Chapter, Verse
1 1, 1 | hield zijn Here het Pascha te Jeruzalem, en slachtte het
2 1, 3 | de heilige ark des Heren te zetten in het huis, dat
3 1, 11| 11 Om de Here te offeren, volgens hetgeen
4 1, 18| 18 Om het Pascha te houden, en offeranden te
5 1, 18| te houden, en offeranden te brengen op het altaar des
6 1, 21| bevonden was in zijn woning te Jeruzalem.~
7 1, 25| kwam, en oorlog verwekte te Karchamis bij de Eufraat
8 1, 26| zeggende: Wat heb ik met u te doen, gij koning Juda?~
9 1, 28| niet af; maar bestond hem te bestrijden, niet lettende
10 1, 29| Maar hij stelde zich om te strijden tegen hem in het
11 1, 31| tweede wagen, en als hij te Jeruzalem wedergebracht
12 1, 35| Egypte zette hem af, dat hij te Jeruzalem geen koning zou
13 1, 41| zette die in zijn tempel te Babylon.~
14 1, 44| drie maanden en tien dagen te Jeruzalem, en deed dat kwaad
15 1, 49| de tempel des Heren, die te Jeruzalem geheiligd was.~
16 1, 50| boden om hen tot bekering te roepen, opdat hij hen zou
17 1, 55| heerlijk was, maakten zij te schande.~
18 2, 4 | hem een huis zou bouwen te Jeruzalem, dat in Judea
19 2, 5 | Israël; deze is de Here, die te Jeruzalem woont.~
20 2, 7 | de tempel des Heren, die te Jeruzalem is.~
21 2, 8 | geest God verwekte om op te trekken, en het huis des
22 2, 8 | trekken, en het huis des Heren te Jeruzalem te bouwen.~
23 2, 8 | huis des Heren te Jeruzalem te bouwen.~
24 2, 15| gevangenis van Babylonië te Jeruzalem kwamen.~
25 2, 16| degenen die in Judea en te Jeruzalem woonden, Belemus
26 2, 16| hen verordineerd waren, en te Samarië en in andere plaatsen
27 2, 18| wedergekeerd, en aangekomen zijn te Jeruzalem, een stad die
28 2, 20| heeft ons goed gedacht, niet te verzuimen.~
29 2, 21| Maar de Heer koning zulks te laten weten, opdat, zo het
30 2, 26| daarop bevolen onderzoek te doen, en daar is bevonden,
31 2, 27| daarin gevoerd hebben, en dat te Jeruzalem machtige en strenge
32 2, 28| zal verhinderen hun stad te bouwen; en dat men daarop
33 2, 29| om de koningen moeite aan te doen.~
34 2, 31| degenen, die daar bouwden, te verhinderen. Zo stond de
35 2, 31| stond de bouw des tempels te Jeruzalem stil, tot het
36 3, 23| zij niet om vriendelijk te zijn de vrienden en broeders,
37 3, 25| sterkste, dewijl hij dit dwingt te doen? En hij zweeg stil,
38 4, 1 | 1 TOEN begon de tweede te spreken, die gezegd had
39 4, 6 | de koning schatting toe te brengen, daar die maar één
40 4, 13| namelijk Zerubabel, begon ook te spreken:~
41 4, 23| en gaat heen op de wegen te liggen, en te roven en te
42 4, 23| op de wegen te liggen, en te roven en te stelen, en op
43 4, 23| te liggen, en te roven en te stelen, en op de zee en
44 4, 23| en op de zee en rivieren te varen;~
45 4, 28| niet alle landen hem aan te raken?~
46 4, 33| elkander. En hij, begon te spreken van de waarheid.~
47 4, 43| beloofd hebt, van Jeruzalem te zullen bouwen, op de dag
48 4, 44| toen hij beloofde Babylon te verstoren, en hij beloofde
49 4, 44| beloofde die weder derwaarts te zenden.~
50 4, 45| gij hebt beloofd de tempel te bouwen, welke de Idumeeërs
51 4, 46| met uw mond hebt beloofd te volbrengen.~
52 4, 47| hem opgingen om Jeruzalem te bouwen.~
53 4, 52| dagelijks brandofferen te offeren, nog tien andere
54 4, 53| zouden opgaan om de stad te bouwen, vrijheid zouden
55 4, 57| hetgeen Cyrus bevolen had te doen, dat beval hij ook
56 4, 57| doen, dat beval hij ook te doen, en naar Jeruzalem
57 4, 57| doen, en naar Jeruzalem te zenden.~
58 4, 63| 63 Om op te trekken en Jeruzalem te
59 4, 63| te trekken en Jeruzalem te bouwen en de tempel waarover
60 5, 1 | DAARNA werden verkoren om op te trekken de oversten van
61 5, 2 | ruiters, om hen in vrede te geleiden naar Jeruzalem,
62 5, 44| zij nu in de tempel Gods te Jeruzalem kwamen, beloofden
63 5, 44| beloofden het huis Gods op te richten in zijn plaats,
64 5, 45| 45 En te geven tot de heilige schatkist
65 5, 46| waren, zetten zich neder te Jeruzalem, en in het land,
66 5, 49| om daarop brandofferen te offeren, volgens hetgeen
67 5, 53| begonnen God offeranden te offeren, en de tempel des
68 5, 55| toebrengen, om vlotten over te voeren naar de haven van
69 5, 56| nadat hij tot de tempel Gods te Jeruzalem was gekomen, op
70 5, 56| allen die uit de gevangenis te Jeruzalem waren gekomen.~
71 5, 66| hoorden, zo kwamen zij om te verstaan wat deze stem der
72 5, 71| niet toe tezamen het huis te bouwen voor de Here onze
73 5, 73| bezettende, verhinderden zij hun te bouwen.~
74 6, 2 | Josedek, en begonnen weder te bouwen het huis des Heren,
75 6, 2 | het huis des Heren, dat te Jeruzalem is, dewijl de
76 6, 4 | heeft u bevolen dat huis te bouwen, en dat dak, en al
77 6, 4 | en al deze andere dingen te voltooien, en wie zijn de
78 6, 11| heeft u bevolen dat huis te bouwen, en de grond van
79 6, 11| de grond van deze werken te leggen?~
80 6, 15| Nabuchodonosor, de koning te Babylon, de koning der Chaldeeën,~
81 6, 18| had uit het huis Gods dat te Jeruzalem was, en die hij
82 6, 18| weder uit de tempel die te Babylon is, en werden overgegeven
83 6, 19| en zetten in de tempel te Jeruzalem, en dat de tempel
84 6, 20| fundamenten van het huis des Heren te Jeruzalem, en van die tijd
85 6, 22| opbouw van het huis des Heren te Jeruzalem met bewilliging
86 6, 23| onderzoeken in de boekkassen die te Babylon zijn; en daar is
87 6, 23| zijn; en daar is bevonden, te Ekbatana in de stad, die
88 6, 24| dat men het huis des Heren te Jeruzalem zou bouwen, waar
89 6, 26| uit het huis des Heren dat te Jeruzalem was, en naar Babylon
90 6, 26| brengen in het huis des Heren te Jeruzalem, daar zij gesteld
91 6, 27| waren verordineerd, zorg te dragen, dat zij zich van
92 6, 30| gelijk dan de priesters, die te Jeruzalem zijn, zullen verklaren
93 6, 33| zijn hand zal uitsteken, om te verhinderen of te beschadigen
94 6, 33| uitsteken, om te verhinderen of te beschadigen dit huis des
95 6, 33| beschadigen dit huis des Heren te Jeruzalem.~
96 7, 15| had gewend, om hun handen te sterken in de werken des
97 8, 7 | 7 En kwamen te Jeruzalem onder hem, volgens
98 8, 8 | de rechten en gerichten te leren.~
99 8, 11| voorgenomen heb goedertierenheid te bewijzen zo heb ik bevolen,
100 8, 14| dat weder brenge de Here te Jeruzalem:~
101 8, 15| des Heren, huns Gods, die te Jeruzalem is; en dat men
102 8, 16| des Heren, huns Gods, die te Jeruzalem is;~
103 8, 25| macht hebbe hun iets op te leggen.~
104 8, 28| opdat hij zijn huis, dat te Jeruzalem is, verheerlijken
105 8, 51| voor de Here: om van hem te verzoeken een goede reis
106 8, 52| voetknechten en ruiters te begeren, en ander geleide
107 8, 60| vaderlijke huizen Israëls te Jeruzalem, in de cellen
108 8, 61| zich genomen hadden, om te Jeruzalem te leveren brachten
109 8, 61| hadden, om te Jeruzalem te leveren brachten die in
110 8, 62| totdat wij gekomen zijn te Jeruzalem, naar de sterke
111 8, 63| vijanden; en wij kwamen te Jeruzalem, en als wij daar
112 8, 79| om ons een wortel over te laten, en een naam, in de
113 8, 80| 80 En om ons een licht te ontdekken in het huis des
114 8, 80| onzes Gods, en om ons spijs te geven in de tijd van onze
115 8, 81| der Perzen, om ons spijs te geven.~
116 8, 82| om de tempel onzes Heren te verheerlijken, en het verwoeste
117 8, 82| en het verwoeste Sion op te richten, en om ons een vastigheid
118 8, 82| en om ons een vastigheid te geven in Judea en Jeruzalem.~
119 8, 84| komt om dat tot een erve te hebben, is een land, dat
120 8, 86| En gij zult niet zoeken te eniger tijd vrede te hebben
121 8, 86| zoeken te eniger tijd vrede te hebben met hen, opdat gij
122 8, 88| achterwaarts gekeerd, om uw wet te overtreden, zodat wij vermengd
123 8, 96| met u om de kracht daarbij te doen.~
124 9, 5 | waren, binnen drie dagen te Jeruzalem; dit was de negende
125 9, 7 | genomen, om zonden op Israël te leggen.~
126 9, 16| zaten zij om deze zaken te onderzoeken.~
127 9, 37| Israël zetten zich neder te Jeruzalem, en in het land
128 9, 40| al de priesters om de wet te horen, op de nieuwe maan
129 9, 55| zij gingen allen heen, om te eten, en te drinken, en
130 9, 55| allen heen, om te eten, en te drinken, en vrolijk te zijn,
131 9, 55| en te drinken, en vrolijk te zijn, en om geschenken te
132 9, 55| te zijn, en om geschenken te geven aan hen die niet hadden,
133 9, 55| hadden, en zich grotelijks te vervrolijken;~
|