Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
tabellius 1
talent 1
talenten 10
te 133
tegemoet 1
tegen 18
tegenover 1
Frequency    [«  »]
155 in
148 kinderen
145 zij
133 te
126 dat
119 des
105 met

Het derde boek Ezra

IntraText - Concordances

te

    Chapter, Verse
1 1, 1 | hield zijn Here het Pascha te Jeruzalem, en slachtte het 2 1, 3 | de heilige ark des Heren te zetten in het huis, dat 3 1, 11| 11 Om de Here te offeren, volgens hetgeen 4 1, 18| 18 Om het Pascha te houden, en offeranden te 5 1, 18| te houden, en offeranden te brengen op het altaar des 6 1, 21| bevonden was in zijn woning te Jeruzalem.~ 7 1, 25| kwam, en oorlog verwekte te Karchamis bij de Eufraat 8 1, 26| zeggende: Wat heb ik met u te doen, gij koning Juda?~ 9 1, 28| niet af; maar bestond hem te bestrijden, niet lettende 10 1, 29| Maar hij stelde zich om te strijden tegen hem in het 11 1, 31| tweede wagen, en als hij te Jeruzalem wedergebracht 12 1, 35| Egypte zette hem af, dat hij te Jeruzalem geen koning zou 13 1, 41| zette die in zijn tempel te Babylon.~ 14 1, 44| drie maanden en tien dagen te Jeruzalem, en deed dat kwaad 15 1, 49| de tempel des Heren, die te Jeruzalem geheiligd was.~ 16 1, 50| boden om hen tot bekering te roepen, opdat hij hen zou 17 1, 55| heerlijk was, maakten zij te schande.~ 18 2, 4 | hem een huis zou bouwen te Jeruzalem, dat in Judea 19 2, 5 | Israël; deze is de Here, die te Jeruzalem woont.~ 20 2, 7 | de tempel des Heren, die te Jeruzalem is.~ 21 2, 8 | geest God verwekte om op te trekken, en het huis des 22 2, 8 | trekken, en het huis des Heren te Jeruzalem te bouwen.~ 23 2, 8 | huis des Heren te Jeruzalem te bouwen.~ 24 2, 15| gevangenis van Babylonië te Jeruzalem kwamen.~ 25 2, 16| degenen die in Judea en te Jeruzalem woonden, Belemus 26 2, 16| hen verordineerd waren, en te Samarië en in andere plaatsen 27 2, 18| wedergekeerd, en aangekomen zijn te Jeruzalem, een stad die 28 2, 20| heeft ons goed gedacht, niet te verzuimen.~ 29 2, 21| Maar de Heer koning zulks te laten weten, opdat, zo het 30 2, 26| daarop bevolen onderzoek te doen, en daar is bevonden, 31 2, 27| daarin gevoerd hebben, en dat te Jeruzalem machtige en strenge 32 2, 28| zal verhinderen hun stad te bouwen; en dat men daarop 33 2, 29| om de koningen moeite aan te doen.~ 34 2, 31| degenen, die daar bouwden, te verhinderen. Zo stond de 35 2, 31| stond de bouw des tempels te Jeruzalem stil, tot het 36 3, 23| zij niet om vriendelijk te zijn de vrienden en broeders, 37 3, 25| sterkste, dewijl hij dit dwingt te doen? En hij zweeg stil, 38 4, 1 | 1 TOEN begon de tweede te spreken, die gezegd had 39 4, 6 | de koning schatting toe te brengen, daar die maar één 40 4, 13| namelijk Zerubabel, begon ook te spreken:~ 41 4, 23| en gaat heen op de wegen te liggen, en te roven en te 42 4, 23| op de wegen te liggen, en te roven en te stelen, en op 43 4, 23| te liggen, en te roven en te stelen, en op de zee en 44 4, 23| en op de zee en rivieren te varen;~ 45 4, 28| niet alle landen hem aan te raken?~ 46 4, 33| elkander. En hij, begon te spreken van de waarheid.~ 47 4, 43| beloofd hebt, van Jeruzalem te zullen bouwen, op de dag 48 4, 44| toen hij beloofde Babylon te verstoren, en hij beloofde 49 4, 44| beloofde die weder derwaarts te zenden.~ 50 4, 45| gij hebt beloofd de tempel te bouwen, welke de Idumeeërs 51 4, 46| met uw mond hebt beloofd te volbrengen.~ 52 4, 47| hem opgingen om Jeruzalem te bouwen.~ 53 4, 52| dagelijks brandofferen te offeren, nog tien andere 54 4, 53| zouden opgaan om de stad te bouwen, vrijheid zouden 55 4, 57| hetgeen Cyrus bevolen had te doen, dat beval hij ook 56 4, 57| doen, dat beval hij ook te doen, en naar Jeruzalem 57 4, 57| doen, en naar Jeruzalem te zenden.~ 58 4, 63| 63 Om op te trekken en Jeruzalem te 59 4, 63| te trekken en Jeruzalem te bouwen en de tempel waarover 60 5, 1 | DAARNA werden verkoren om op te trekken de oversten van 61 5, 2 | ruiters, om hen in vrede te geleiden naar Jeruzalem, 62 5, 44| zij nu in de tempel Gods te Jeruzalem kwamen, beloofden 63 5, 44| beloofden het huis Gods op te richten in zijn plaats, 64 5, 45| 45 En te geven tot de heilige schatkist 65 5, 46| waren, zetten zich neder te Jeruzalem, en in het land, 66 5, 49| om daarop brandofferen te offeren, volgens hetgeen 67 5, 53| begonnen God offeranden te offeren, en de tempel des 68 5, 55| toebrengen, om vlotten over te voeren naar de haven van 69 5, 56| nadat hij tot de tempel Gods te Jeruzalem was gekomen, op 70 5, 56| allen die uit de gevangenis te Jeruzalem waren gekomen.~ 71 5, 66| hoorden, zo kwamen zij om te verstaan wat deze stem der 72 5, 71| niet toe tezamen het huis te bouwen voor de Here onze 73 5, 73| bezettende, verhinderden zij hun te bouwen.~ 74 6, 2 | Josedek, en begonnen weder te bouwen het huis des Heren, 75 6, 2 | het huis des Heren, dat te Jeruzalem is, dewijl de 76 6, 4 | heeft u bevolen dat huis te bouwen, en dat dak, en al 77 6, 4 | en al deze andere dingen te voltooien, en wie zijn de 78 6, 11| heeft u bevolen dat huis te bouwen, en de grond van 79 6, 11| de grond van deze werken te leggen?~ 80 6, 15| Nabuchodonosor, de koning te Babylon, de koning der Chaldeeën,~ 81 6, 18| had uit het huis Gods dat te Jeruzalem was, en die hij 82 6, 18| weder uit de tempel die te Babylon is, en werden overgegeven 83 6, 19| en zetten in de tempel te Jeruzalem, en dat de tempel 84 6, 20| fundamenten van het huis des Heren te Jeruzalem, en van die tijd 85 6, 22| opbouw van het huis des Heren te Jeruzalem met bewilliging 86 6, 23| onderzoeken in de boekkassen die te Babylon zijn; en daar is 87 6, 23| zijn; en daar is bevonden, te Ekbatana in de stad, die 88 6, 24| dat men het huis des Heren te Jeruzalem zou bouwen, waar 89 6, 26| uit het huis des Heren dat te Jeruzalem was, en naar Babylon 90 6, 26| brengen in het huis des Heren te Jeruzalem, daar zij gesteld 91 6, 27| waren verordineerd, zorg te dragen, dat zij zich van 92 6, 30| gelijk dan de priesters, die te Jeruzalem zijn, zullen verklaren 93 6, 33| zijn hand zal uitsteken, om te verhinderen of te beschadigen 94 6, 33| uitsteken, om te verhinderen of te beschadigen dit huis des 95 6, 33| beschadigen dit huis des Heren te Jeruzalem.~ 96 7, 15| had gewend, om hun handen te sterken in de werken des 97 8, 7 | 7 En kwamen te Jeruzalem onder hem, volgens 98 8, 8 | de rechten en gerichten te leren.~ 99 8, 11| voorgenomen heb goedertierenheid te bewijzen zo heb ik bevolen, 100 8, 14| dat weder brenge de Here te Jeruzalem:~ 101 8, 15| des Heren, huns Gods, die te Jeruzalem is; en dat men 102 8, 16| des Heren, huns Gods, die te Jeruzalem is;~ 103 8, 25| macht hebbe hun iets op te leggen.~ 104 8, 28| opdat hij zijn huis, dat te Jeruzalem is, verheerlijken 105 8, 51| voor de Here: om van hem te verzoeken een goede reis 106 8, 52| voetknechten en ruiters te begeren, en ander geleide 107 8, 60| vaderlijke huizen Israëls te Jeruzalem, in de cellen 108 8, 61| zich genomen hadden, om te Jeruzalem te leveren brachten 109 8, 61| hadden, om te Jeruzalem te leveren brachten die in 110 8, 62| totdat wij gekomen zijn te Jeruzalem, naar de sterke 111 8, 63| vijanden; en wij kwamen te Jeruzalem, en als wij daar 112 8, 79| om ons een wortel over te laten, en een naam, in de 113 8, 80| 80 En om ons een licht te ontdekken in het huis des 114 8, 80| onzes Gods, en om ons spijs te geven in de tijd van onze 115 8, 81| der Perzen, om ons spijs te geven.~ 116 8, 82| om de tempel onzes Heren te verheerlijken, en het verwoeste 117 8, 82| en het verwoeste Sion op te richten, en om ons een vastigheid 118 8, 82| en om ons een vastigheid te geven in Judea en Jeruzalem.~ 119 8, 84| komt om dat tot een erve te hebben, is een land, dat 120 8, 86| En gij zult niet zoeken te eniger tijd vrede te hebben 121 8, 86| zoeken te eniger tijd vrede te hebben met hen, opdat gij 122 8, 88| achterwaarts gekeerd, om uw wet te overtreden, zodat wij vermengd 123 8, 96| met u om de kracht daarbij te doen.~ 124 9, 5 | waren, binnen drie dagen te Jeruzalem; dit was de negende 125 9, 7 | genomen, om zonden op Israël te leggen.~ 126 9, 16| zaten zij om deze zaken te onderzoeken.~ 127 9, 37| Israël zetten zich neder te Jeruzalem, en in het land 128 9, 40| al de priesters om de wet te horen, op de nieuwe maan 129 9, 55| zij gingen allen heen, om te eten, en te drinken, en 130 9, 55| allen heen, om te eten, en te drinken, en vrolijk te zijn, 131 9, 55| en te drinken, en vrolijk te zijn, en om geschenken te 132 9, 55| te zijn, en om geschenken te geven aan hen die niet hadden, 133 9, 55| hadden, en zich grotelijks te vervrolijken;~


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License