Chapter, Verse
1 1, 4 | En zeide: Gij moogt deze niet meer op de schouders dragen.
2 1, 20| En daar is zodanig Pascha niet gehouden in Israël, van
3 1, 27| tegen u door God de Here niet uitgezonden, want mijn krijg
4 1, 27| u af van mij, en stel u niet tegen de Here.~
5 1, 28| keerde zijn wagen van hem niet af; maar bestond hem te
6 1, 28| bestond hem te bestrijden, niet lettende op de woorden van
7 1, 47| voor de Here; en vreesde niet voor de woorden, die door
8 2, 19| voltooid worden, zo zullen zij niet alleen geen schatting willen
9 2, 20| heeft ons goed gedacht, niet te verzuimen.~
10 2, 29| 29 En dat de boosheid niet verder ga, om de koningen
11 3, 22| harten rijk, en gedenkt niet aan de koning of vorst,
12 3, 23| gedronken hebben, gedenken zij niet om vriendelijk te zijn de
13 3, 24| opgestaan zijn, zo gedenken zij niet wat zij gedaan hebben.~
14 3, 25| 25 O mannen, is de wijn niet de sterkste, dewijl hij
15 4, 2 | 2 O mannen, zijn niet de mensen de sterkste, die
16 4, 5 | woord des konings zullen zij niet overtreden; en indien zij
17 4, 6 | En allen die in de krijg niet gaan noch oorlog voeren,
18 4, 11| werken doen, en zijn hem niet ongehoorzaam.~
19 4, 12| mannen, hoe is dan de koning niet de sterkste, die men alzo
20 4, 14| 14 O mannen, niet de grote koning, noch de
21 4, 15| die hen regeert? zijn het niet de vrouwen? De vrouwen hebben
22 4, 17| kunnen zonder de vrouwen niet zijn.~
23 4, 23| 23 En werkt gij niet, en arbeidt gij niet? en
24 4, 23| gij niet, en arbeidt gij niet? en geeft gij niet alles,
25 4, 23| arbeidt gij niet? en geeft gij niet alles, en brengt het aan
26 4, 28| 28 En nu, gelooft gij mij niet? Is de koning niet groot
27 4, 28| gij mij niet? Is de koning niet groot in zijn macht? en
28 4, 28| in zijn macht? en vrezen niet alle landen hem aan te raken?~
29 4, 32| hoe zijn dan de vrouwen niet sterk, dewijl zij, zo doen?~
30 4, 34| 34 O mannen, zijn niet de vrouwen sterk! Groot
31 4, 35| 35 Is die niet groot die zodanige dingen
32 5, 37| hun steden en geslachten niet verhalen, hoe zij uit Israël
33 5, 38| bedienden, en welker geslacht niet werd gevonden, de kinderen
34 5, 39| gezocht in het register, en niet gevonden werd, zo zijn zij
35 5, 53| tempel des Heren was nog niet gebouwd.~
36 5, 65| Zodat het volk de bazuinen niet wel hoorde, vanwege het
37 5, 71| 71 Het komt ons en u niet toe tezamen het huis te
38 5, 74| beletten zij dat de bouw niet werd voleindigd, en al de
39 6, 5 | genade van de Here, en werden niet verhinderd in de bouw, totdat
40 6, 20| heeft nog zijn voltooiing niet gekregen.~
41 7, 11| gevangenis waren gekomen, waren niet tezamen geheiligd, maar
42 8, 23| God; opdat de toorn Gods niet kome over het koninkrijk
43 8, 26| verstaan, leer hun, die haar niet verstaan.~
44 8, 69| de Levieten hebben zich niet afgezonderd van de vreemde
45 8, 81| knechten waren, zo zijn wij niet verlaten door de Here onze
46 8, 85| nu zult gij uw dochteren niet geven aan hun zonen, en
47 8, 85| en hun dochteren zult gij niet nemen voor uw zonen.~
48 8, 86| 86 En gij zult niet zoeken te eniger tijd vrede
49 8, 89| 89 Zoudt gij dan over ons niet vertoornd zijn totdat gij
50 8, 91| wij kunnen om dezer wil niet langer voor u bestaan.~
51 9, 4 | binnen twee of drie dagen niet zouden komen, naar het oordeel
52 9, 11| wintertijd, en wij kunnen niet staan onder de blauwe hemel,
53 9, 52| geschenken aan hen, die niet hebben.~
54 9, 53| heilig de Here, en zijt niet droevig, want de Here zal
55 9, 54| dag zelf is heilig, zijt niet droevig.~
56 9, 55| geschenken te geven aan hen die niet hadden, en zich grotelijks
|