Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
mens 1
mensen 9
mesullamas 1
met 105
metalen 1
metgezellen 4
metreten 1
Frequency    [«  »]
133 te
126 dat
119 des
105 met
98 is
94 koning
90 hij

Het derde boek Ezra

IntraText - Concordances

met

    Chapter, Verse
1 1, 2 | stelde de priesters, die met lange klederen waren aangedaan, 2 1, 12| koperen ketels en potten, met goede reuk;~ 3 1, 23| gericht geworden voor de Here, met een hart vol van godvruchtigheid.~ 4 1, 26| hem, zeggende: Wat heb ik met u te doen, gij koning Juda?~ 5 1, 32| Josia, en de voornaamsten met hun vrouwen beklaagden hem 6 1, 40| van Babylon, en bond hem met een metalen band, en voerde 7 1, 45| brengen naar Babylon, tezamen met de heilige vaten des Heren;~ 8 1, 53| doodden hun jongelingen met het zwaard zelfs in de omgang 9 1, 55| haar torens verbrandden zij met vuur, en alles wat in haar 10 2, 5 | uit zijn volk, de Here zij met hem, en hij trekke op naar 11 2, 7 | 7 Die zullen hem helpen, met goud en met zilver, en gaven; 12 2, 7 | hem helpen, met goud en met zilver, en gaven; met paarden, 13 2, 7 | en met zilver, en gaven; met paarden, en lastdieren, 14 2, 7 | paarden, en lastdieren, en met andere dingen, die men als 15 2, 9 | rondom hen waren, hielpen hen met allerlei dingen, met zilver 16 2, 9 | hen met allerlei dingen, met zilver en met goud, met 17 2, 9 | allerlei dingen, met zilver en met goud, met paarden, en lastdieren, 18 2, 9 | met zilver en met goud, met paarden, en lastdieren, 19 2, 9 | paarden, en lastdieren, en met zeer vele gewillige gaven 20 2, 15| wedergebracht door Schesbatzar, met degenen, die uit de gevangenis 21 2, 16| schrijver, en de overigen die met hen verordineerd waren, 22 2, 20| Dewijl men dan in het werk is met hetgeen de tempel aangaat, 23 2, 25| en aan de anderen, die met hen verordineerd waren, 24 2, 30| Samellius de schrijver en die met hen verordineerd waren tezamen, 25 2, 30| waren tezamen, en trokken met haast naar Jeruzalem, met 26 2, 30| met haast naar Jeruzalem, met een leger van ruiters en 27 3, 6 | 6 Hij zal hem met purper doen kleden, en uit 28 3, 6 | geven, die door paarden met gouden tomen wordt getrokken, 29 4, 19| wenden de ogen op haar, en met open mond aanschouwen zij 30 4, 30| zichzelf op, en sloeg de koning met haar linkerhand.~ 31 4, 31| bovendien zag haar de koning met open mond aan, en indien 32 4, 31| liefkoosde hij haar, opdat zij met hem verzoend zou worden.~ 33 4, 46| gij de Koning des hemels met uw mond hebt beloofd te 34 4, 47| geleide doen, en allen die met hem opgingen om Jeruzalem 35 4, 48| Jeruzalem, en dat zij de stad met hem zouden bouwen.~ 36 4, 53| zij en hun nakomelingen, met al de priesters die mede 37 4, 63| En zij bedreven vreugde met snarenspel en vrolijkheid, 38 5, 1 | vaderen naar hun stammen, met hun vrouwen en hun zonen 39 5, 2 | 2 En Darius zond met hen duizend ruiters, om 40 5, 2 | geleiden naar Jeruzalem, met muziek, trommelen en fluiten,~ 41 5, 3 | deden hen zo gezamenlijk met die optrekken.~ 42 5, 8 | in zijn eigen stad: die met Zerubabel en Jozua kwamen 43 5, 8 | Zerubabel en Jozua kwamen en met Nehemia, Saraja, Resaja, 44 5, 9 | die van het volk waren, met hun oversten, was: de kinderen 45 5, 24| van Jeddu, de zoon Jozua, met de kinderen van Lanasib 46 5, 40| opstaan, die aangedaan was met openbaring en waarheid.~ 47 5, 48| zijn broeders de priesters, met Zerubabel, de zoon van Sealthiël 48 5, 50| omdat zij in vijandschap met hen waren.~ 49 5, 58| des Heren; en Jozua stond met zijn zonen en broederen, 50 5, 58| Joda, de zoon van Eliadad, met hun zonen en broederen; 51 5, 59| stonden in lange klederen met snarenspel en bazuinen; 52 5, 59| Levieten, de kinderen van Asaf, met cymbalen.~ 53 5, 61| zij verhieven hun stemmen met gezangen, lovende de Here, 54 5, 62| En het ganse volk blies met bazuinen, en riep met grote 55 5, 62| blies met bazuinen, en riep met grote stem, zingende de 56 5, 64| het gebouw van dit huis met schreien en met groot geroep, 57 5, 64| dit huis met schreien en met groot geroep, en velen met 58 5, 64| met groot geroep, en velen met bazuinen en vreugde in grote 59 5, 68| zeiden tot hen, laat ons met u bouwen.~ 60 6, 9 | groot huis voor de Here met gehouwen kostelijke stenen, 61 6, 10| 10 En dat deze werken met vlijt geschieden, en dat 62 6, 22| huis des Heren te Jeruzalem met bewilliging van de koning 63 6, 25| de breedte zestig ellen, met drie wanden van gehouwen 64 6, 29| van Celo-Syrië en Fenicië met vlijt een bijleg gegeven 65 7, 4 | Heren de God van Israël, en met goedvinden van Cyrus, en 66 7, 9 | naar de geslachten, bekleed met lange klederen, over de 67 8, 5 | 5 En met hem trokken naar Jeruzalem 68 8, 11| in ons koninkrijk zijnde, met u zullen mogen reizen naar 69 8, 15| 15 Met hetgeen dat van uw volk 70 8, 17| broederen zult willen doen met het goud en zilver, volbrengt 71 8, 22| wijn, en andere, dingen met menigte.~ 72 8, 27| worden gestraft, hetzij met de dood, hetzij met andere 73 8, 27| hetzij met de dood, hetzij met andere lijfstraffen, of 74 8, 27| andere lijfstraffen, of met geldboete, of met wegvoering.~ 75 8, 27| lijfstraffen, of met geldboete, of met wegvoering.~ 76 8, 30| mannen uit Israël, opdat zij met mij zouden optrekken.~ 77 8, 31| der heerschappijen, die met mij optogen uit Babylonië, 78 8, 33| van Foros: Zacharia, en met hem zijn aangetekend honderdenvijftig 79 8, 34| Eljaonia de zoon van Zarea, en met hem tweehonderd mannen.~ 80 8, 35| Sechenia, de zoon van Jezel, en met hem driehonderd mannen.~ 81 8, 36| de zoon van Jonathan, en met hem tweehonderdvijftig mannen.~ 82 8, 37| de zoon van Gotholia, en met hem zeventig mannen; uit 83 8, 37| de zoon van Michaël, en met hem zeventig mannen.~ 84 8, 38| Abadja, de zoon van Jezel, en met hem tweehonderdentwaalf 85 8, 39| de zoon van Josafir, en met hem honderdenzestig mannen.~ 86 8, 40| Zacharia, de zoon van Bebai, en met hem achtentwintig mannen.~ 87 8, 41| Astath, Joannes Aratan en met hem honderdentien mannen.~ 88 8, 42| van Gevel, en Jamaja, en met hen zeventig mannen; uit 89 8, 42| de zoon van Istaleumi, en met hem zeventig mannen.~ 90 8, 55| en Eresebia, en Lamia en met hem uit hun broederen nog 91 8, 64| 64 En met hem was Eleazar de zoon 92 8, 64| de zoon van Pinehas, en met hem waren Josabdos de zoon 93 8, 71| zich ten huwelijk gevoegd met dezer volken dochteren, 94 8, 78| onzer vaderen. zijn wij met onze broederen en met onze 95 8, 78| wij met onze broederen en met onze koningen, en met onze 96 8, 78| en met onze koningen, en met onze priesters overgegeven 97 8, 78| onze priesters overgegeven met schande, aan de koningen 98 8, 84| is, want zij hebben dat met hun onreinheid vervuld.~ 99 8, 86| eniger tijd vrede te hebben met hen, opdat gij machtig wordt 100 8, 88| zodat wij vermengd zijn met de onreinheid van de volken 101 8, 94| van vreemd geslacht zijn, met haar kinderen zullen uitdrijven.~ 102 8, 96| deze zaak toe, en wij zijn met u om de kracht daarbij te 103 9, 10| ganse menigte, en zeide met luider stem: Wij zullen 104 9, 16| vaderlijke huizen, allen met namen, en op de nieuwe maan 105 9, 36| huwelijk, en verlieten ze met hun kinderen.~


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License