Chapter, Verse
1 1, 1 | Pascha op de veertiende dag der eerste maand;~
2 1, 5 | heiligdom naar de verdeling der oversten uwer vaderen, de
3 1, 10| verdeling van de oversten der vaderen, voor het volk,~
4 1, 19| het Pascha, en het feest der ongehevelde broden, zeven
5 1, 33| boek van de geschiedenissen der koningen van Juda; en van
6 1, 33| koningen van Juda; en van elk der daden van Josia in het bijzonder,
7 1, 42| in het boek van de tijden der koningen.~
8 1, 49| de oversten des volks en der priesters bedreven vele
9 1, 52| goddeloosheid, de koningen der Chaldeeën tegen hen deed
10 2, 2 | geest van Cyrus, de koning der Perzen, die liet uitroepen
11 2, 3 | Dit zegt Cyrus, de koning der Perzen: De Here Israëls,
12 2, 11| 11 En Cyrus, de koning der Perzen, die tevoorschijn
13 3, 2 | krijgsoversten, en oversten der landen, die onder hem waren
14 3, 14| krijgsoversten, en oversten der landen, en de burgemeesters.~
15 4, 14| koning, noch de veelheid der mensen, noch de wijn is
16 4, 17| zij zelf maken de kleding der mensen, en zij maken hetgeen
17 4, 26| van hun zinnen beroofd om der vrouwen wil, en zijn om
18 4, 27| en hebben gezondigd om der vrouwen wil.~
19 4, 37| onrecht, in alle kinderen der mensen is onrecht, en alle
20 4, 38| waarheid blijft en is sterk in der eeuwigheid; en zij leeft
21 4, 40| eeuwen. Geprezen zij de God der waarheid!~
22 4, 50| de Idumeeërs de vlekken der Joden zouden verlaten, die
23 4, 54| schreef ook van het onderhoud der priesters, en van de priesterlijke
24 5, 1 | de oversten van de huizen der vaderen naar hun stammen,
25 5, 4 | 4 Dit nu zijn de namen der mannen die optrokken, naar
26 5, 6 | onder Darius, de koning der Perzen, de wijze redenen
27 5, 33| 33 De kinderen der dienstknechten van Salomo,
28 5, 35| heiligdom, en waren kinderen der dienstknechten van Salomo,
29 5, 45| tot de heilige schatkist der werken, duizend talenten
30 5, 47| vergaderd in de voorhof der eerste poort, die tegen
31 5, 52| En zij hielden het feest der loofhutten, gelijk in de
32 5, 52| offeranden, en offeranden der Sabbatten, en der nieuwe
33 5, 52| offeranden der Sabbatten, en der nieuwe maanden, en van alle
34 5, 53| hadden, van de nieuwe maan der zevende maand af, begonnen
35 5, 61| zijn heerlijkheid is tot in der eeuwigheid, over geheel
36 5, 66| 66 En als de vijanden der stammen Juda en Benjamin
37 5, 66| te verstaan wat deze stem der bazuinen was.~
38 5, 68| Jozua, en tot de overste der geslachten, en zeiden tot
39 5, 70| en Jozua en de oversten der vaderlijke geslachten Israëls:~
40 5, 72| hetgeen Cyrus, de koning der Perzen ons heeft bevolen.~
41 6, 5 | gevangenissen, zo hadden de oudsten der Joden genade van de Here,
42 6, 8 | bevonden hebben, dat de oudsten der Joden, die gevangen zijn
43 6, 15| koning te Babylon, de koning der Chaldeeën,~
44 6, 27| Zerubabel, en de oudsten der Joden, dit huis des Heren
45 7, 2 | werken: en waren de oudsten der Joden en de opzieners des
46 7, 5 | de drieëntwintigste dag der maand Adar, in het zesde
47 7, 8 | twaalf bokken, naar het getal der oversten van de twaalf geslachten
48 7, 10| Pascha, op de veertiende dag der eerste maand, als de priesters
49 7, 12| Pascha voor al de kinderen der gevangenis, en voor hun
50 7, 13| afgescheiden waren van de gruwelen der volken van het land, en
51 7, 14| En zij hielden het feest der ongezuurde broden zeven
52 7, 15| Hij de raad van de koning der Assyriërs tot hen had gewend,
53 8, 1 | als Artaxerxes, de koning der Perzen, regeerde, trok henen
54 8, 6 | Babylonië, op de nieuwe maan der eerste maand,~
55 8, 8 | zodat hij niets naliet der dingen die van de wet des
56 8, 31| geslachten en verdelingen der heerschappijen, die met
57 8, 46| die daar was in de plaats der schatkamer,~
58 8, 50| gegeven hadden tot het werk der Levieten, tweehonderdentwintig
59 8, 55| zonderde van de oversten der priesters twaalf mannen
60 8, 60| overlevert aan de oversten der priesters en Levieten, en
61 8, 60| Levieten, en aan de oversten der vaderlijke huizen Israëls
62 8, 62| rivier Thera, de twaalfde dag der eerste maand, totdat wij
63 8, 70| 70 Van de volken der Kanaänieten, en Chetteeërs,
64 8, 78| schande, aan de koningen der aarde, tot zwaard, en gevangenis,
65 8, 81| gesteld voor de koningen der Perzen, om ons spijs te
66 8, 97| en beëedigde de oversten der priesters en Levieten van
67 9, 2 | over de grote overtredingen der menigte.~
68 9, 4 | komen, naar het oordeel der overste ouderlingen, hun
69 9, 4 | afgescheiden worden van de menigte der gevangenis.~
70 9, 5 | maand, en de twintigste dag der maand.~
71 9, 12| Doch dat de voorgangers der menigte staan, en al degenen
72 9, 16| namen, en op de nieuwe maan der tiende maand zaten zij om
73 9, 39| priester en leermeester der wet, dat hij de wet Mozes
74 9, 40| voor de ganse menigte, zo der mannen als der vrouwen,
75 9, 40| menigte, zo der mannen als der vrouwen, en voor al de priesters
76 9, 40| horen, op de nieuwe maan der zevende maand.~
77 9, 42| priester en leermeester der wet, stond op een houten
78 9, 46| de hoogste God, de God der heerscharen, de almachtige;~
|