Chapter, Verse
1 1, 2 | dagordening in de tempel des Heren.~
2 1, 3 | heiligen, om de heilige ark des Heren te zetten in het huis, dat
3 1, 6 | Pascha naar het bevel des Heren, dat hij Mozes heeft gegeven.~
4 1, 17| wat tot de offerande des Heren op die dag behoorde.~
5 1, 18| brengen op het altaar des Heren, naar het bevel des konings
6 1, 24| hebben; en de woorden des Heren zijn opgestaan tegen Israël.~
7 1, 28| hem zeide uit de mond des Heren.~
8 1, 33| wetenschap in de wet des Heren. En hetgeen tevoren door
9 1, 41| van de heilige vaten des Heren, en bracht ze weg, en zette
10 1, 45| met de heilige vaten des Heren;~
11 1, 47| gesproken waren uit de mond des Heren.~
12 1, 48| Nabuchodonosor, bij de naam des Heren, zo werd hij meinedig, en
13 1, 48| overtrad de inzettingen des Heren, des Gods van Israël.~
14 1, 49| bevlekten de tempel des Heren, die te Jeruzalem geheiligd
15 1, 54| al de heilige vaten des Heren groot en klein, en de ark
16 1, 54| en klein, en de ark des Heren, en de koninklijke schatkisten
17 1, 55| verbrandden het huis des Heren, en braken de muren van
18 1, 57| zou worden het woord des Heren, gesproken door de mond
19 2, 1 | jaar: opdat het woord des Heren vervuld werd dat hij door
20 2, 5 | Judea, en bouwe het huis des Heren van Israël; deze is de Here,
21 2, 7 | toebrengt in de tempel des Heren, die te Jeruzalem is.~
22 2, 8 | trekken, en het huis des Heren te Jeruzalem te bouwen.~
23 2, 10| tevoorschijn de heilige vaten des Heren, die Nabuchodonosor van
24 5, 53| offeren, en de tempel des Heren was nog niet gebouwd.~
25 5, 58| waren, over de werken des Heren; en Jozua stond met zijn
26 5, 58| maakten in het huis des Heren.~
27 5, 59| bouwlieden bouwden de tempel des Heren, en de priesters stonden
28 5, 62| oprichting van het huis des Heren.~
29 6, 2 | weder te bouwen het huis des Heren, dat te Jeruzalem is, dewijl
30 6, 2 | dewijl de profeten des Heren bij hen waren, en hen hielpen.~
31 6, 13| gezegd: Wij zijn kinderen des Heren, die de hemel en de aarde
32 6, 19| Jeruzalem, en dat de tempel des Heren zou gebouwd worden op zijn
33 6, 20| fundamenten van het huis des Heren te Jeruzalem, en van die
34 6, 22| opbouw van het huis des Heren te Jeruzalem met bewilliging
35 6, 24| Cyrus, dat men het huis des Heren te Jeruzalem zou bouwen,
36 6, 26| heilige vaten van het huis des Heren, beide gouden en zilveren,
37 6, 26| weggevoerd had uit het huis des Heren dat te Jeruzalem was, en
38 6, 26| brengen in het huis des Heren te Jeruzalem, daar zij gesteld
39 6, 27| en dat zij de knecht des Heren en overste van Judea, Zerubabel,
40 6, 27| der Joden, dit huis des Heren zouden laten bouwen, op
41 6, 28| bewijze, totdat het huis des Heren voltooid is.~
42 6, 33| beschadigen dit huis des Heren te Jeruzalem.~
43 7, 4 | die, door het bevel des Heren de God van Israël, en met
44 7, 7 | inwijding van de tempel des Heren honderd stieren, tweehonderd
45 7, 9 | klederen, over de werken des Heren, de God Israëls, volgens
46 7, 15| sterken in de werken des Heren, de God Israëls.~
47 8, 8 | dingen die van de wet des Heren waren, en van de geboden
48 8, 9 | leermeester van de wet des Heren, waarvan het afschrift is
49 8, 10| leermeester van de wet des Heren, voorspoed.~
50 8, 13| volgens hetgeen in de wet des Heren vervat is.~
51 8, 15| gegeven is tot de tempel des Heren, huns Gods, die te Jeruzalem
52 8, 16| offeranden op het altaar des Heren, huns Gods, die te Jeruzalem
53 8, 18| En de heilige vaten des Heren, die u gegeven zijn tot
54 8, 30| welgemoed, naar de hulp des Heren, mijns Gods; en vergaderde
55 8, 48| naar de sterke hand onzes Heren, enige verstandige mannen
56 8, 53| gezegd, dat de sterkte onzes Heren was voor degenen, die hem
57 8, 56| vaten van het huis onzes Heren, welke de koning, en zijn
58 8, 59| zilver, het zijn geloften des Heren, namelijk des Heren onzer
59 8, 59| des Heren, namelijk des Heren onzer vaderen.~
60 8, 61| brachten die in de tempel des Heren.~
61 8, 62| naar de sterke hand onzes Heren, die over ons was.~
62 8, 63| overgeleverd in het huis des Heren, aan Marmoth, de zoon van
63 8, 68| het volk en de tempel des Heren.~
64 8, 73| werden door het woord des Heren, de God Israëls, daar ik
65 8, 80| ontdekken in het huis des Heren onzes Gods, en om ons spijs
66 8, 82| 82 En om de tempel onzes Heren te verheerlijken, en het
67 8, 95| al degenen die de wet des Heren gehoorzaam zijn; sta op,
68 9, 13| plaats, totdat de toorn des Heren van ons geweerd zij, ter
69 9, 48| Levieten, leerden de wet des Heren.~
70 9, 49| En zij lazen de wet des Heren voor de menigte, hun stem
|