Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
zie 1
zien 1
ziet 1
zij 145
zijde 1
zijn 171
zijnde 8
Frequency    [«  »]
171 zijn
155 in
148 kinderen
145 zij
133 te
126 dat
119 des

Het derde boek Ezra

IntraText - Concordances

zij

    Chapter, Verse
1 1, 3 | in Israël bedienden, dat zij zichzelf de Here zouden 2 1, 12| 12 En zij braadden het Pascha aan 3 1, 12| behoorde, en offeranden kookten zij in koperen ketels en potten, 4 1, 13| het volk. Daarna bereidden zij dat voor zichzelf, en voor 5 1, 32| in geheel Juda treurden zij over Josia, en Jeremia, 6 1, 51| 51 Doch zij bespotten zijn boden, en 7 1, 51| tot hen sprak, belachten zij zijn profeten.~ 8 1, 54| koninklijke schatkisten namen zij en voerden die naar Babylon.~ 9 1, 55| haar torens verbrandden zij met vuur, en alles wat in 10 1, 55| haar heerlijk was, maakten zij te schande.~ 11 1, 56| van het zwaard, voerden zij naar Babylonië.~ 12 1, 57| 57 En zij waren zijn en zijner kinderen 13 2, 5 | is uit zijn volk, de Here zij met hem, en hij trekke op 14 2, 12| 12 En door deze werden zij overgeleverd aan Schesbatzar, 15 2, 18| 18 Het zij nu de Heer koning bekend 16 2, 19| voltooid worden, zo zullen zij niet alleen geen schatting 17 3, 3 | 3 En als zij gegeten en gedronken hadden, 18 3, 3 | verzadigd waren, keerden zij weder naar huis. Doch Darius, 19 3, 9 | opgestaan zijn, zo zullen zij hem het geschrift geven; 20 3, 13| koning opgestaan was, namen zij het geschrift, en gaven 21 3, 16| hun redenen verklaren; en zij werden geroepen, en kwamen 22 3, 16| geroepen, en kwamen binnen, en zij zeiden tot hen:~ 23 3, 23| 23 Als zij wijn gedronken hebben, gedenken 24 3, 23| gedronken hebben, gedenken zij niet om vriendelijk te zijn 25 3, 24| 24 En als zij van de wijn opgestaan zijn, 26 3, 24| opgestaan zijn, zo gedenken zij niet wat zij gedaan hebben.~ 27 3, 24| zo gedenken zij niet wat zij gedaan hebben.~ 28 4, 3 | hun zegt, dat gehoorzamen zij.~ 29 4, 4 | Indien hij hun zegt dat zij de een de anderen zullen 30 4, 4 | anderen zullen oorlog aandoen, zij doen het; en indien hij 31 4, 4 | uitzendt tegen hun vijanden, zij gaan; zij slechten de bergen, 32 4, 4 | hun vijanden, zij gaan; zij slechten de bergen, en de 33 4, 5 | 5 Zij slaan dood, en worden dood 34 4, 5 | woord des konings zullen zij niet overtreden; en indien 35 4, 5 | niet overtreden; en indien zij overwinnen zo brengen zij 36 4, 5 | zij overwinnen zo brengen zij alles tot de koning: wat 37 4, 5 | alles tot de koning: wat zij geroofd hebben en alle andere 38 4, 6 | en nu maaien, zo brengen zij de koning schatting; en 39 4, 7 | zegt dat men dode, zo doden zij; indien hij zegt dat men 40 4, 7 | dat men aflate, zo laten zij af.~ 41 4, 8 | hij dat men sla, zo slaan zij; zegt hij dat men verwoeste, 42 4, 8 | verwoeste, zo verwoesten zij; zegt hij dat men bouwe, 43 4, 8 | dat men bouwe, zo bouwen zij.~ 44 4, 9 | dat men afbreke, zo breken zij af; zegt hij dat men plante, 45 4, 9 | dat men plante, zo planten zij;~ 46 4, 11| hij, slaapt hij, zo hebben zij de wacht ringswijze rondom 47 4, 16| 16 En zij hebben zelfs degenen opgevoed, 48 4, 17| 17 En zij zelf maken de kleding der 49 4, 17| de kleding der mensen, en zij maken hetgeen heerlijk is 50 4, 18| 18 En indien zij goud en zilver en allerlei 51 4, 19| 19 Zo verlaten zij dat alles, en wenden de 52 4, 19| met open mond aanschouwen zij haar; en hebben meer begeerte 53 4, 30| 30 En zij nam de kroon van het hoofd 54 4, 31| open mond aan, en indien zij hem aanlachte, zo lachte 55 4, 31| lachte hij ook; en indien zij op hem gram werd, zo liefkoosde 56 4, 31| liefkoosde hij haar, opdat zij met hem verzoend zou worden.~ 57 4, 32| vrouwen niet sterk, dewijl zij, zo doen?~ 58 4, 34| haar loop is de zon, want zij, draait in de cirkel des 59 4, 34| de cirkel des hemels, en zij keert weder in haar plaats 60 4, 37| hun ongerechtigheid zullen zij vergaan.~ 61 4, 38| sterk in der eeuwigheid; en zij leeft en heerst in alle 62 4, 39| aanneming des persoons; zij maakt geen onderscheid, 63 4, 39| maakt geen onderscheid, maar zij doet hetgeen recht is, en 64 4, 39| boos is, en allen hebben zij een welbehagen in haar werken.~ 65 4, 40| oordeel is geen onrecht, en zij is de kracht, en het koninkrijk, 66 4, 40| van alle eeuwen. Geprezen zij de God der waarheid!~ 67 4, 41| Groot is de waarheid, en zij is sterk bovenal.~ 68 4, 47| krijgsoversten, en vorsten, dat zij hem zouden geleide doen, 69 4, 48| schreef hij brieven, dat zij cederhout zouden overbrengen 70 4, 48| Libanon naar Jeruzalem, en dat zij de stad met hem zouden bouwen.~ 71 4, 50| dat het gehele land, dat zij bewoonden, voor hen zonder 72 4, 50| Joden zouden verlaten, die zij ingenomen hadden;~ 73 4, 52| 52 En dat zij, om op het altaar, naar 74 4, 52| altaar, naar het gebod dat zij hadden, dagelijks brandofferen 75 4, 53| vrijheid zouden hebben, beide zij en hun nakomelingen, met 76 4, 54| priesterlijke kleding waarin zij dienst doen.~ 77 4, 62| 62 En zij loofden de God hunner vaderen, 78 4, 63| naam aangeroepen werd. En zij bedreven vreugde met snarenspel 79 5, 8 | 8 En zij zijn weder gekeerd naar 80 5, 37| 37 Doch zij konden hun steden en geslachten 81 5, 37| geslachten niet verhalen, hoe zij uit Israël waren. De kinderen 82 5, 39| niet gevonden werd, zo zijn zij van het bedienen des priesterambts 83 5, 40| Attaria zeiden tot hen, dat zij geen deel zouden hebben 84 5, 44| oversten van hun familiën, als zij nu in de tempel Gods te 85 5, 47| hun woning waren, zo zijn zij eendrachtig vergaderd in 86 5, 50| 50 En zij richtten het altaar op, 87 5, 50| tegen hen vergaderden, omdat zij in vijandschap met hen waren.~ 88 5, 51| waren, versterkten zich. En zij offerden offeranden naar 89 5, 52| 52 En zij hielden het feest der loofhutten, 90 5, 54| 54 En zij gaven geld aan de steenhouwers, 91 5, 55| Sidoniërs en Tyriërs, opdat zij hun cederhout van de berg 92 5, 57| van de tweede maand, als zij in Judea en Jeruzalem waren 93 5, 61| 61 En zij verhieven hun stemmen met 94 5, 65| bazuinde zeer luid, zodat zij van verre gehoord werd.~ 95 5, 66| Benjamin dat hoorden, zo kwamen zij om te verstaan wat deze 96 5, 67| 67 En zij verstonden, dat degenen, 97 5, 68| 68 En zij kwamen tot Zerubabel en 98 5, 73| bezettende, verhinderden zij hun te bouwen.~ 99 5, 74| samenrottingen makende, beletten zij dat de bouw niet werd voleindigd, 100 6, 8 | 8 Het zij alles kennelijk onze Heer 101 6, 13| 13 Maar zij hebben ons geantwoord en 102 6, 26| Heren te Jeruzalem, daar zij gesteld waren geweest, opdat 103 6, 27| verordineerd, zorg te dragen, dat zij zich van die plaats zouden 104 6, 27| zouden onthouden; en dat zij de knecht des Heren en overste 105 6, 28| heb daarbij bevolen, dat zij het geheel zullen opbouwen, 106 6, 31| en zijn kinderen; en dat zij bidden voor hun lang leven.~ 107 7, 4 | 4 En zij volbrachten die, door het 108 7, 12| 12 En zij slachtten het Pascha voor 109 7, 14| 14 En zij hielden het feest der ongezuurde 110 8, 6 | jaar des konings) zo gingen zij uit Babylonië, op de nieuwe 111 8, 11| bewijzen zo heb ik bevolen, dat zij die dat vrijwillig begeren 112 8, 12| er dan begerig zijn, dat zij mede trekken; gelijk het 113 8, 13| 13 Opdat zij hetgeen in Judea en Jeruzalem 114 8, 14| 14 En zij de Here Israëls gaven toebrengen, 115 8, 21| Gods zal aanschrijven, die zij hem vlijtig zullen geven,~ 116 8, 26| en scheidslieden, opdat zij gericht houden in geheel 117 8, 28| schriftgeleerde zeide: Geloofd zij alleen de Here de God mijner 118 8, 30| mannen uit Israël, opdat zij met mij zouden optrekken.~ 119 8, 46| 46 En ik zeide hun, dat zij zouden komen tot Loddeus 120 8, 47| 47 Hun bevelende, dat zij Loddo en zijn broederen, 121 8, 47| plaats zouden aanzeggen, dat zij ons enigen zouden toezenden, 122 8, 48| 48 En zij brachten tot ons, naar de 123 8, 68| Celo-Syrië en Fenicië; en zij verheerlijkten het volk 124 8, 71| 71 Want zij hebben zich ten huwelijk 125 8, 71| dezer volken dochteren, zij zelf namelijk en hun zonen; 126 8, 84| lands bezoedeld is, want zij hebben dat met hun onreinheid 127 8, 97| Levieten van gans Israël, dat zij hiernaar doen zouden, en 128 8, 97| hiernaar doen zouden, en zij zwoeren.~ 129 9, 3 | gevangenis waren, opdat zij binnen Jeruzalem bijeen 130 9, 4 | zou verbannen worden, en zij zelf zouden afgescheiden 131 9, 5 | 5 En zij vergaderden allen, die uit 132 9, 13| 13 Dat zij hier komen, en tijd nemen, 133 9, 13| des Heren van ons geweerd zij, ter oorzake van dit gebod.~ 134 9, 16| maan der tiende maand zaten zij om deze zaken te onderzoeken.~ 135 9, 20| legden de hand daaraan; dat zij hun vrouwen verstieten; 136 9, 20| vrouwen verstieten; en dat zij rammen offerden tot verzoening 137 9, 39| 39 En zij zeiden tot Ezra, de priester 138 9, 46| wet uitlegde, zo stonden zij rechtop. En Ezra loofde 139 9, 47| de aarde vallende, baden zij de Here aan.~ 140 9, 49| 49 En zij lazen de wet des Heren voor 141 9, 51| dag is de Here heilig; en zij weenden allen, als zij de 142 9, 51| en zij weenden allen, als zij de wet hoorden.~ 143 9, 55| 55 En zij gingen allen heen, om te 144 9, 56| 56 Dewijl zij waren onderricht in het 145 9, 56| geleerd was, en waartoe zij vergaderd waren.~ ~


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License