Chapter, Verse
1 1, 3 | 3 En hij zeide tot de Levieten, die het heilige
2 1, 17| werd voleindigd alles wat tot de offerande des Heren op
3 1, 26| de koning van Egypte zond tot hem, zeggende: Wat heb ik
4 1, 30| 30 En de koning zeide tot zijn knechten: Voert mij
5 1, 32| hun vrouwen beklaagden hem tot op deze dag; en daar is
6 1, 34| van Josia, en maakte hem tot koning in plaats van zijn
7 1, 37| stelde zijn broeder Jojakim tot koning over Juda en Jeruzalem;~
8 1, 50| God hunner vaderen zond tot hen, door zijn boden om
9 1, 50| door zijn boden om hen tot bekering te roepen, opdat
10 1, 51| en op de dag dat de Here tot hen sprak, belachten zij
11 2, 3 | allerhoogste Here, heeft mij tot koning gemaakt over de gehele
12 2, 13| bekers, en andere vaten tot duizend.~
13 2, 18| dat de Joden, die van u tot ons wedergekeerd, en aangekomen
14 2, 31| tempels te Jeruzalem stil, tot het tweede jaar van het
15 3, 2 | hem waren van Indië aan tot Ethiopië toe, in de honderdenzeventien
16 3, 4 | en hem bewaarden, de een tot de ander:~
17 3, 16| kwamen binnen, en zij zeiden tot hen:~
18 4, 5 | overwinnen zo brengen zij alles tot de koning: wat zij geroofd
19 4, 19| en hebben meer begeerte tot haar, dan tot het goud en
20 4, 19| meer begeerte tot haar, dan tot het goud en het zilver en
21 4, 24| heeft, zo brengt hij dat tot zijn beminde.~
22 4, 26| wil, en zijn om harentwil tot slaven geworden.~
23 4, 42| 42 Toen zeide de koning tot hem, eis wat gij wilt ja
24 4, 43| 43 Toen zeide hij tot de koning: Gedenk aan uw
25 4, 51| 51 En tot de bouw des tempels jaarlijks
26 4, 55| Levieten onderhoud zou geven, tot de dag toe dat het huis
27 5, 38| kinderen van Jaddu, die Augia tot een huisvrouw nam, uit de
28 5, 40| Nehemia en Attaria zeiden tot hen, dat zij geen deel zouden
29 5, 45| 45 En te geven tot de heilige schatkist der
30 5, 56| het tweede jaar nadat hij tot de tempel Gods te Jeruzalem
31 5, 61| en zijn heerlijkheid is tot in der eeuwigheid, over
32 5, 64| 64 Kwamen tot het gebouw van dit huis
33 5, 68| 68 En zij kwamen tot Zerubabel en Jozua, en tot
34 5, 68| tot Zerubabel en Jozua, en tot de overste der geslachten,
35 5, 68| der geslachten, en zeiden tot hen, laat ons met u bouwen.~
36 5, 70| 70 Toen zeiden tot hen Zerubabel, en Jozua
37 5, 74| verhinderd twee jaren lang tot het koninkrijk van Darius
38 6, 3 | 3 In deze tijd kwam tot hen Sisinnes de ondervoogd
39 6, 3 | hun metgezellen, en zeiden tot hen:~
40 6, 20| Jeruzalem, en van die tijd af tot nu toe werd het gebouwd,
41 6, 29| Zerubabel, voor deze mensen, tot een offerande de Here, namelijk
42 6, 29| offerande de Here, namelijk tot stieren, rammen en lammeren;~
43 7, 5 | het heilige huis voltooid tot op de drieëntwintigste dag
44 7, 7 | 7 En offerden tot de inwijding van de tempel
45 7, 15| de koning der Assyriërs tot hen had gewend, om hun handen
46 8, 9 | van de koning Artaxerxes tot Ezra de priester en leermeester
47 8, 15| dat van uw volk gegeven is tot de tempel des Heren, huns
48 8, 15| vergadere het goud en het zilver tot stieren, en rammen, en lammeren,
49 8, 18| Heren, die u gegeven zijn tot het gebruik van de tempel
50 8, 22| 22 Tot honderd talenten zilvers
51 8, 22| zilvers toe, desgelijks tot honderd mudden koorn, en
52 8, 26| naar de wijsheid Gods, stel tot rechters en scheidslieden,
53 8, 45| 45 Zond ik tot Eleazar, en Iduël, en Maja,
54 8, 46| hun, dat zij zouden komen tot Loddeus de overste, die
55 8, 48| 48 En zij brachten tot ons, naar de sterke hand
56 8, 50| oversten gegeven hadden tot het werk der Levieten, tweehonderdentwintig
57 8, 52| begeren, en ander geleide tot verzekering tegen onze tegenpartijders.~
58 8, 59| 59 En ik zeide tot ben: Gijlieden zijt ook
59 8, 61| zilver, en goud, en de vaten tot zich genomen hadden, om
60 8, 66| aangekomen waren, offerden tot offeranden de Here de God
61 8, 67| lammeren, twaalf bokken tot dankoffer: alles tot een
62 8, 67| bokken tot dankoffer: alles tot een offerande voor de Here;~
63 8, 69| waren, zo kwamen de oversten tot mij, en zeiden: Het volk
64 8, 73| 73 En tot mij zijn vergaderd allen
65 8, 73| misdaad, en ik zat droevig tot het avondoffer toe.~
66 8, 74| mijn handen uitstrekkende tot de Here, zeide ik:~
67 8, 76| onze misdaden zijn verhoogd tot de hemel toe, zelfs van
68 8, 77| wij zijn in grote zonde tot deze dag toe.~
69 8, 78| aan de koningen der aarde, tot zwaard, en gevangenis, en
70 8, 78| en gevangenis, en roof, tot op de huidige dag.~
71 8, 84| land waarin gij komt om dat tot een erve te hebben, is een
72 8, 90| zijt waarachtig; wij zijn tot een wortel overgelaten op
73 8, 92| tempel op de aarde, zo is is tot hem vergaderd een zeer grote
74 9, 7 | Ezra stond op, en zeide tot hen: Gijlieden hebt onrecht
75 9, 16| Ezra de priester verkoos tot zich de voornaamste mannen
76 9, 20| dat zij rammen offerden tot verzoening over hun misdaden.~
77 9, 39| 39 En zij zeiden tot Ezra, de priester en leermeester
78 9, 41| poort, van de morgenstond af tot de middag toe, in de tegenwoordigheid
79 9, 41| menigte keerde hun zinnen tot de wet.~
80 9, 50| 50 En Attaratas zeide tot Ezra de overste priester
81 9, 50| priester en leermeester, en tot de Levieten die het volk
|