Chapter, Verse
1 1, 3 | 3 En hij zeide tot de Levieten, die
2 1, 6 | het bevel des Heren, dat hij Mozes heeft gegeven.~
3 1, 28| de profeet Jeremia, die hij hem zeide uit de mond des
4 1, 29| 29 Maar hij stelde zich om te strijden
5 1, 31| 31 En hij klom op zijn tweede wagen,
6 1, 31| zijn tweede wagen, en als hij te Jeruzalem wedergebracht
7 1, 31| wedergebracht was, legde hij het leven af, en werd begraven
8 1, 34| plaats van zijn vader, toen hij drieëntwintig jaren oud
9 1, 35| 35 En hij was koning in Israël en
10 1, 35| Egypte zette hem af, dat hij te Jeruzalem geen koning
11 1, 38| zijn broeder Saracus nam hij, en bracht hem weder in
12 1, 39| vijfentwintig jaren oud, toen hij koning werd over Judea en
13 1, 43| koning in zijn plaats, en hij was achttien jaren oud toen
14 1, 43| achttien jaren oud toen hij koning gemaakt werd;~
15 1, 48| 48 En hoewel hij een eed gedaan had aan de
16 1, 48| naam des Heren, zo werd hij meinedig, en viel van hem
17 1, 48| en viel van hem af, en hij verhardde zijn nek, en zijn
18 1, 50| bekering te roepen, opdat hij hen zou verschonen, en zijn
19 1, 52| 52 Totdat hij vertoornd zijnde over zijn
20 1, 54| 54 Maar hij gaf hen allen in hun handen,
21 2, 1 | des Heren vervuld werd dat hij door de mond van Jeremia
22 2, 5 | de Here zij met hem, en hij trekke op naar Jeruzalem
23 3, 6 | 6 Hij zal hem met purper doen
24 3, 7 | 7 En hij zal de tweede naast Darius
25 3, 13| geschrift, en gaven het hem, en hij las het.~
26 3, 14| uitgezonden hebbende liet hij roepen al de groten van
27 3, 15| 15 En hij zette zich neder in zijn
28 3, 15| werd voor hen gelezen en hij zeide:~
29 3, 19| hoe oversterk is de wijn; hij verleidt al de mensen die
30 3, 20| 20 Hij maakt het verstand des konings
31 3, 21| 21 En hij verandert alle verstand
32 3, 21| vreugde en vrolijkheid, en hij gedenkt aan geen droefheid,
33 3, 22| 22 Hij maakt alle harten rijk,
34 3, 22| aan de koning of vorst, en hij maakt dat een ieder van
35 3, 25| niet de sterkste, dewijl hij dit dwingt te doen? En hij
36 3, 25| hij dit dwingt te doen? En hij zweeg stil, als hij zo gesproken
37 3, 25| En hij zweeg stil, als hij zo gesproken had.~ ~
38 4, 3 | regeert die, en alles wat hij hun zegt, dat gehoorzamen
39 4, 4 | 4 Indien hij hun zegt dat zij de een
40 4, 4 | zij doen het; en indien hij uitzendt tegen hun vijanden,
41 4, 7 | 7 Indien hij zegt dat men dode, zo doden
42 4, 7 | dode, zo doden zij; indien hij zegt dat men aflate, zo
43 4, 8 | 8 Zegt hij dat men sla, zo slaan zij;
44 4, 8 | sla, zo slaan zij; zegt hij dat men verwoeste, zo verwoesten
45 4, 8 | zo verwoesten zij; zegt hij dat men bouwe, zo bouwen
46 4, 9 | 9 Zegt hij dat men afbreke, zo breken
47 4, 9 | zo breken zij af; zegt hij dat men plante, zo planten
48 4, 11| 11 Daarenboven zit hij neder, eet hij, drinkt hij,
49 4, 11| Daarenboven zit hij neder, eet hij, drinkt hij, slaapt hij,
50 4, 11| hij neder, eet hij, drinkt hij, slaapt hij, zo hebben zij
51 4, 11| hij, drinkt hij, slaapt hij, zo hebben zij de wacht
52 4, 12| men alzo gehoorzaamt? en hij zweeg stil.~
53 4, 21| 21 En bij de vrouw laat hij zijn leven; en gedenkt noch
54 4, 24| in duisternis; en wanneer hij gestolen, en geroofd, en
55 4, 24| gestroopt heeft, zo brengt hij dat tot zijn beminde.~
56 4, 31| hem aanlachte, zo lachte hij ook; en indien zij op hem
57 4, 31| gram werd, zo liefkoosde hij haar, opdat zij met hem
58 4, 33| de groten op elkander. En hij, begon te spreken van de
59 4, 41| 41 En hij zweeg stil. En al het volk
60 4, 43| 43 Toen zeide hij tot de koning: Gedenk aan
61 4, 44| afgezonderd heeft, toen hij beloofde Babylon te verstoren,
62 4, 44| Babylon te verstoren, en hij beloofde die weder derwaarts
63 4, 48| de berg Libanon, schreef hij brieven, dat zij cederhout
64 4, 49| 49 En hij schreef aan al de Joden,
65 4, 54| 54 En hij schreef ook van het onderhoud
66 4, 55| 55 En hij schreef, dat men de Levieten
67 4, 57| 57 En hij zond weder al de vaten,
68 4, 57| bevolen had te doen, dat beval hij ook te doen, en naar Jeruzalem
69 4, 58| jongeling uitging, verhief hij zijn aangezicht naar de
70 4, 61| 61 En hij nam de brieven, en ging
71 4, 61| trok naar Babylonië, en hij verkondigde dit al zijn
72 4, 62| God hunner vaderen, dat hij hun verkwikking en verlossing
73 5, 56| in het tweede jaar nadat hij tot de tempel Gods te Jeruzalem
74 6, 6 | afschrift nu des briefs, die hij aan Darius heeft geschreven
75 6, 15| hadden verbitterd, zo gaf hij hen over in de handen van
76 6, 18| te Jeruzalem was, en die hij in zijn tempel gezet had,
77 6, 19| En hem werd bevolen, dat hij al die vaten zou wegnemen,
78 6, 20| daar gekomen was, legde hij de fundamenten van het huis
79 6, 27| 27 Hij beval ook Sisinnes de ondervoogd
80 6, 28| 28 En ik ook schreef hij heb daarbij bevolen, dat
81 7, 15| 15 Omdat Hij de raad van de koning der
82 8, 4 | heerlijkheid gegeven, dewijl hij genade bij hem vond, in
83 8, 4 | bij hem vond, in alles wat hij van hem begeerde.~
84 8, 8 | wetenschap bekomen, zodat hij niets naliet der dingen
85 8, 28| konings heeft gegeven, opdat hij zijn huis, dat te Jeruzalem
86 8, 63| 63 En hij heeft ons verlost van de
87 8, 81| door de Here onze God, maar hij heeft ons in genade gesteld
88 9, 39| leermeester der wet, dat hij de wet Mozes zou halen,
89 9, 41| 41 En hij las die in de grote plaats
90 9, 46| 46 En als hij de wet uitlegde, zo stonden
|