Chapter, Verse
1 1, 2 | stelde de priesters, die met lange klederen waren aangedaan,
2 1, 12| koperen ketels en potten, met goede reuk;~
3 1, 23| gericht geworden voor de Here, met een hart vol van godvruchtigheid.~
4 1, 26| hem, zeggende: Wat heb ik met u te doen, gij koning Juda?~
5 1, 32| Josia, en de voornaamsten met hun vrouwen beklaagden hem
6 1, 40| van Babylon, en bond hem met een metalen band, en voerde
7 1, 45| brengen naar Babylon, tezamen met de heilige vaten des Heren;~
8 1, 53| doodden hun jongelingen met het zwaard zelfs in de omgang
9 1, 55| haar torens verbrandden zij met vuur, en alles wat in haar
10 2, 5 | uit zijn volk, de Here zij met hem, en hij trekke op naar
11 2, 7 | 7 Die zullen hem helpen, met goud en met zilver, en gaven;
12 2, 7 | hem helpen, met goud en met zilver, en gaven; met paarden,
13 2, 7 | en met zilver, en gaven; met paarden, en lastdieren,
14 2, 7 | paarden, en lastdieren, en met andere dingen, die men als
15 2, 9 | rondom hen waren, hielpen hen met allerlei dingen, met zilver
16 2, 9 | hen met allerlei dingen, met zilver en met goud, met
17 2, 9 | allerlei dingen, met zilver en met goud, met paarden, en lastdieren,
18 2, 9 | met zilver en met goud, met paarden, en lastdieren,
19 2, 9 | paarden, en lastdieren, en met zeer vele gewillige gaven
20 2, 15| wedergebracht door Schesbatzar, met degenen, die uit de gevangenis
21 2, 16| schrijver, en de overigen die met hen verordineerd waren,
22 2, 20| Dewijl men dan in het werk is met hetgeen de tempel aangaat,
23 2, 25| en aan de anderen, die met hen verordineerd waren,
24 2, 30| Samellius de schrijver en die met hen verordineerd waren tezamen,
25 2, 30| waren tezamen, en trokken met haast naar Jeruzalem, met
26 2, 30| met haast naar Jeruzalem, met een leger van ruiters en
27 3, 6 | 6 Hij zal hem met purper doen kleden, en uit
28 3, 6 | geven, die door paarden met gouden tomen wordt getrokken,
29 4, 19| wenden de ogen op haar, en met open mond aanschouwen zij
30 4, 30| zichzelf op, en sloeg de koning met haar linkerhand.~
31 4, 31| bovendien zag haar de koning met open mond aan, en indien
32 4, 31| liefkoosde hij haar, opdat zij met hem verzoend zou worden.~
33 4, 46| gij de Koning des hemels met uw mond hebt beloofd te
34 4, 47| geleide doen, en allen die met hem opgingen om Jeruzalem
35 4, 48| Jeruzalem, en dat zij de stad met hem zouden bouwen.~
36 4, 53| zij en hun nakomelingen, met al de priesters die mede
37 4, 63| En zij bedreven vreugde met snarenspel en vrolijkheid,
38 5, 1 | vaderen naar hun stammen, met hun vrouwen en hun zonen
39 5, 2 | 2 En Darius zond met hen duizend ruiters, om
40 5, 2 | geleiden naar Jeruzalem, met muziek, trommelen en fluiten,~
41 5, 3 | deden hen zo gezamenlijk met die optrekken.~
42 5, 8 | in zijn eigen stad: die met Zerubabel en Jozua kwamen
43 5, 8 | Zerubabel en Jozua kwamen en met Nehemia, Saraja, Resaja,
44 5, 9 | die van het volk waren, met hun oversten, was: de kinderen
45 5, 24| van Jeddu, de zoon Jozua, met de kinderen van Lanasib
46 5, 40| opstaan, die aangedaan was met openbaring en waarheid.~
47 5, 48| zijn broeders de priesters, met Zerubabel, de zoon van Sealthiël
48 5, 50| omdat zij in vijandschap met hen waren.~
49 5, 58| des Heren; en Jozua stond met zijn zonen en broederen,
50 5, 58| Joda, de zoon van Eliadad, met hun zonen en broederen;
51 5, 59| stonden in lange klederen met snarenspel en bazuinen;
52 5, 59| Levieten, de kinderen van Asaf, met cymbalen.~
53 5, 61| zij verhieven hun stemmen met gezangen, lovende de Here,
54 5, 62| En het ganse volk blies met bazuinen, en riep met grote
55 5, 62| blies met bazuinen, en riep met grote stem, zingende de
56 5, 64| het gebouw van dit huis met schreien en met groot geroep,
57 5, 64| dit huis met schreien en met groot geroep, en velen met
58 5, 64| met groot geroep, en velen met bazuinen en vreugde in grote
59 5, 68| zeiden tot hen, laat ons met u bouwen.~
60 6, 9 | groot huis voor de Here met gehouwen kostelijke stenen,
61 6, 10| 10 En dat deze werken met vlijt geschieden, en dat
62 6, 22| huis des Heren te Jeruzalem met bewilliging van de koning
63 6, 25| de breedte zestig ellen, met drie wanden van gehouwen
64 6, 29| van Celo-Syrië en Fenicië met vlijt een bijleg gegeven
65 7, 4 | Heren de God van Israël, en met goedvinden van Cyrus, en
66 7, 9 | naar de geslachten, bekleed met lange klederen, over de
67 8, 5 | 5 En met hem trokken naar Jeruzalem
68 8, 11| in ons koninkrijk zijnde, met u zullen mogen reizen naar
69 8, 15| 15 Met hetgeen dat van uw volk
70 8, 17| broederen zult willen doen met het goud en zilver, volbrengt
71 8, 22| wijn, en andere, dingen met menigte.~
72 8, 27| worden gestraft, hetzij met de dood, hetzij met andere
73 8, 27| hetzij met de dood, hetzij met andere lijfstraffen, of
74 8, 27| andere lijfstraffen, of met geldboete, of met wegvoering.~
75 8, 27| lijfstraffen, of met geldboete, of met wegvoering.~
76 8, 30| mannen uit Israël, opdat zij met mij zouden optrekken.~
77 8, 31| der heerschappijen, die met mij optogen uit Babylonië,
78 8, 33| van Foros: Zacharia, en met hem zijn aangetekend honderdenvijftig
79 8, 34| Eljaonia de zoon van Zarea, en met hem tweehonderd mannen.~
80 8, 35| Sechenia, de zoon van Jezel, en met hem driehonderd mannen.~
81 8, 36| de zoon van Jonathan, en met hem tweehonderdvijftig mannen.~
82 8, 37| de zoon van Gotholia, en met hem zeventig mannen; uit
83 8, 37| de zoon van Michaël, en met hem zeventig mannen.~
84 8, 38| Abadja, de zoon van Jezel, en met hem tweehonderdentwaalf
85 8, 39| de zoon van Josafir, en met hem honderdenzestig mannen.~
86 8, 40| Zacharia, de zoon van Bebai, en met hem achtentwintig mannen.~
87 8, 41| Astath, Joannes Aratan en met hem honderdentien mannen.~
88 8, 42| van Gevel, en Jamaja, en met hen zeventig mannen; uit
89 8, 42| de zoon van Istaleumi, en met hem zeventig mannen.~
90 8, 55| en Eresebia, en Lamia en met hem uit hun broederen nog
91 8, 64| 64 En met hem was Eleazar de zoon
92 8, 64| de zoon van Pinehas, en met hem waren Josabdos de zoon
93 8, 71| zich ten huwelijk gevoegd met dezer volken dochteren,
94 8, 78| onzer vaderen. zijn wij met onze broederen en met onze
95 8, 78| wij met onze broederen en met onze koningen, en met onze
96 8, 78| en met onze koningen, en met onze priesters overgegeven
97 8, 78| onze priesters overgegeven met schande, aan de koningen
98 8, 84| is, want zij hebben dat met hun onreinheid vervuld.~
99 8, 86| eniger tijd vrede te hebben met hen, opdat gij machtig wordt
100 8, 88| zodat wij vermengd zijn met de onreinheid van de volken
101 8, 94| van vreemd geslacht zijn, met haar kinderen zullen uitdrijven.~
102 8, 96| deze zaak toe, en wij zijn met u om de kracht daarbij te
103 9, 10| ganse menigte, en zeide met luider stem: Wij zullen
104 9, 16| vaderlijke huizen, allen met namen, en op de nieuwe maan
105 9, 36| huwelijk, en verlieten ze met hun kinderen.~
|