Chapter, Verse
1 1, 2 | die met lange klederen waren aangedaan, naar hun dagordening
2 1, 9 | die Oversten des tempels waren, schonken aan de priesters
3 1, 15| Zangers, de kinderen Asafs, waren in hun ordening, volgens
4 1, 47| Jeremia de profeet gesproken waren uit de mond des Heren.~
5 1, 56| 56 En degenen, die overig waren van het zwaard, voerden
6 1, 57| 57 En zij waren zijn en zijner kinderen
7 1, 58| totdat zeventig jaren vervuld waren.~ ~
8 2, 9 | 9 En die rondom hen waren, hielpen hen met allerlei
9 2, 16| die met hen verordineerd waren, en te Samarië en in andere
10 2, 25| die met hen verordineerd waren, en in Samarië en Syrië
11 2, 30| die met hen verordineerd waren tezamen, en trokken met
12 3, 2 | der landen, die onder hem waren van Indië aan tot Ethiopië
13 3, 3 | hadden, en wel verzadigd waren, keerden zij weder naar
14 3, 4 | die des konings lijfwacht waren, en hem bewaarden, de een
15 5, 5 | Pinehas, de zoon van Aäron, waren Jozua, de zoon van Josedek,
16 5, 9 | dergenen, die van het volk waren, met hun oversten, was:
17 5, 35| dienden het heiligdom, en waren kinderen der dienstknechten
18 5, 36| 36 Dezen waren opgetrokken van Thermeleth,
19 5, 37| verhalen, hoe zij uit Israël waren. De kinderen van Dalan,
20 5, 41| 41 Al de Israëlieten nu waren van twaalf jaren en daarboven,
21 5, 42| knechten en dienstmaagden waren zevenduizend driehonderd
22 5, 43| 43 Kamelen waren vierhonderd vijfendertig,
23 5, 46| Levieten, en die van dit volk waren, zetten zich neder te Jeruzalem,
24 5, 47| Israëls elk in hun woning waren, zo zijn zij eendrachtig
25 5, 50| zij in vijandschap met hen waren.~
26 5, 51| volken, die op de aarde waren, versterkten zich. En zij
27 5, 52| voor degenen die geheiligd waren.~
28 5, 56| gevangenis te Jeruzalem waren gekomen.~
29 5, 57| zij in Judea en Jeruzalem waren gekomen.~
30 5, 58| die boven de twintig jaren waren, over de werken des Heren;
31 5, 63| hun geslachten, die ouder waren, en het huis, dat voor dezen
32 5, 67| degenen, die uit de gevangenis waren gekomen, de tempel bouwden
33 6, 1 | die in Judea en Jeruzalem waren, in de naam van de God Israëls.~
34 6, 2 | profeten des Heren bij hen waren, en hen hielpen.~
35 6, 9 | stad Jeruzalem bouwende waren een nieuw en groot huis
36 6, 23| waarin deze dingen geschreven waren;~
37 6, 26| Jeruzalem, daar zij gesteld waren geweest, opdat ze daar weder
38 6, 27| die in Syrië en Fenicië waren verordineerd, zorg te dragen,
39 7, 2 | aan de heilige werken: en waren de oudsten der Joden en
40 7, 6 | gevangenis daarbij gevoegd waren, deden volgens hetgeen in
41 7, 10| Israëls, die uit de gevangenis waren, hielden het Pascha, op
42 7, 10| priesters en Levieten geheiligd waren.~
43 7, 11| Israëls, die uit de gevangenis waren gekomen, waren niet tezamen
44 7, 11| gevangenis waren gekomen, waren niet tezamen geheiligd,
45 7, 11| geheiligd, maar de Levieten waren tezamen geheiligd.~
46 7, 13| Israëls, die uit de gevangenis waren, aten het Pascha, namelijk
47 7, 13| namelijk al die afgescheiden waren van de gruwelen der volken
48 8, 8 | die van de wet des Heren waren, en van de geboden om gans
49 8, 51| voor degenen die bij ons waren, namelijk onze kinderen
50 8, 63| daar drie dagen geweest waren, zo werd de vierde dag het
51 8, 64| van Pinehas, en met hem waren Josabdos de zoon van Jozua,
52 8, 66| de gevangenis aangekomen waren, offerden tot offeranden
53 8, 69| als deze dingen volbracht waren, zo kwamen de oversten tot
54 8, 81| 81 Ja, toen wij knechten waren, zo zijn wij niet verlaten
55 9, 3 | allen die uit de gevangenis waren, opdat zij binnen Jeruzalem
56 9, 5 | stammen van Juda en Benjamin waren, binnen drie dagen te Jeruzalem;
57 9, 14| en Levis, en Sabbateüs waren hun mede-rechters.~
58 9, 15| En die uit de gevangenis waren, volgden hen hierin na.~
59 9, 37| en de kinderen Israëls waren in hun woonplaatsen.~
60 9, 56| 56 Dewijl zij waren onderricht in het woord,
61 9, 56| en waartoe zij vergaderd waren.~ ~
|