Chapter, Verse
1 1, 1 | en slachtte het Pascha op de veertiende dag der eerste
2 1, 4 | Gij moogt deze niet meer op de schouders dragen. En
3 1, 4 | Here uw God, en hebt acht op Israël zijn volk, en bereidt
4 1, 17| tot de offerande des Heren op die dag behoorde.~
5 1, 18| en offeranden te brengen op het altaar des Heren, naar
6 1, 19| kinderen Israëls, die daar op die tijd gevonden werden,
7 1, 27| uitgezonden, want mijn krijg is op de Eufraat; en nu, de Here
8 1, 28| bestrijden, niet lettende op de woorden van de profeet
9 1, 31| 31 En hij klom op zijn tweede wagen, en als
10 1, 32| vrouwen beklaagden hem tot op deze dag; en daar is een
11 1, 36| legde het volk een geldstraf op van honderd talenten zilvers,
12 1, 40| 40 Tegen hem nu toog op Nabuchodonosor, de koning
13 1, 51| bespotten zijn boden, en op de dag dat de Here tot hen
14 2, 5 | zij met hem, en hij trekke op naar Jeruzalem in Judea,
15 2, 8 | 8 Toen stonden op de voornaamsten uit de vaderlijke
16 2, 8 | wier geest God verwekte om op te trekken, en het huis
17 3, 6 | gouden vaten doen drinken, en op gouden koetsen doen slapen,
18 4, 19| alles, en wenden de ogen op haar, en met open mond aanschouwen
19 4, 23| zijn zwaard, en gaat heen op de wegen te liggen, en te
20 4, 23| te roven en te stelen, en op de zee en rivieren te varen;~
21 4, 30| konings, zette die zichzelf op, en sloeg de koning met
22 4, 31| lachte hij ook; en indien zij op hem gram werd, zo liefkoosde
23 4, 33| zagen de koning en de groten op elkander. En hij, begon
24 4, 34| keert weder in haar plaats op één dag.~
25 4, 43| Jeruzalem te zullen bouwen, op de dag waarop gij uw koninkrijk
26 4, 47| Toen stond de koning Darius op, en kuste hem; en schreef
27 4, 52| 52 En dat zij, om op het altaar, naar het gebod
28 4, 63| 63 Om op te trekken en Jeruzalem
29 5, 1 | DAARNA werden verkoren om op te trekken de oversten van
30 5, 44| beloofden het huis Gods op te richten in zijn plaats,
31 5, 48| en zijn broeders stonden op.~
32 5, 50| zij richtten het altaar op, in zijn plaats, hoewel
33 5, 51| 51 Want al de volken, die op de aarde waren, versterkten
34 5, 56| te Jeruzalem was gekomen, op de tweede maand, begon Zerubabel,
35 5, 73| volken van dit land drongen op degenen die in Judea woonden,
36 6, 2 | 2 Toen stond op Zerubabel, de zoon van Sealthiël,
37 6, 19| Heren zou gebouwd worden op zijn plaats.~
38 6, 27| Heren zouden laten bouwen, op zijn plaats.~
39 7, 5 | heilige huis voltooid tot op de drieëntwintigste dag
40 7, 10| waren, hielden het Pascha, op de veertiende dag der eerste
41 8, 5 | naar Jeruzalem sommigen op, uit de kinderen Israëls,
42 8, 6 | gingen zij uit Babylonië, op de nieuwe maan der eerste
43 8, 16| de Here offere offeranden op het altaar des Heren, huns
44 8, 25| iemand macht hebbe hun iets op te leggen.~
45 8, 43| ons leger drie dagen lang op, en ik overzag ze.~
46 8, 62| 62 En wij trokken weder op van de rivier Thera, de
47 8, 74| 74 En ik stond op van het vasten, hebbende
48 8, 78| gevangenis, en roof, tot op de huidige dag.~
49 8, 82| verheerlijken, en het verwoeste Sion op te richten, en om ons een
50 8, 90| tot een wortel overgelaten op de huidige dag.~
51 8, 92| liggende voor de tempel op de aarde, zo is is tot hem
52 8, 95| Heren gehoorzaam zijn; sta op, en doe alzo.~
53 8, 97| 97 En Ezra stond op, en beëedigde de oversten
54 9, 6 | En de gehele menigte zat op de grote voorplaats des
55 9, 7 | 7 En Ezra stond op, en zeide tot hen: Gijlieden
56 9, 7 | huwelijk genomen, om zonden op Israël te leggen.~
57 9, 16| huizen, allen met namen, en op de nieuwe maan der tiende
58 9, 17| uitlandse vrouwen hadden, op de nieuwe maan van de eerste
59 9, 37| Jeruzalem, en in het land op de nieuwe maan van de zevende
60 9, 40| priesters om de wet te horen, op de nieuwe maan der zevende
61 9, 42| leermeester der wet, stond op een houten verheven stoel,
62 9, 45| 45 En Ezra nam het boek op voor de menigte, en zat
63 9, 47| handen opwaarts heffende, en op de aarde vallende, baden
|