Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
komen 4
komt 3
konden 1
koning 94
koningen 13
konings 20
koninklijke 2
Frequency    [«  »]
119 des
105 met
98 is
94 koning
90 hij
88 hun
81 tot

Het derde boek Ezra

IntraText - Concordances

koning

   Chapter, Verse
1 1, 3 | zetten in het huis, dat de koning Salomo de zoon Davids gebouwd 2 1, 5 | het voorschrift Davids; de koning Israëls, en naar de heerlijke 3 1, 15| en Jeduthun, die door de koning gesteld was.~ 4 1, 21| 21 En geen koning Israëls heeft zodanig Pascha 5 1, 25| het geschied, dat Farao de koning van Egypte kwam, en oorlog 6 1, 26| 26 En de koning van Egypte zond tot hem, 7 1, 26| heb ik met u te doen, gij koning Juda?~ 8 1, 29| oversten kwamen af tegen de koning Josia.~ 9 1, 30| 30 En de koning zeide tot zijn knechten: 10 1, 34| Josia, en maakte hem tot koning in plaats van zijn vader, 11 1, 35| 35 En hij was koning in Israël en Jeruzalem drie 12 1, 35| Jeruzalem drie maanden. En de koning van Egypte zette hem af, 13 1, 35| dat hij te Jeruzalem geen koning zou zijn.~ 14 1, 37| 37 En de koning van Egypte stelde zijn broeder 15 1, 37| zijn broeder Jojakim tot koning over Juda en Jeruzalem;~ 16 1, 39| vijfentwintig jaren oud, toen hij koning werd over Judea en Jeruzalem, 17 1, 40| toog op Nabuchodonosor, de koning van Babylon, en bond hem 18 1, 43| En Joakim zijn zoon, werd koning in zijn plaats, en hij was 19 1, 43| achttien jaren oud toen hij koning gemaakt werd;~ 20 1, 46| 46 En maakte Zedekia koning over Judea en Jeruzalem; 21 1, 48| een eed gedaan had aan de koning Nabuchodonosor, bij de naam 22 2, 2 | Here de geest van Cyrus, de koning der Perzen, die liet uitroepen 23 2, 3 | 3 Dit zegt Cyrus, de koning der Perzen: De Here Israëls, 24 2, 3 | allerhoogste Here, heeft mij tot koning gemaakt over de gehele aarde;~ 25 2, 10| 10 En de koning Cyrus bracht tevoorschijn 26 2, 11| 11 En Cyrus, de koning der Perzen, die tevoorschijn 27 2, 16| tijde van Artaxerxes, de koning van Perzië, schreven aan 28 2, 17| 17 De koning Artaxerxes onze Heer; uw 29 2, 18| 18 Het zij nu de Heer koning bekend gemaakt, dat de Joden, 30 2, 21| 21 Maar de Heer koning zulks te laten weten, opdat, 31 2, 24| 24 Zo doen wij nu u Heer koning weten, dat indien deze stad 32 2, 25| 25 Toen schreef de koning terug aan Rathymus, de schrijver, 33 2, 30| 30 Toen nu hetgeen van de koning Artaxerxes geschreven werd, 34 2, 31| koninkrijk van Darius, de koning van Perzië.~ 35 3, 1 | 1 EN Darius, koning zijnde, maakte een grote 36 3, 3 | naar huis. Doch Darius, de koning, keerde weder in zijn slaapkamer, 37 3, 5 | des anderen, hem zal de koning Darius grote giften en grote 38 3, 9 | 9 En zeide, wanneer de koning zal opgestaan zijn, zo zullen 39 3, 9 | geschrift geven; en van wie de koning en de drie oversten van 40 3, 11| 11 De andere: De koning is de sterkste.~ 41 3, 13| 13 En als de koning opgestaan was, namen zij 42 3, 22| en gedenkt niet aan de koning of vorst, en hij maakt dat 43 4, 3 | 3 De koning nu overtreft en overheerst 44 4, 5 | brengen zij alles tot de koning: wat zij geroofd hebben 45 4, 6 | maaien, zo brengen zij de koning schatting; en de een dwingt 46 4, 6 | een dwingt de ander om de koning schatting toe te brengen, 47 4, 12| O mannen, hoe is dan de koning niet de sterkste, die men 48 4, 14| O mannen, niet de grote koning, noch de veelheid der mensen, 49 4, 15| vrouwen? De vrouwen hebben de koning ter wereld gebracht, en 50 4, 28| gelooft gij mij niet? Is de koning niet groot in zijn macht? 51 4, 30| zichzelf op, en sloeg de koning met haar linkerhand.~ 52 4, 31| En bovendien zag haar de koning met open mond aan, en indien 53 4, 33| 33 Toen zagen de koning en de groten op elkander. 54 4, 37| De wijn is onrecht, in de koning is onrecht, in de vrouwen 55 4, 42| 42 Toen zeide de koning tot hem, eis wat gij wilt 56 4, 43| 43 Toen zeide hij tot de koning: Gedenk aan uw belofte, 57 4, 46| wat ik van u verzoek, heer koning, en dat ik van u begeer: 58 4, 46| belofte volbrengt, die gij de Koning des hemels met uw mond hebt 59 4, 47| 47 Toen stond de koning Darius op, en kuste hem; 60 4, 58| Jeruzalem, en dankte de Koning des hemels, zeggende:~ 61 5, 6 | 6 Die onder Darius, de koning der Perzen, de wijze redenen 62 5, 7 | welke Nabuchodonosor, de koning van Babel, in Babylonië 63 5, 55| bevel, dat van Cyrus, de koning van Perzië, hun was aangeschreven.~ 64 5, 60| instelling van David, de koning van Israël.~ 65 5, 69| de dagen van Asbakaf de koning van Assyrië af, die ons 66 5, 72| volgens hetgeen Cyrus, de koning der Perzen ons heeft bevolen.~ 67 6, 7 | oversten zijn, wensen Darius de koning voorspoed.~ 68 6, 8 | alles kennelijk onze Heer de koning, dat wij aangekomen zijnde 69 6, 14| door een groot en machtig koning Israëls, en is voltooid.~ 70 6, 15| handen van Nabuchodonosor, de koning te Babylon, de koning der 71 6, 15| de koning te Babylon, de koning der Chaldeeën,~ 72 6, 17| Babylonië regeerde, heeft de koning Cyrus geschreven, dat men 73 6, 18| gezet had, deze nam Cyrus de koning weder uit de tempel die 74 6, 21| indien het u goeddunkt heer koning, zo laat onderzocht worden 75 6, 22| Jeruzalem met bewilliging van de koning Cyrus is geschied, en het 76 6, 22| Cyrus is geschied, en het de koning onze Heer goeddunkt, zo 77 6, 23| 23 Toen heeft de koning Darius bevolen, dat men 78 6, 24| Cyrus regeerde, gebood de koning Cyrus, dat men het huis 79 6, 25| geven uit het huis Cyrus de koning.~ 80 6, 31| de hoogste God, voor de koning, en zijn kinderen; en dat 81 6, 32| dat zijn goederen aan de koning zullen vervallen zijn.~ 82 6, 33| wordt, doe teniet een ieder koning en volk, welke zijn hand 83 6, 34| 34 Ik, koning Darius, heb goedgevonden, 84 7, 1 | geweest aan hetgeen door de koning Darius was verordineerd;~ 85 7, 15| Omdat Hij de raad van de koning der Assyriërs tot hen had 86 8, 1 | deze, als Artaxerxes, de koning der Perzen, regeerde, trok 87 8, 4 | 4 En de koning had hem heerlijkheid gegeven, 88 8, 9 | schriftelijk bevel van de koning Artaxerxes tot Ezra de priester 89 8, 10| 10 De koning Artaxerxes wenst Ezra, de 90 8, 20| 20 En ik Artaxerxes, koning, heb bevolen aan hen, die 91 8, 29| heeft geëerd gemaakt voor de koning en zijn raadsheren, en al 92 8, 52| Want ik schaamde mij van de koning voetknechten en ruiters 93 8, 53| Want wij hadden tegen de koning gezegd, dat de sterkte onzes 94 8, 56| huis onzes Heren, welke de koning, en zijn raadsheren, en


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License