalem,
114 6, 27| andere landvoogden, die in Syrië en Fenicië waren verordineerd,
115 7, 1 | zijn Sisinnes de ondervoogd in Celo-Syrië en Fenicië, en
116 7, 5 | drieëntwintigste dag der maand Adar, in het zesde jaar des konings
117 7, 6 | waren, deden volgens hetgeen in het Boek van Mozes geschreven
118 7, 15| om hun handen te sterken in de werken des Heren, de
119 8, 3 | schriftgeleerde, verstandig zijnde in de wet van Mozes, die door
120 8, 4 | hij genade bij hem vond, in alles wat hij van hem begeerde.~
121 8, 6 | 6 In het zevende jaar als Artaxerxes
122 8, 6 | als Artaxerxes regeerde in de vijfde maand, (dit is
123 8, 11| priesters, en de Levieten in ons koninkrijk zijnde, met
124 8, 13| 13 Opdat zij hetgeen in Judea en Jeruzalem is bezoeken,
125 8, 13| en doen volgens hetgeen in de wet des Heren vervat
126 8, 14| zou mogen bevonden worden in het land van Babylonië,
127 8, 26| opdat zij gericht houden in geheel Syrië en Fenicië,
128 8, 28| mijner vaderen, die dit in het hart des konings heeft
129 8, 46| de overste, die daar was in de plaats der schatkamer,~
130 8, 47| broederen, en de schatbewaarders in die plaats zouden aanzeggen,
131 8, 47| toezenden, die het priesterschap in het huis onzes Gods mochten
132 8, 53| degenen, die hem zochten in alle oprechtheid.~
133 8, 60| huizen Israëls te Jeruzalem, in de cellen van het huis onzes
134 8, 61| te leveren brachten die in de tempel des Heren.~
135 8, 63| zilver en goud overgeleverd in het huis des Heren, aan
136 8, 65| daarvan werd opgeschreven in dezelfde ure.~
137 8, 77| 77 En wij zijn in grote zonde tot deze dag
138 8, 79| over te laten, en een naam, in de plaats uws heiligdoms:~
139 8, 80| ons een licht te ontdekken in het huis des Heren onzes
140 8, 80| en om ons spijs te geven in de tijd van onze dienstbaarheid.~
141 8, 81| God, maar hij heeft ons in genade gesteld voor de koningen
142 8, 82| een vastigheid te geven in Judea en Jeruzalem.~
143 8, 86| het uw kinderen doet erven in eeuwigheid.~
144 8, 88| hebt ons zodanige wortel in het land gegeven, en wij
145 8, 91| Zie, wij zijn nu voor u in onze misdaden: want wij
146 8, 94| 94 En nu, gans Israël is in twijfel, maar laat daarover
147 9, 1 | des tempels, begaf zich in de kamer van Joannan de
148 9, 37| zich neder te Jeruzalem, en in het land op de nieuwe maan
149 9, 37| de kinderen Israëls waren in hun woonplaatsen.~
150 9, 38| kwam eendrachtig tezamen in de grote plaats, welke is
151 9, 41| 41 En hij las die in de grote plaats voor de
152 9, 41| morgenstond af tot de middag toe, in de tegenwoordigheid van
153 9, 45| menigte, en zat heerlijk in de tegenwoordigheid van
154 9, 49| voor de menigte, hun stem in het lezen verheffende.~
155 9, 56| Dewijl zij waren onderricht in het woord, dat hun geleerd
|