Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
heiligen 1
helchia 1
helpen 1
hem 77
hemel 7
hemels 3
hen 42
Frequency    [«  »]
81 tot
79 uit
78 der
77 hem
70 heren
70 jeruzalem
66 aan

Het derde boek Ezra

IntraText - Concordances

hem

   Chapter, Verse
1 1, 24| volk en koninkrijk, en die hem bedroefd hebben; en de woorden 2 1, 25| gelegen; en Josia trok uit hem tegemoet.~ 3 1, 26| koning van Egypte zond tot hem, zeggende: Wat heb ik met 4 1, 28| Josia keerde zijn wagen van hem niet af; maar bestond hem 5 1, 28| hem niet af; maar bestond hem te bestrijden, niet lettende 6 1, 28| profeet Jeremia, die hij hem zeide uit de mond des Heren.~ 7 1, 29| zich om te strijden tegen hem in het veld Megiddo, en 8 1, 30| En zijn knechten voerden hem terstond af uit de slagorden.~ 9 1, 32| met hun vrouwen beklaagden hem tot op deze dag; en daar 10 1, 33| het bijzonder, die door hem zijn gedaan, en van zijn 11 1, 33| En hetgeen tevoren door hem gedaan was, en hetgeen nu 12 1, 34| zoon van Josia, en maakte hem tot koning in plaats van 13 1, 35| koning van Egypte zette hem af, dat hij te Jeruzalem 14 1, 38| Saracus nam hij, en bracht hem weder in Egypte.~ 15 1, 40| 40 Tegen hem nu toog op Nabuchodonosor, 16 1, 40| koning van Babylon, en bond hem met een metalen band, en 17 1, 40| metalen band, en voerde hem weg naar Babylonië.~ 18 1, 42| 42 Het verhaal nu van hem, en van zijn onreinheid 19 1, 45| Nabuchodonosor, en liet hem brengen naar Babylon, tezamen 20 1, 48| hij meinedig, en viel van hem af, en hij verhardde zijn 21 2, 4 | heeft mij bevolen, dat ik hem een huis zou bouwen te Jeruzalem, 22 2, 5 | zijn volk, de Here zij met hem, en hij trekke op naar Jeruzalem 23 2, 7 | 7 Die zullen hem helpen, met goud en met 24 2, 16| van Perzië, schreven aan hem, tegen degenen die in Judea 25 3, 1 | voor al degenen die onder hem stonden, en voor al zijn 26 3, 2 | oversten der landen, die onder hem waren van Indië aan tot 27 3, 4 | konings lijfwacht waren, en hem bewaarden, de een tot de 28 3, 5 | schijnen dat dat des anderen, hem zal de koning Darius grote 29 3, 6 | 6 Hij zal hem met purper doen kleden, 30 3, 6 | koetsen doen slapen, en zal hem een wagen geven, die door 31 3, 9 | opgestaan zijn, zo zullen zij hem het geschrift geven; en 32 3, 13| geschrift, en gaven het hem, en hij las het.~ 33 3, 19| verleidt al de mensen die hem drinken;~ 34 4, 10| en zijn heerlegers zijn hem gehoorzaam.~ 35 4, 11| wacht ringswijze rondom hem, en niemand durft weggaan, 36 4, 11| eigen werken doen, en zijn hem niet ongehoorzaam.~ 37 4, 20| verlaat zijn eigen vader, die hem opgevoed heeft, en zijn 38 4, 28| vrezen niet alle landen hem aan te raken?~ 39 4, 29| 29 Nochtans heb ik hem gezien en Apame, de dochter 40 4, 31| mond aan, en indien zij hem aanlachte, zo lachte hij 41 4, 31| hij ook; en indien zij op hem gram werd, zo liefkoosde 42 4, 31| hij haar, opdat zij met hem verzoend zou worden.~ 43 4, 42| Toen zeide de koning tot hem, eis wat gij wilt ja meer 44 4, 47| koning Darius op, en kuste hem; en schreef hem de brieven 45 4, 47| en kuste hem; en schreef hem de brieven aan al de rentmeesters, 46 4, 47| krijgsoversten, en vorsten, dat zij hem zouden geleide doen, en 47 4, 47| geleide doen, en allen die met hem opgingen om Jeruzalem te 48 4, 48| en dat zij de stad met hem zouden bouwen.~ 49 5, 69| gelijk als gij, en doen hem offeranden, van de dagen 50 6, 15| is, hadden gezondigd, en hem hadden verbitterd, zo gaf 51 6, 19| 19 En hem werd bevolen, dat hij al 52 6, 32| nemen van zijn eigen huis en hem daaraan zal hangen, en dat 53 8, 4 | 4 En de koning had hem heerlijkheid gegeven, dewijl 54 8, 4 | gegeven, dewijl hij genade bij hem vond, in alles wat hij van 55 8, 4 | vond, in alles wat hij van hem begeerde.~ 56 8, 5 | 5 En met hem trokken naar Jeruzalem sommigen 57 8, 7 | kwamen te Jeruzalem onder hem, volgens de voorspoedige 58 8, 21| zal aanschrijven, die zij hem vlijtig zullen geven,~ 59 8, 33| Foros: Zacharia, en met hem zijn aangetekend honderdenvijftig 60 8, 34| de zoon van Zarea, en met hem tweehonderd mannen.~ 61 8, 35| de zoon van Jezel, en met hem driehonderd mannen.~ 62 8, 36| zoon van Jonathan, en met hem tweehonderdvijftig mannen.~ 63 8, 37| zoon van Gotholia, en met hem zeventig mannen; uit de 64 8, 37| zoon van Michaël, en met hem zeventig mannen.~ 65 8, 38| de zoon van Jezel, en met hem tweehonderdentwaalf mannen.~ 66 8, 39| zoon van Josafir, en met hem honderdenzestig mannen.~ 67 8, 40| de zoon van Bebai, en met hem achtentwintig mannen.~ 68 8, 41| Astath, Joannes Aratan en met hem honderdentien mannen.~ 69 8, 42| zoon van Istaleumi, en met hem zeventig mannen.~ 70 8, 51| jongelingen voor de Here: om van hem te verzoeken een goede reis 71 8, 53| Heren was voor degenen, die hem zochten in alle oprechtheid.~ 72 8, 54| van de Here, en wij vonden hem zeer genadig.~ 73 8, 55| Eresebia, en Lamia en met hem uit hun broederen nog twaalf 74 8, 64| 64 En met hem was Eleazar de zoon van 75 8, 64| zoon van Pinehas, en met hem waren Josabdos de zoon van 76 8, 92| op de aarde, zo is is tot hem vergaderd een zeer grote 77 9, 43| 43 En bij hem stonden Matthatias, Sammus,


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License