Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
hierover 1
hieruit 1
hiervan 1
hij 90
hinderlagen 1
hoe 4
hoed 1
Frequency    [«  »]
105 met
98 is
94 koning
90 hij
88 hun
81 tot
79 uit

Het derde boek Ezra

IntraText - Concordances

hij

   Chapter, Verse
1 1, 3 | 3 En hij zeide tot de Levieten, die 2 1, 6 | het bevel des Heren, dat hij Mozes heeft gegeven.~ 3 1, 28| de profeet Jeremia, die hij hem zeide uit de mond des 4 1, 29| 29 Maar hij stelde zich om te strijden 5 1, 31| 31 En hij klom op zijn tweede wagen, 6 1, 31| zijn tweede wagen, en als hij te Jeruzalem wedergebracht 7 1, 31| wedergebracht was, legde hij het leven af, en werd begraven 8 1, 34| plaats van zijn vader, toen hij drieëntwintig jaren oud 9 1, 35| 35 En hij was koning in Israël en 10 1, 35| Egypte zette hem af, dat hij te Jeruzalem geen koning 11 1, 38| zijn broeder Saracus nam hij, en bracht hem weder in 12 1, 39| vijfentwintig jaren oud, toen hij koning werd over Judea en 13 1, 43| koning in zijn plaats, en hij was achttien jaren oud toen 14 1, 43| achttien jaren oud toen hij koning gemaakt werd;~ 15 1, 48| 48 En hoewel hij een eed gedaan had aan de 16 1, 48| naam des Heren, zo werd hij meinedig, en viel van hem 17 1, 48| en viel van hem af, en hij verhardde zijn nek, en zijn 18 1, 50| bekering te roepen, opdat hij hen zou verschonen, en zijn 19 1, 52| 52 Totdat hij vertoornd zijnde over zijn 20 1, 54| 54 Maar hij gaf hen allen in hun handen, 21 2, 1 | des Heren vervuld werd dat hij door de mond van Jeremia 22 2, 5 | de Here zij met hem, en hij trekke op naar Jeruzalem 23 3, 6 | 6 Hij zal hem met purper doen 24 3, 7 | 7 En hij zal de tweede naast Darius 25 3, 13| geschrift, en gaven het hem, en hij las het.~ 26 3, 14| uitgezonden hebbende liet hij roepen al de groten van 27 3, 15| 15 En hij zette zich neder in zijn 28 3, 15| werd voor hen gelezen en hij zeide:~ 29 3, 19| hoe oversterk is de wijn; hij verleidt al de mensen die 30 3, 20| 20 Hij maakt het verstand des konings 31 3, 21| 21 En hij verandert alle verstand 32 3, 21| vreugde en vrolijkheid, en hij gedenkt aan geen droefheid, 33 3, 22| 22 Hij maakt alle harten rijk, 34 3, 22| aan de koning of vorst, en hij maakt dat een ieder van 35 3, 25| niet de sterkste, dewijl hij dit dwingt te doen? En hij 36 3, 25| hij dit dwingt te doen? En hij zweeg stil, als hij zo gesproken 37 3, 25| En hij zweeg stil, als hij zo gesproken had.~ ~ 38 4, 3 | regeert die, en alles wat hij hun zegt, dat gehoorzamen 39 4, 4 | 4 Indien hij hun zegt dat zij de een 40 4, 4 | zij doen het; en indien hij uitzendt tegen hun vijanden, 41 4, 7 | 7 Indien hij zegt dat men dode, zo doden 42 4, 7 | dode, zo doden zij; indien hij zegt dat men aflate, zo 43 4, 8 | 8 Zegt hij dat men sla, zo slaan zij; 44 4, 8 | sla, zo slaan zij; zegt hij dat men verwoeste, zo verwoesten 45 4, 8 | zo verwoesten zij; zegt hij dat men bouwe, zo bouwen 46 4, 9 | 9 Zegt hij dat men afbreke, zo breken 47 4, 9 | zo breken zij af; zegt hij dat men plante, zo planten 48 4, 11| 11 Daarenboven zit hij neder, eet hij, drinkt hij, 49 4, 11| Daarenboven zit hij neder, eet hij, drinkt hij, slaapt hij, 50 4, 11| hij neder, eet hij, drinkt hij, slaapt hij, zo hebben zij 51 4, 11| hij, drinkt hij, slaapt hij, zo hebben zij de wacht 52 4, 12| men alzo gehoorzaamt? en hij zweeg stil.~ 53 4, 21| 21 En bij de vrouw laat hij zijn leven; en gedenkt noch 54 4, 24| in duisternis; en wanneer hij gestolen, en geroofd, en 55 4, 24| gestroopt heeft, zo brengt hij dat tot zijn beminde.~ 56 4, 31| hem aanlachte, zo lachte hij ook; en indien zij op hem 57 4, 31| gram werd, zo liefkoosde hij haar, opdat zij met hem 58 4, 33| de groten op elkander. En hij, begon te spreken van de 59 4, 41| 41 En hij zweeg stil. En al het volk 60 4, 43| 43 Toen zeide hij tot de koning: Gedenk aan 61 4, 44| afgezonderd heeft, toen hij beloofde Babylon te verstoren, 62 4, 44| Babylon te verstoren, en hij beloofde die weder derwaarts 63 4, 48| de berg Libanon, schreef hij brieven, dat zij cederhout 64 4, 49| 49 En hij schreef aan al de Joden, 65 4, 54| 54 En hij schreef ook van het onderhoud 66 4, 55| 55 En hij schreef, dat men de Levieten 67 4, 57| 57 En hij zond weder al de vaten, 68 4, 57| bevolen had te doen, dat beval hij ook te doen, en naar Jeruzalem 69 4, 58| jongeling uitging, verhief hij zijn aangezicht naar de 70 4, 61| 61 En hij nam de brieven, en ging 71 4, 61| trok naar Babylonië, en hij verkondigde dit al zijn 72 4, 62| God hunner vaderen, dat hij hun verkwikking en verlossing 73 5, 56| in het tweede jaar nadat hij tot de tempel Gods te Jeruzalem 74 6, 6 | afschrift nu des briefs, die hij aan Darius heeft geschreven 75 6, 15| hadden verbitterd, zo gaf hij hen over in de handen van 76 6, 18| te Jeruzalem was, en die hij in zijn tempel gezet had, 77 6, 19| En hem werd bevolen, dat hij al die vaten zou wegnemen, 78 6, 20| daar gekomen was, legde hij de fundamenten van het huis 79 6, 27| 27 Hij beval ook Sisinnes de ondervoogd 80 6, 28| 28 En ik ook schreef hij heb daarbij bevolen, dat 81 7, 15| 15 Omdat Hij de raad van de koning der 82 8, 4 | heerlijkheid gegeven, dewijl hij genade bij hem vond, in 83 8, 4 | bij hem vond, in alles wat hij van hem begeerde.~ 84 8, 8 | wetenschap bekomen, zodat hij niets naliet der dingen 85 8, 28| konings heeft gegeven, opdat hij zijn huis, dat te Jeruzalem 86 8, 63| 63 En hij heeft ons verlost van de 87 8, 81| door de Here onze God, maar hij heeft ons in genade gesteld 88 9, 39| leermeester der wet, dat hij de wet Mozes zou halen, 89 9, 41| 41 En hij las die in de grote plaats 90 9, 46| 46 En als hij de wet uitlegde, zo stonden


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License