Chapter, Verse
1 1, 3 | in Israël bedienden, dat zij zichzelf de Here zouden
2 1, 12| 12 En zij braadden het Pascha aan
3 1, 12| behoorde, en offeranden kookten zij in koperen ketels en potten,
4 1, 13| het volk. Daarna bereidden zij dat voor zichzelf, en voor
5 1, 32| in geheel Juda treurden zij over Josia, en Jeremia,
6 1, 51| 51 Doch zij bespotten zijn boden, en
7 1, 51| tot hen sprak, belachten zij zijn profeten.~
8 1, 54| koninklijke schatkisten namen zij en voerden die naar Babylon.~
9 1, 55| haar torens verbrandden zij met vuur, en alles wat in
10 1, 55| haar heerlijk was, maakten zij te schande.~
11 1, 56| van het zwaard, voerden zij naar Babylonië.~
12 1, 57| 57 En zij waren zijn en zijner kinderen
13 2, 5 | is uit zijn volk, de Here zij met hem, en hij trekke op
14 2, 12| 12 En door deze werden zij overgeleverd aan Schesbatzar,
15 2, 18| 18 Het zij nu de Heer koning bekend
16 2, 19| voltooid worden, zo zullen zij niet alleen geen schatting
17 3, 3 | 3 En als zij gegeten en gedronken hadden,
18 3, 3 | verzadigd waren, keerden zij weder naar huis. Doch Darius,
19 3, 9 | opgestaan zijn, zo zullen zij hem het geschrift geven;
20 3, 13| koning opgestaan was, namen zij het geschrift, en gaven
21 3, 16| hun redenen verklaren; en zij werden geroepen, en kwamen
22 3, 16| geroepen, en kwamen binnen, en zij zeiden tot hen:~
23 3, 23| 23 Als zij wijn gedronken hebben, gedenken
24 3, 23| gedronken hebben, gedenken zij niet om vriendelijk te zijn
25 3, 24| 24 En als zij van de wijn opgestaan zijn,
26 3, 24| opgestaan zijn, zo gedenken zij niet wat zij gedaan hebben.~
27 3, 24| zo gedenken zij niet wat zij gedaan hebben.~
28 4, 3 | hun zegt, dat gehoorzamen zij.~
29 4, 4 | Indien hij hun zegt dat zij de een de anderen zullen
30 4, 4 | anderen zullen oorlog aandoen, zij doen het; en indien hij
31 4, 4 | uitzendt tegen hun vijanden, zij gaan; zij slechten de bergen,
32 4, 4 | hun vijanden, zij gaan; zij slechten de bergen, en de
33 4, 5 | 5 Zij slaan dood, en worden dood
34 4, 5 | woord des konings zullen zij niet overtreden; en indien
35 4, 5 | niet overtreden; en indien zij overwinnen zo brengen zij
36 4, 5 | zij overwinnen zo brengen zij alles tot de koning: wat
37 4, 5 | alles tot de koning: wat zij geroofd hebben en alle andere
38 4, 6 | en nu maaien, zo brengen zij de koning schatting; en
39 4, 7 | zegt dat men dode, zo doden zij; indien hij zegt dat men
40 4, 7 | dat men aflate, zo laten zij af.~
41 4, 8 | hij dat men sla, zo slaan zij; zegt hij dat men verwoeste,
42 4, 8 | verwoeste, zo verwoesten zij; zegt hij dat men bouwe,
43 4, 8 | dat men bouwe, zo bouwen zij.~
44 4, 9 | dat men afbreke, zo breken zij af; zegt hij dat men plante,
45 4, 9 | dat men plante, zo planten zij;~
46 4, 11| hij, slaapt hij, zo hebben zij de wacht ringswijze rondom
47 4, 16| 16 En zij hebben zelfs degenen opgevoed,
48 4, 17| 17 En zij zelf maken de kleding der
49 4, 17| de kleding der mensen, en zij maken hetgeen heerlijk is
50 4, 18| 18 En indien zij goud en zilver en allerlei
51 4, 19| 19 Zo verlaten zij dat alles, en wenden de
52 4, 19| met open mond aanschouwen zij haar; en hebben meer begeerte
53 4, 30| 30 En zij nam de kroon van het hoofd
54 4, 31| open mond aan, en indien zij hem aanlachte, zo lachte
55 4, 31| lachte hij ook; en indien zij op hem gram werd, zo liefkoosde
56 4, 31| liefkoosde hij haar, opdat zij met hem verzoend zou worden.~
57 4, 32| vrouwen niet sterk, dewijl zij, zo doen?~
58 4, 34| haar loop is de zon, want zij, draait in de cirkel des
59 4, 34| de cirkel des hemels, en zij keert weder in haar plaats
60 4, 37| hun ongerechtigheid zullen zij vergaan.~
61 4, 38| sterk in der eeuwigheid; en zij leeft en heerst in alle
62 4, 39| aanneming des persoons; zij maakt geen onderscheid,
63 4, 39| maakt geen onderscheid, maar zij doet hetgeen recht is, en
64 4, 39| boos is, en allen hebben zij een welbehagen in haar werken.~
65 4, 40| oordeel is geen onrecht, en zij is de kracht, en het koninkrijk,
66 4, 40| van alle eeuwen. Geprezen zij de God der waarheid!~
67 4, 41| Groot is de waarheid, en zij is sterk bovenal.~
68 4, 47| krijgsoversten, en vorsten, dat zij hem zouden geleide doen,
69 4, 48| schreef hij brieven, dat zij cederhout zouden overbrengen
70 4, 48| Libanon naar Jeruzalem, en dat zij de stad met hem zouden bouwen.~
71 4, 50| dat het gehele land, dat zij bewoonden, voor hen zonder
72 4, 50| Joden zouden verlaten, die zij ingenomen hadden;~
73 4, 52| 52 En dat zij, om op het altaar, naar
74 4, 52| altaar, naar het gebod dat zij hadden, dagelijks brandofferen
75 4, 53| vrijheid zouden hebben, beide zij en hun nakomelingen, met
76 4, 54| priesterlijke kleding waarin zij dienst doen.~
77 4, 62| 62 En zij loofden de God hunner vaderen,
78 4, 63| naam aangeroepen werd. En zij bedreven vreugde met snarenspel
79 5, 8 | 8 En zij zijn weder gekeerd naar
80 5, 37| 37 Doch zij konden hun steden en geslachten
81 5, 37| geslachten niet verhalen, hoe zij uit Israël waren. De kinderen
82 5, 39| niet gevonden werd, zo zijn zij van het bedienen des priesterambts
83 5, 40| Attaria zeiden tot hen, dat zij geen deel zouden hebben
84 5, 44| oversten van hun familiën, als zij nu in de tempel Gods te
85 5, 47| hun woning waren, zo zijn zij eendrachtig vergaderd in
86 5, 50| 50 En zij richtten het altaar op,
87 5, 50| tegen hen vergaderden, omdat zij in vijandschap met hen waren.~
88 5, 51| waren, versterkten zich. En zij offerden offeranden naar
89 5, 52| 52 En zij hielden het feest der loofhutten,
90 5, 54| 54 En zij gaven geld aan de steenhouwers,
91 5, 55| Sidoniërs en Tyriërs, opdat zij hun cederhout van de berg
92 5, 57| van de tweede maand, als zij in Judea en Jeruzalem waren
93 5, 61| 61 En zij verhieven hun stemmen met
94 5, 65| bazuinde zeer luid, zodat zij van verre gehoord werd.~
95 5, 66| Benjamin dat hoorden, zo kwamen zij om te verstaan wat deze
96 5, 67| 67 En zij verstonden, dat degenen,
97 5, 68| 68 En zij kwamen tot Zerubabel en
98 5, 73| bezettende, verhinderden zij hun te bouwen.~
99 5, 74| samenrottingen makende, beletten zij dat de bouw niet werd voleindigd,
100 6, 8 | 8 Het zij alles kennelijk onze Heer
101 6, 13| 13 Maar zij hebben ons geantwoord en
102 6, 26| Heren te Jeruzalem, daar zij gesteld waren geweest, opdat
103 6, 27| verordineerd, zorg te dragen, dat zij zich van die plaats zouden
104 6, 27| zouden onthouden; en dat zij de knecht des Heren en overste
105 6, 28| heb daarbij bevolen, dat zij het geheel zullen opbouwen,
106 6, 31| en zijn kinderen; en dat zij bidden voor hun lang leven.~
107 7, 4 | 4 En zij volbrachten die, door het
108 7, 12| 12 En zij slachtten het Pascha voor
109 7, 14| 14 En zij hielden het feest der ongezuurde
110 8, 6 | jaar des konings) zo gingen zij uit Babylonië, op de nieuwe
111 8, 11| bewijzen zo heb ik bevolen, dat zij die dat vrijwillig begeren
112 8, 12| er dan begerig zijn, dat zij mede trekken; gelijk het
113 8, 13| 13 Opdat zij hetgeen in Judea en Jeruzalem
114 8, 14| 14 En zij de Here Israëls gaven toebrengen,
115 8, 21| Gods zal aanschrijven, die zij hem vlijtig zullen geven,~
116 8, 26| en scheidslieden, opdat zij gericht houden in geheel
117 8, 28| schriftgeleerde zeide: Geloofd zij alleen de Here de God mijner
118 8, 30| mannen uit Israël, opdat zij met mij zouden optrekken.~
119 8, 46| 46 En ik zeide hun, dat zij zouden komen tot Loddeus
120 8, 47| 47 Hun bevelende, dat zij Loddo en zijn broederen,
121 8, 47| plaats zouden aanzeggen, dat zij ons enigen zouden toezenden,
122 8, 48| 48 En zij brachten tot ons, naar de
123 8, 68| Celo-Syrië en Fenicië; en zij verheerlijkten het volk
124 8, 71| 71 Want zij hebben zich ten huwelijk
125 8, 71| dezer volken dochteren, zij zelf namelijk en hun zonen;
126 8, 84| lands bezoedeld is, want zij hebben dat met hun onreinheid
127 8, 97| Levieten van gans Israël, dat zij hiernaar doen zouden, en
128 8, 97| hiernaar doen zouden, en zij zwoeren.~
129 9, 3 | gevangenis waren, opdat zij binnen Jeruzalem bijeen
130 9, 4 | zou verbannen worden, en zij zelf zouden afgescheiden
131 9, 5 | 5 En zij vergaderden allen, die uit
132 9, 13| 13 Dat zij hier komen, en tijd nemen,
133 9, 13| des Heren van ons geweerd zij, ter oorzake van dit gebod.~
134 9, 16| maan der tiende maand zaten zij om deze zaken te onderzoeken.~
135 9, 20| legden de hand daaraan; dat zij hun vrouwen verstieten;
136 9, 20| vrouwen verstieten; en dat zij rammen offerden tot verzoening
137 9, 39| 39 En zij zeiden tot Ezra, de priester
138 9, 46| wet uitlegde, zo stonden zij rechtop. En Ezra loofde
139 9, 47| de aarde vallende, baden zij de Here aan.~
140 9, 49| 49 En zij lazen de wet des Heren voor
141 9, 51| dag is de Here heilig; en zij weenden allen, als zij de
142 9, 51| en zij weenden allen, als zij de wet hoorden.~
143 9, 55| 55 En zij gingen allen heen, om te
144 9, 56| 56 Dewijl zij waren onderricht in het
145 9, 56| geleerd was, en waartoe zij vergaderd waren.~ ~
|