Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
aälar 1
aäron 2
aärons 2
aan 66
aanbelangt 1
aandoen 1
aangaande 1
Frequency    [«  »]
77 hem
70 heren
70 jeruzalem
66 aan
63 op
61 voor
61 waren

Het derde boek Ezra

IntraText - Concordances

aan

   Chapter, Verse
1 1, 8 | konings, volgens zijn belofte, aan het volk en aan de priesters 2 1, 8 | belofte, aan het volk en aan de priesters en de Levieten 3 1, 9 | tempels waren, schonken aan de priesters voor het Pascha, 4 1, 12| zij braadden het Pascha aan het vuur, gelijk het behoorde, 5 1, 16| de deurwachters stonden aan elke deur; en niemand mocht 6 1, 38| verplichte Jojakim en de groten aan zich; maar zijn broeder 7 1, 48| hoewel hij een eed gedaan had aan de koning Nabuchodonosor, 8 1, 58| 58 Totdat het land aan zijn Sabbatten een welbehagen 9 2, 11| hebbende, gaf deze over aan Mithridates, zijn schatmeester;~ 10 2, 12| werden zij overgeleverd aan Schesbatzar, de stadhouder 11 2, 16| koning van Perzië, schreven aan hem, tegen degenen die in 12 2, 22| die stad afvallig was, en aan koningen en steden moeite 13 2, 25| schreef de koning terug aan Rathymus, de schrijver, 14 2, 25| voorvallende zaken gesteld was, en aan Balthemus, en aan Samellius, 15 2, 25| was, en aan Balthemus, en aan Samellius, de schrijver, 16 2, 25| Samellius, de schrijver, en aan de anderen, die met hen 17 2, 26| Ik heb de brief, die gij aan mij gezonden hebt, gelezen, 18 2, 27| geregeerd, welke ook schattingen aan die van Celo-Syrië en Fenicië 19 2, 29| ga, om de koningen moeite aan te doen.~ 20 3, 2 | onder hem waren van Indië aan tot Ethiopië toe, in de 21 3, 21| vrolijkheid, en hij gedenkt aan geen droefheid, en aan geen 22 3, 21| gedenkt aan geen droefheid, en aan geen schuld;~ 23 3, 22| harten rijk, en gedenkt niet aan de koning of vorst, en hij 24 4, 20| en hangt zijn eigen vrouw aan.~ 25 4, 23| niet alles, en brengt het aan de vrouw? Ja een man neemt 26 4, 28| vrezen niet alle landen hem aan te raken?~ 27 4, 29| des konings bijwijf, die aan de rechterhand des konings 28 4, 31| de koning met open mond aan, en indien zij hem aanlachte, 29 4, 36| aarde roept de waarheid aan, en de hemel looft dezelve, 30 4, 43| hij tot de koning: Gedenk aan uw belofte, die gij beloofd 31 4, 47| en schreef hem de brieven aan al de rentmeesters, en landvoogden 32 4, 48| 48 En aan al de landvoogden in Celo-Syrië, 33 4, 49| 49 En hij schreef aan al de Joden, die uit zijn 34 5, 40| geen deel zouden hebben aan de geheiligde dingen, totdat 35 5, 54| 54 En zij gaven geld aan de steenhouwers, en timmerlieden, 36 5, 55| 55 En karren aan de Sidoniërs en Tyriërs, 37 5, 69| 69 Want wij behoren aan uw God gelijk als gij, en 38 6, 6 | afschrift nu des briefs, die hij aan Darius heeft geschreven 39 6, 18| is, en werden overgegeven aan Zerubabel, en Sabanasser 40 6, 29| een bijleg gegeven worde aan de landvoogd Zerubabel, 41 6, 31| drankofferen geofferd worden aan de hoogste God, voor de 42 6, 32| hangen, en dat zijn goederen aan de koning zullen vervallen 43 7, 1 | metgezellen gehoorzaam geweest aan hetgeen door de koning Darius 44 7, 2 | hielden vlijtig de hand aan de heilige werken: en waren 45 7, 9 | de deurwachters stonden aan elke poort.~ 46 8, 20| Artaxerxes, koning, heb bevolen aan hen, die over de schatten 47 8, 43| 43 En ik verzamelde hen aan de rivier genoemd Thera, 48 8, 51| ik beval daar een vasten aan de jongelingen voor de Here: 49 8, 57| zilvers, en honderd talenten aan gouden vaten, en honderd 50 8, 57| vaten, en honderd talenten aan goud;~ 51 8, 60| totdat gij ze overlevert aan de oversten der priesters 52 8, 60| priesters en Levieten, en aan de oversten der vaderlijke 53 8, 63| ons verlost van de ingang aan van alle vijanden; en wij 54 8, 63| overgeleverd in het huis des Heren, aan Marmoth, de zoon van Uria 55 8, 68| bevelen des konings over, aan de rentmeesters des konings, 56 8, 68| rentmeesters des konings, en aan de landvoogden van Celo-Syrië 57 8, 71| vreemde volken des lands; en aan deze zonde zijn de oversten 58 8, 78| overgegeven met schande, aan de koningen der aarde, tot 59 8, 85| uw dochteren niet geven aan hun zonen, en hun dochteren 60 9, 3 | geheel Judea en Jeruzalem, aan allen die uit de gevangenis 61 9, 14| dit volgens deze bepaling aan: en Mesullamas, en Levis, 62 9, 43| Urias, Ezekias, Baälsamus aan de rechterhand.~ 63 9, 44| 44 En aan de linkerhand Chaldeüs, 64 9, 47| vallende, baden zij de Here aan.~ 65 9, 52| zoete, en zendt geschenken aan hen, die niet hebben.~ 66 9, 55| en om geschenken te geven aan hen die niet hadden, en


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License