Chapter, Verse
1 1, 3 | dat de koning Salomo de zoon Davids gebouwd had;~
2 1, 5 | instelling Salomo's, zijn zoon; en staat in het heiligdom
3 1, 34| het volk nam Joachas, de zoon van Josia, en maakte hem
4 1, 43| 43 En Joakim zijn zoon, werd koning in zijn plaats,
5 5, 5 | de zonen van Pinehas, de zoon van Aäron, waren Jozua,
6 5, 5 | van Aäron, waren Jozua, de zoon van Josedek, de zoon van
7 5, 5 | de zoon van Josedek, de zoon van Seraja, en Jojakim;
8 5, 5 | Jojakim; daarna Zerubabel, de zoon van Salathiël, uit den huize
9 5, 24| de kinderen van Jeddu, de zoon Jozua, met de kinderen van
10 5, 37| De kinderen van Dalan, de zoon van Baëma, de kinderen van
11 5, 48| 48 En Jozua, de zoon van Josedek, en zijn broeders
12 5, 48| priesters, met Zerubabel, de zoon van Sealthiël en zijn broeders
13 5, 56| maand, begon Zerubabel, de zoon van Sealthiël, en Jozua
14 5, 56| van Sealthiël, en Jozua de zoon van Josedek, en hun broederen,
15 5, 58| en de zonen van Joda, de zoon van Eliadad, met hun zonen
16 6, 1 | profeet Haggaï en Zacharia de zoon van Addo, over de Joden,
17 6, 2 | Toen stond op Zerubabel, de zoon van Sealthiël, en Jozua
18 6, 2 | van Sealthiël, en Jozua de zoon van Josedek, en begonnen
19 8, 1 | regeerde, trok henen Ezra, de zoon van Azaria, de zoon van
20 8, 1 | de zoon van Azaria, de zoon van Sechrie, de zoon van
21 8, 1 | de zoon van Sechrie, de zoon van Helchia, de zoon van
22 8, 1 | de zoon van Helchia, de zoon van Sallem,~
23 8, 2 | 2 De zoon van Sadduk, de zoon van
24 8, 2 | 2 De zoon van Sadduk, de zoon van Achitob, de zoon van
25 8, 2 | de zoon van Achitob, de zoon van Amaria, de zoon van
26 8, 2 | de zoon van Amaria, de zoon van Orias, de zoon van Bokka,
27 8, 2 | Amaria, de zoon van Orias, de zoon van Bokka, de zoon van Abisai,
28 8, 2 | Orias, de zoon van Bokka, de zoon van Abisai, de zoon van
29 8, 2 | de zoon van Abisai, de zoon van Pinehas, de zoon van
30 8, 2 | de zoon van Pinehas, de zoon van Eleazar, de zoon van
31 8, 2 | de zoon van Eleazar, de zoon van Aäron, de eerste priester.~
32 8, 32| kinderen van David: Lattus, de zoon van Sechenia.~
33 8, 34| van Faät Moab; Eljaonia de zoon van Zarea, en met hem tweehonderd
34 8, 35| van Zathoë: Sechenia, de zoon van Jezel, en met hem driehonderd
35 8, 36| kinderen van Adin, Obed, de zoon van Jonathan, en met hem
36 8, 37| kinderen van Elam, Jesia, de zoon van Gotholia, en met hem
37 8, 37| van Safatja, Zaraja, de zoon van Michaël, en met hem
38 8, 38| kinderen van Joab, Abadja, de zoon van Jezel, en met hem tweehonderdentwaalf
39 8, 39| van Bania, Salimoth, de zoon van Josafir, en met hem
40 8, 40| kinderen van Babi, Zacharia, de zoon van Bebai, en met hem achtentwintig
41 8, 42| zijn hun namen: Elifala, de zoon van Gevel, en Jamaja, en
42 8, 42| kinderen van Bagenthi, de zoon van Istaleumi, en met hem
43 8, 48| de kinderen van Moöli, de zoon van Levi, de zoon van Israël,
44 8, 48| Moöli, de zoon van Levi, de zoon van Israël, namelijk Asebebia
45 8, 63| des Heren, aan Marmoth, de zoon van Uria de priester.~
46 8, 64| En met hem was Eleazar de zoon van Pinehas, en met hem
47 8, 64| met hem waren Josabdos de zoon van Jozua, en Moëth de zoon
48 8, 64| zoon van Jozua, en Moëth de zoon van Laban: en de Levieten
49 8, 93| 93 En Jechonia, de zoon van Jeëli, uit de kinderen
50 9, 1 | de kamer van Joannan de zoon van Eliasis.~
51 9, 14| 14 Toen nam Jonathas, de zoon van Azaël, en Esekia, de
52 9, 14| van Azaël, en Esekia, de zoon van Theoran, dit volgens
53 9, 19| de kinderen van Jozua, de zoon van Josedek en zijn broederen,
|