Chapter, Verse
1 1, 1 | 1 EN Josia hield zijn Here het Pascha te Jeruzalem,
2 1, 3 | bedienden, dat zij zichzelf de Here zouden heiligen, om de heilige
3 1, 4 | dragen. En nu: dient de Here uw God, en hebt acht op
4 1, 11| 11 Om de Here te offeren, volgens hetgeen
5 1, 23| gericht geworden voor de Here, met een hart vol van godvruchtigheid.~
6 1, 24| bedreven hebben tegen de Here, meer dan enig volk en koninkrijk,
7 1, 27| ben tegen u door God de Here niet uitgezonden, want mijn
8 1, 27| op de Eufraat; en nu, de Here is bij mij, en de Here is
9 1, 27| de Here is bij mij, en de Here is haastig bij mij; wend
10 1, 27| en stel u niet tegen de Here.~
11 1, 39| deed wat kwaad was voor de Here.~
12 1, 44| deed dat kwaad was voor de Here.~
13 1, 47| deed dat kwaad was voor de Here; en vreesde niet voor de
14 1, 51| boden, en op de dag dat de Here tot hen sprak, belachten
15 2, 2 | 2 Zo verwekte de Here de geest van Cyrus, de koning
16 2, 3 | de koning der Perzen: De Here Israëls, de allerhoogste
17 2, 3 | Israëls, de allerhoogste Here, heeft mij tot koning gemaakt
18 2, 5 | van u is uit zijn volk, de Here zij met hem, en hij trekke
19 2, 5 | Heren van Israël; deze is de Here, die te Jeruzalem woont.~
20 4, 60| gegeven hebt, en ik dank u, o Here onzer vaderen.~
21 5, 51| en brandofferen voor de Here, namelijk het vroeg-offer
22 5, 60| 60 Zingende en lovende de Here, naar de instelling van
23 5, 61| met gezangen, lovende de Here, dat zijn goedheid en zijn
24 5, 62| grote stem, zingende de Here, over de oprichting van
25 5, 67| de tempel bouwden voor de Here de God Israëls.~
26 5, 71| het huis te bouwen voor de Here onze God:~
27 5, 72| wij zullen alleen voor de Here Israëls bouwen, volgens
28 6, 5 | der Joden genade van de Here, en werden niet verhinderd
29 6, 9 | nieuw en groot huis voor de Here met gehouwen kostelijke
30 6, 15| daar onze vaders tegen de Here Israëls, die in de hemel
31 6, 29| mensen, tot een offerande de Here, namelijk tot stieren, rammen
32 6, 33| 33 Daarom ook, de Here, wiens naam daar aangeroepen
33 7, 13| van het land, en die de Here zochten.~
34 7, 14| zich verheugende voor de Here;~
35 8, 7 | voorspoedige reis, die hun van de Here was gegeven.~
36 8, 14| 14 En zij de Here Israëls gaven toebrengen,
37 8, 14| men dat weder brenge de Here te Jeruzalem:~
38 8, 16| 16 Opdat men de Here offere offeranden op het
39 8, 28| zeide: Geloofd zij alleen de Here de God mijner vaderen, die
40 8, 51| aan de jongelingen voor de Here: om van hem te verzoeken
41 8, 54| baden al deze dingen van de Here, en wij vonden hem zeer
42 8, 59| ben: Gijlieden zijt ook de Here heilig, en de vaten zijn
43 8, 66| offerden tot offeranden de Here de God Israëls, twaalf stieren,
44 8, 67| tot een offerande voor de Here;~
45 8, 74| handen uitstrekkende tot de Here, zeide ik:~
46 8, 75| 75 Here, ik ben beschaamd, en bevreesd
47 8, 79| weinig genade geschied van de Here, om ons een wortel over
48 8, 81| wij niet verlaten door de Here onze God, maar hij heeft
49 8, 83| 83 En nu, Here, wat zullen wij zeggen,
50 8, 88| 88 Want gij, Here, die onze zonden hebt verlicht,
51 8, 90| 90 Here Israëls, gij zijt waarachtig;
52 8, 93| hebben gezondigd tegen de Here, wij hebben vreemde vrouwen
53 8, 94| een eed geschieden voor de Here, dat wij al onze vrouwen,
54 9, 8 | en geeft heerlijkheid de Here, de God onzer vaderen.~
55 9, 39| Mozes zou halen, die door de Here, de God Israëls was gegeven.~
56 9, 46| rechtop. En Ezra loofde de Here, de hoogste God, de God
57 9, 47| aarde vallende, baden zij de Here aan.~
58 9, 51| 51 Deze dag is de Here heilig; en zij weenden allen,
59 9, 53| Want deze dag is heilig de Here, en zijt niet droevig, want
60 9, 53| zijt niet droevig, want de Here zal u verheerlijken.~
|