Chapter, Verse
1 1, 3 | heilige in Israël bedienden, dat zij zichzelf de Here zouden
2 1, 3 | Heren te zetten in het huis, dat de koning Salomo de zoon
3 1, 6 | naar het bevel des Heren, dat hij Mozes heeft gegeven.~
4 1, 7 | En Josia schonk het volk, dat daar bevonden werd, dertigduizend
5 1, 13| volk. Daarna bereidden zij dat voor zichzelf, en voor de
6 1, 25| Josia, is het geschied, dat Farao de koning van Egypte
7 1, 32| is een bevel uitgegeven, dat zulks altijd geschieden
8 1, 35| van Egypte zette hem af, dat hij te Jeruzalem geen koning
9 1, 44| dagen te Jeruzalem, en deed dat kwaad was voor de Here.~
10 1, 47| 47 En deed dat kwaad was voor de Here;
11 1, 51| zijn boden, en op de dag dat de Here tot hen sprak, belachten
12 2, 1 | woord des Heren vervuld werd dat hij door de mond van Jeremia
13 2, 4 | 4 En heeft mij bevolen, dat ik hem een huis zou bouwen
14 2, 4 | zou bouwen te Jeruzalem, dat in Judea is.~
15 2, 18| Heer koning bekend gemaakt, dat de Joden, die van u tot
16 2, 22| geschreven, vinden, en verstaan, dat die stad afvallig was, en
17 2, 23| 23 En dat de Joden daarin zich, van
18 2, 24| nu u Heer koning weten, dat indien deze stad weder gebouwd
19 2, 26| doen, en daar is bevonden, dat deze stad van ouds af zich
20 2, 27| 27 En dat de lieden afvallig geweest
21 2, 27| daarin gevoerd hebben, en dat te Jeruzalem machtige en
22 2, 28| dan, zo heb ik bevolen, dat men deze mensen zal verhinderen
23 2, 28| verhinderen hun stad te bouwen; en dat men daarop acht hebbe, dat
24 2, 28| dat men daarop acht hebbe, dat niets verder daarin worde
25 2, 29| 29 En dat de boosheid niet verder
26 3, 5 | woord wijzer zal schijnen dat dat des anderen, hem zal
27 3, 5 | wijzer zal schijnen dat dat des anderen, hem zal de
28 3, 9 | Perzië zullen oordelen, dat zijn rede de wijste is,
29 3, 22| koning of vorst, en hij maakt dat een ieder van talenten spreekt.~
30 4, 3 | alles wat hij hun zegt, dat gehoorzamen zij.~
31 4, 4 | 4 Indien hij hun zegt dat zij de een de anderen zullen
32 4, 7 | 7 Indien hij zegt dat men dode, zo doden zij;
33 4, 7 | doden zij; indien hij zegt dat men aflate, zo laten zij
34 4, 8 | 8 Zegt hij dat men sla, zo slaan zij; zegt
35 4, 8 | zo slaan zij; zegt hij dat men verwoeste, zo verwoesten
36 4, 8 | verwoesten zij; zegt hij dat men bouwe, zo bouwen zij.~
37 4, 9 | 9 Zegt hij dat men afbreke, zo breken zij
38 4, 9 | breken zij af; zegt hij dat men plante, zo planten zij;~
39 4, 15| gebracht, en al het volk, dat de zee en de aarde regeert
40 4, 19| 19 Zo verlaten zij dat alles, en wenden de ogen
41 4, 22| hieruit moet gij weten, dat de vrouwen u regeren.~
42 4, 24| gestroopt heeft, zo brengt hij dat tot zijn beminde.~
43 4, 44| 44 En dat gij al de vaten, die uit
44 4, 46| verzoek, heer koning, en dat ik van u begeer: en deze
45 4, 46| geeist wordt. Ik bid dan dat gij de belofte volbrengt,
46 4, 47| krijgsoversten, en vorsten, dat zij hem zouden geleide doen,
47 4, 48| Libanon, schreef hij brieven, dat zij cederhout zouden overbrengen
48 4, 48| Libanon naar Jeruzalem, en dat zij de stad met hem zouden
49 4, 49| opgingen vanwege de vrijheid, dat geen machtige, noch landvoogd,
50 4, 50| 50 En dat het gehele land, dat zij
51 4, 50| En dat het gehele land, dat zij bewoonden, voor hen
52 4, 50| zonder schatting zou zijn: en dat de Idumeeërs de vlekken
53 4, 52| 52 En dat zij, om op het altaar, naar
54 4, 52| het altaar, naar het gebod dat zij hadden, dagelijks brandofferen
55 4, 53| 53 En dat al degenen, die van Babylonië
56 4, 55| 55 En hij schreef, dat men de Levieten onderhoud
57 4, 55| zou geven, tot de dag toe dat het huis Gods zou voleindigd,
58 4, 56| 56 En schreef, dat men allen, die de stad bewaarden,
59 4, 57| Cyrus bevolen had te doen, dat beval hij ook te doen, en
60 4, 62| loofden de God hunner vaderen, dat hij hun verkwikking en verlossing
61 5, 40| Attaria zeiden tot hen, dat zij geen deel zouden hebben
62 5, 55| Joppe, volgens het bevel, dat van Cyrus, de koning van
63 5, 61| gezangen, lovende de Here, dat zijn goedheid en zijn heerlijkheid
64 5, 63| ouder waren, en het huis, dat voor dezen was, gezien hadden,~
65 5, 66| stammen Juda en Benjamin dat hoorden, zo kwamen zij om
66 5, 67| 67 En zij verstonden, dat degenen, die uit de gevangenis
67 5, 74| samenrottingen makende, beletten zij dat de bouw niet werd voleindigd,
68 6, 2 | bouwen het huis des Heren, dat te Jeruzalem is, dewijl
69 6, 4 | 4 Wie heeft u bevolen dat huis te bouwen, en dat dak,
70 6, 4 | bevolen dat huis te bouwen, en dat dak, en al deze andere dingen
71 6, 8 | kennelijk onze Heer de koning, dat wij aangekomen zijnde in
72 6, 8 | Jeruzalem, bevonden hebben, dat de oudsten der Joden, die
73 6, 10| 10 En dat deze werken met vlijt geschieden,
74 6, 10| met vlijt geschieden, en dat het werk gelukkig voortgaat
75 6, 11| zeiden: Wie heeft u bevolen dat huis te bouwen, en de grond
76 6, 17| Maar in het eerste jaar dat Cyrus over het land van
77 6, 17| koning Cyrus geschreven, dat men dit huis weder zou bouwen.~
78 6, 18| weggevoerd had uit het huis Gods dat te Jeruzalem was, en die
79 6, 19| 19 En hem werd bevolen, dat hij al die vaten zou wegnemen,
80 6, 19| tempel te Jeruzalem, en dat de tempel des Heren zou
81 6, 22| En indien bevonden wordt, dat de opbouw van het huis des
82 6, 23| de koning Darius bevolen, dat men zou onderzoeken in de
83 6, 24| gebood de koning Cyrus, dat men het huis des Heren te
84 6, 25| wand van nieuw hout van dat land, en dat men de onkosten
85 6, 25| nieuw hout van dat land, en dat men de onkosten zou geven
86 6, 26| had uit het huis des Heren dat te Jeruzalem was, en naar
87 6, 27| verordineerd, zorg te dragen, dat zij zich van die plaats
88 6, 27| plaats zouden onthouden; en dat zij de knecht des Heren
89 6, 28| hij heb daarbij bevolen, dat zij het geheel zullen opbouwen,
90 6, 28| geheel zullen opbouwen, en dat men wel toezie, dat men
91 6, 28| en dat men wel toezie, dat men de Joden, die uit de
92 6, 29| 29 Ook dat uit de inkomsten van Celo-Syrië
93 6, 30| Jeruzalem zijn, zullen verklaren dat dagelijks gebezigd wordt
94 6, 31| koning, en zijn kinderen; en dat zij bidden voor hun lang
95 6, 32| hetgeen aangeschreven is, dat men een balk zal nemen van
96 6, 32| hem daaraan zal hangen, en dat zijn goederen aan de koning
97 6, 34| Darius, heb goedgevonden, dat deze dingen vlijtig zullen
98 8, 11| bewijzen zo heb ik bevolen, dat zij die dat vrijwillig begeren
99 8, 11| ik bevolen, dat zij die dat vrijwillig begeren uit het
100 8, 12| als er dan begerig zijn, dat zij mede trekken; gelijk
101 8, 14| en al het goud en zilver, dat zou mogen bevonden worden
102 8, 14| het land van Babylonië, dat men dat weder brenge de
103 8, 14| land van Babylonië, dat men dat weder brenge de Here te
104 8, 15| 15 Met hetgeen dat van uw volk gegeven is tot
105 8, 15| die te Jeruzalem is; en dat men vergadere het goud en
106 8, 17| goud en zilver, volbrengt dat naar de wil uws Gods.~
107 8, 21| 21 Dat zo wat Ezra, de priester
108 8, 24| ulieden wordt ook geboden, dat geen priesters, noch Levieten,
109 8, 25| 25 Noch dat iemand macht hebbe hun iets
110 8, 28| gegeven, opdat hij zijn huis, dat te Jeruzalem is, verheerlijken
111 8, 46| 46 En ik zeide hun, dat zij zouden komen tot Loddeus
112 8, 47| 47 Hun bevelende, dat zij Loddo en zijn broederen,
113 8, 47| plaats zouden aanzeggen, dat zij ons enigen zouden toezenden,
114 8, 53| tegen de koning gezegd, dat de sterkte onzes Heren was
115 8, 84| land waarin gij komt om dat tot een erve te hebben,
116 8, 84| te hebben, is een land, dat door de bezoedeling van
117 8, 84| bezoedeld is, want zij hebben dat met hun onreinheid vervuld.~
118 8, 94| geschieden voor de Here, dat wij al onze vrouwen, die
119 8, 97| Levieten van gans Israël, dat zij hiernaar doen zouden,
120 9, 4 | 4 En dat hun, die binnen twee of
121 9, 12| 12 Doch dat de voorgangers der menigte
122 9, 13| 13 Dat zij hier komen, en tijd
123 9, 20| legden de hand daaraan; dat zij hun vrouwen verstieten;
124 9, 20| hun vrouwen verstieten; en dat zij rammen offerden tot
125 9, 39| en leermeester der wet, dat hij de wet Mozes zou halen,
126 9, 56| onderricht in het woord, dat hun geleerd was, en waartoe
|