Chapter, Verse
1 1, 8 | konings, volgens zijn belofte, aan het volk en aan de priesters
2 1, 8 | belofte, aan het volk en aan de priesters en de Levieten
3 1, 9 | tempels waren, schonken aan de priesters voor het Pascha,
4 1, 12| zij braadden het Pascha aan het vuur, gelijk het behoorde,
5 1, 16| de deurwachters stonden aan elke deur; en niemand mocht
6 1, 38| verplichte Jojakim en de groten aan zich; maar zijn broeder
7 1, 48| hoewel hij een eed gedaan had aan de koning Nabuchodonosor,
8 1, 58| 58 Totdat het land aan zijn Sabbatten een welbehagen
9 2, 11| hebbende, gaf deze over aan Mithridates, zijn schatmeester;~
10 2, 12| werden zij overgeleverd aan Schesbatzar, de stadhouder
11 2, 16| koning van Perzië, schreven aan hem, tegen degenen die in
12 2, 22| die stad afvallig was, en aan koningen en steden moeite
13 2, 25| schreef de koning terug aan Rathymus, de schrijver,
14 2, 25| voorvallende zaken gesteld was, en aan Balthemus, en aan Samellius,
15 2, 25| was, en aan Balthemus, en aan Samellius, de schrijver,
16 2, 25| Samellius, de schrijver, en aan de anderen, die met hen
17 2, 26| Ik heb de brief, die gij aan mij gezonden hebt, gelezen,
18 2, 27| geregeerd, welke ook schattingen aan die van Celo-Syrië en Fenicië
19 2, 29| ga, om de koningen moeite aan te doen.~
20 3, 2 | onder hem waren van Indië aan tot Ethiopië toe, in de
21 3, 21| vrolijkheid, en hij gedenkt aan geen droefheid, en aan geen
22 3, 21| gedenkt aan geen droefheid, en aan geen schuld;~
23 3, 22| harten rijk, en gedenkt niet aan de koning of vorst, en hij
24 4, 20| en hangt zijn eigen vrouw aan.~
25 4, 23| niet alles, en brengt het aan de vrouw? Ja een man neemt
26 4, 28| vrezen niet alle landen hem aan te raken?~
27 4, 29| des konings bijwijf, die aan de rechterhand des konings
28 4, 31| de koning met open mond aan, en indien zij hem aanlachte,
29 4, 36| aarde roept de waarheid aan, en de hemel looft dezelve,
30 4, 43| hij tot de koning: Gedenk aan uw belofte, die gij beloofd
31 4, 47| en schreef hem de brieven aan al de rentmeesters, en landvoogden
32 4, 48| 48 En aan al de landvoogden in Celo-Syrië,
33 4, 49| 49 En hij schreef aan al de Joden, die uit zijn
34 5, 40| geen deel zouden hebben aan de geheiligde dingen, totdat
35 5, 54| 54 En zij gaven geld aan de steenhouwers, en timmerlieden,
36 5, 55| 55 En karren aan de Sidoniërs en Tyriërs,
37 5, 69| 69 Want wij behoren aan uw God gelijk als gij, en
38 6, 6 | afschrift nu des briefs, die hij aan Darius heeft geschreven
39 6, 18| is, en werden overgegeven aan Zerubabel, en Sabanasser
40 6, 29| een bijleg gegeven worde aan de landvoogd Zerubabel,
41 6, 31| drankofferen geofferd worden aan de hoogste God, voor de
42 6, 32| hangen, en dat zijn goederen aan de koning zullen vervallen
43 7, 1 | metgezellen gehoorzaam geweest aan hetgeen door de koning Darius
44 7, 2 | hielden vlijtig de hand aan de heilige werken: en waren
45 7, 9 | de deurwachters stonden aan elke poort.~
46 8, 20| Artaxerxes, koning, heb bevolen aan hen, die over de schatten
47 8, 43| 43 En ik verzamelde hen aan de rivier genoemd Thera,
48 8, 51| ik beval daar een vasten aan de jongelingen voor de Here:
49 8, 57| zilvers, en honderd talenten aan gouden vaten, en honderd
50 8, 57| vaten, en honderd talenten aan goud;~
51 8, 60| totdat gij ze overlevert aan de oversten der priesters
52 8, 60| priesters en Levieten, en aan de oversten der vaderlijke
53 8, 63| ons verlost van de ingang aan van alle vijanden; en wij
54 8, 63| overgeleverd in het huis des Heren, aan Marmoth, de zoon van Uria
55 8, 68| bevelen des konings over, aan de rentmeesters des konings,
56 8, 68| rentmeesters des konings, en aan de landvoogden van Celo-Syrië
57 8, 71| vreemde volken des lands; en aan deze zonde zijn de oversten
58 8, 78| overgegeven met schande, aan de koningen der aarde, tot
59 8, 85| uw dochteren niet geven aan hun zonen, en hun dochteren
60 9, 3 | geheel Judea en Jeruzalem, aan allen die uit de gevangenis
61 9, 14| dit volgens deze bepaling aan: en Mesullamas, en Levis,
62 9, 43| Urias, Ezekias, Baälsamus aan de rechterhand.~
63 9, 44| 44 En aan de linkerhand Chaldeüs,
64 9, 47| vallende, baden zij de Here aan.~
65 9, 52| zoete, en zendt geschenken aan hen, die niet hebben.~
66 9, 55| en om geschenken te geven aan hen die niet hadden, en
|