Chapter, Verse
1 1, 24| volk en koninkrijk, en die hem bedroefd hebben; en de woorden
2 1, 25| gelegen; en Josia trok uit hem tegemoet.~
3 1, 26| koning van Egypte zond tot hem, zeggende: Wat heb ik met
4 1, 28| Josia keerde zijn wagen van hem niet af; maar bestond hem
5 1, 28| hem niet af; maar bestond hem te bestrijden, niet lettende
6 1, 28| profeet Jeremia, die hij hem zeide uit de mond des Heren.~
7 1, 29| zich om te strijden tegen hem in het veld Megiddo, en
8 1, 30| En zijn knechten voerden hem terstond af uit de slagorden.~
9 1, 32| met hun vrouwen beklaagden hem tot op deze dag; en daar
10 1, 33| het bijzonder, die door hem zijn gedaan, en van zijn
11 1, 33| En hetgeen tevoren door hem gedaan was, en hetgeen nu
12 1, 34| zoon van Josia, en maakte hem tot koning in plaats van
13 1, 35| koning van Egypte zette hem af, dat hij te Jeruzalem
14 1, 38| Saracus nam hij, en bracht hem weder in Egypte.~
15 1, 40| 40 Tegen hem nu toog op Nabuchodonosor,
16 1, 40| koning van Babylon, en bond hem met een metalen band, en
17 1, 40| metalen band, en voerde hem weg naar Babylonië.~
18 1, 42| 42 Het verhaal nu van hem, en van zijn onreinheid
19 1, 45| Nabuchodonosor, en liet hem brengen naar Babylon, tezamen
20 1, 48| hij meinedig, en viel van hem af, en hij verhardde zijn
21 2, 4 | heeft mij bevolen, dat ik hem een huis zou bouwen te Jeruzalem,
22 2, 5 | zijn volk, de Here zij met hem, en hij trekke op naar Jeruzalem
23 2, 7 | 7 Die zullen hem helpen, met goud en met
24 2, 16| van Perzië, schreven aan hem, tegen degenen die in Judea
25 3, 1 | voor al degenen die onder hem stonden, en voor al zijn
26 3, 2 | oversten der landen, die onder hem waren van Indië aan tot
27 3, 4 | konings lijfwacht waren, en hem bewaarden, de een tot de
28 3, 5 | schijnen dat dat des anderen, hem zal de koning Darius grote
29 3, 6 | 6 Hij zal hem met purper doen kleden,
30 3, 6 | koetsen doen slapen, en zal hem een wagen geven, die door
31 3, 9 | opgestaan zijn, zo zullen zij hem het geschrift geven; en
32 3, 13| geschrift, en gaven het hem, en hij las het.~
33 3, 19| verleidt al de mensen die hem drinken;~
34 4, 10| en zijn heerlegers zijn hem gehoorzaam.~
35 4, 11| wacht ringswijze rondom hem, en niemand durft weggaan,
36 4, 11| eigen werken doen, en zijn hem niet ongehoorzaam.~
37 4, 20| verlaat zijn eigen vader, die hem opgevoed heeft, en zijn
38 4, 28| vrezen niet alle landen hem aan te raken?~
39 4, 29| 29 Nochtans heb ik hem gezien en Apame, de dochter
40 4, 31| mond aan, en indien zij hem aanlachte, zo lachte hij
41 4, 31| hij ook; en indien zij op hem gram werd, zo liefkoosde
42 4, 31| hij haar, opdat zij met hem verzoend zou worden.~
43 4, 42| Toen zeide de koning tot hem, eis wat gij wilt ja meer
44 4, 47| koning Darius op, en kuste hem; en schreef hem de brieven
45 4, 47| en kuste hem; en schreef hem de brieven aan al de rentmeesters,
46 4, 47| krijgsoversten, en vorsten, dat zij hem zouden geleide doen, en
47 4, 47| geleide doen, en allen die met hem opgingen om Jeruzalem te
48 4, 48| en dat zij de stad met hem zouden bouwen.~
49 5, 69| gelijk als gij, en doen hem offeranden, van de dagen
50 6, 15| is, hadden gezondigd, en hem hadden verbitterd, zo gaf
51 6, 19| 19 En hem werd bevolen, dat hij al
52 6, 32| nemen van zijn eigen huis en hem daaraan zal hangen, en dat
53 8, 4 | 4 En de koning had hem heerlijkheid gegeven, dewijl
54 8, 4 | gegeven, dewijl hij genade bij hem vond, in alles wat hij van
55 8, 4 | vond, in alles wat hij van hem begeerde.~
56 8, 5 | 5 En met hem trokken naar Jeruzalem sommigen
57 8, 7 | kwamen te Jeruzalem onder hem, volgens de voorspoedige
58 8, 21| zal aanschrijven, die zij hem vlijtig zullen geven,~
59 8, 33| Foros: Zacharia, en met hem zijn aangetekend honderdenvijftig
60 8, 34| de zoon van Zarea, en met hem tweehonderd mannen.~
61 8, 35| de zoon van Jezel, en met hem driehonderd mannen.~
62 8, 36| zoon van Jonathan, en met hem tweehonderdvijftig mannen.~
63 8, 37| zoon van Gotholia, en met hem zeventig mannen; uit de
64 8, 37| zoon van Michaël, en met hem zeventig mannen.~
65 8, 38| de zoon van Jezel, en met hem tweehonderdentwaalf mannen.~
66 8, 39| zoon van Josafir, en met hem honderdenzestig mannen.~
67 8, 40| de zoon van Bebai, en met hem achtentwintig mannen.~
68 8, 41| Astath, Joannes Aratan en met hem honderdentien mannen.~
69 8, 42| zoon van Istaleumi, en met hem zeventig mannen.~
70 8, 51| jongelingen voor de Here: om van hem te verzoeken een goede reis
71 8, 53| Heren was voor degenen, die hem zochten in alle oprechtheid.~
72 8, 54| van de Here, en wij vonden hem zeer genadig.~
73 8, 55| Eresebia, en Lamia en met hem uit hun broederen nog twaalf
74 8, 64| 64 En met hem was Eleazar de zoon van
75 8, 64| zoon van Pinehas, en met hem waren Josabdos de zoon van
76 8, 92| op de aarde, zo is is tot hem vergaderd een zeer grote
77 9, 43| 43 En bij hem stonden Matthatias, Sammus,
|