Chapter, Verse
1 1, 2 | klederen waren aangedaan, naar hun dagordening in de tempel
2 1, 10| ongehevelde broden naar hun stammen, en naar de verdeling
3 1, 13| zichzelf, en voor de priesters, hun broederen, de zonen Aärons.~
4 1, 14| zichzelf, en voor de priesters, hun broederen, de zonen Aärons.~
5 1, 15| kinderen Asafs, waren in hun ordening, volgens hetgeen
6 1, 16| zijn dagorde aftreden. Want hun broeders, de Levieten, bereidden
7 1, 32| en de voornaamsten met hun vrouwen beklaagden hem tot
8 1, 52| zijnde over zijn volk vanwege hun goddeloosheid, de koningen
9 1, 53| 53 Die doodden hun jongelingen met het zwaard
10 1, 53| zwaard zelfs in de omgang van hun heilige tempel, en spaarden
11 1, 54| Maar hij gaf hen allen in hun handen, en al de heilige
12 2, 17| schrijver, en de anderen van hun raad, en rechters, die in
13 2, 18| die afvallig en boos is, hun straten bouwen, en hun muren
14 2, 18| hun straten bouwen, en hun muren herstellen, en de
15 2, 28| deze mensen zal verhinderen hun stad te bouwen; en dat men
16 3, 16| jongelingen, en laat henzelf hun redenen verklaren; en zij
17 4, 3 | regeert die, en alles wat hij hun zegt, dat gehoorzamen zij.~
18 4, 4 | 4 Indien hij hun zegt dat zij de een de anderen
19 4, 4 | indien hij uitzendt tegen hun vijanden, zij gaan; zij
20 4, 26| 26 En velen zijn van hun zinnen beroofd om der vrouwen
21 4, 37| onrecht, en alle zodanige hun werken zijn onrecht; en
22 4, 37| hen geen waarheid, en in hun ongerechtigheid zullen zij
23 4, 49| vorst, noch rentmeester in hun deuren zou ingaan.~
24 4, 53| zouden hebben, beide zij en hun nakomelingen, met al de
25 4, 56| die de stad bewaarden, hun deel en bezoldiging zou
26 4, 62| hunner vaderen, dat hij hun verkwikking en verlossing
27 5, 1 | huizen der vaderen naar hun stammen, met hun vrouwen
28 5, 1 | vaderen naar hun stammen, met hun vrouwen en hun zonen en
29 5, 1 | stammen, met hun vrouwen en hun zonen en dochteren, en hun
30 5, 1 | hun zonen en dochteren, en hun dienstknechten en dienstmaagden,
31 5, 1 | dienstknechten en dienstmaagden, en hun beesten.~
32 5, 3 | 3 (En al hun broederen speelden) en deden
33 5, 7 | opgetrokken uit de gevangenis van hun vreemdelingschap, welke
34 5, 8 | Rheëlius, Rorinus, Baänas, hun oversten.~
35 5, 9 | van het volk waren, met hun oversten, was: de kinderen
36 5, 36| Thermeleth, en Thelersa; en hun overste was Charnathalan
37 5, 37| 37 Doch zij konden hun steden en geslachten niet
38 5, 42| 42 En hun knechten en dienstmaagden
39 5, 44| enigen uit de oversten van hun familiën, als zij nu in
40 5, 44| richten in zijn plaats, naar hun vermogen.~
41 5, 46| deurwachters, en geheel Israël, in hun vlekken.~
42 5, 47| kinderen Israëls elk in hun woning waren, zo zijn zij
43 5, 55| Sidoniërs en Tyriërs, opdat zij hun cederhout van de berg Libanon
44 5, 55| Cyrus, de koning van Perzië, hun was aangeschreven.~
45 5, 56| de zoon van Josedek, en hun broederen, en de priesters,
46 5, 58| de zoon van Eliadad, met hun zonen en broederen; al deze
47 5, 61| 61 En zij verhieven hun stemmen met gezangen, lovende
48 5, 63| Levieten, en oversten naar hun geslachten, die ouder waren,
49 5, 73| bezettende, verhinderden zij hun te bouwen.~
50 6, 3 | Fenicië, en Sathrabusan en hun metgezellen, en zeiden tot
51 6, 7 | Fenicië, en Sathrabusan, en hun metgezellen die in Syrië
52 6, 10| gelukkig voortgaat onder hun handen, en hetzelve in grote
53 6, 12| 12 En wij hebben hun dit gevraagd, opdat wij
54 6, 12| gesteld zijn; en wij hebben hun ook schriftelijk afgeëist
55 6, 12| afgeëist de namen dergenen die hun oversten zijn.~
56 6, 27| Fenicië, en Sathrabusan en hun metgezellen, en de andere
57 6, 31| en dat zij bidden voor hun lang leven.~
58 7, 1 | Fenicië, en Sathrabusan en hun metgezellen gehoorzaam geweest
59 7, 12| der gevangenis, en voor hun broederen de priesters,
60 7, 15| Assyriërs tot hen had gewend, om hun handen te sterken in de
61 8, 7 | de voorspoedige reis, die hun van de Here was gegeven.~
62 8, 25| Noch dat iemand macht hebbe hun iets op te leggen.~
63 8, 26| uws Gods verstaan, leer hun, die haar niet verstaan.~
64 8, 31| deze zijn de oversten naar hun vaderlijke geslachten en
65 8, 42| de laatsten, en deze zijn hun namen: Elifala, de zoon
66 8, 46| 46 En ik zeide hun, dat zij zouden komen tot
67 8, 47| 47 Hun bevelende, dat zij Loddo
68 8, 49| kinderen van Chanun, en hun zonen, twintig mannen;~
69 8, 55| en Lamia en met hem uit hun broederen nog twaalf mannen.~
70 8, 56| 56 En ik woog hun het zilver en het goud,
71 8, 57| het gewogen had, heb ik hun overgegeven zeshonderdvijftig
72 8, 69| volken van dit land, en van hun onreinheden:~
73 8, 71| dochteren, zij zelf namelijk en hun zonen; en het heilige zaad
74 8, 84| want zij hebben dat met hun onreinheid vervuld.~
75 8, 85| dochteren niet geven aan hun zonen, en hun dochteren
76 8, 85| geven aan hun zonen, en hun dochteren zult gij niet
77 9, 4 | 4 En dat hun, die binnen twee of drie
78 9, 4 | der overste ouderlingen, hun vee zou verbannen worden,
79 9, 14| Levis, en Sabbateüs waren hun mede-rechters.~
80 9, 16| de voornaamste mannen van hun vaderlijke huizen, allen
81 9, 20| de hand daaraan; dat zij hun vrouwen verstieten; en dat
82 9, 20| offerden tot verzoening over hun misdaden.~
83 9, 36| huwelijk, en verlieten ze met hun kinderen.~
84 9, 37| kinderen Israëls waren in hun woonplaatsen.~
85 9, 41| de gehele menigte keerde hun zinnen tot de wet.~
86 9, 47| antwoordde daarop Amen! En hun handen opwaarts heffende,
87 9, 49| des Heren voor de menigte, hun stem in het lezen verheffende.~
88 9, 56| onderricht in het woord, dat hun geleerd was, en waartoe
|