Chapter, Verse
1 1, 13| 13 En brachten het voor al het volk. Daarna bereidden
2 1, 25| 25 En na al deze daden van Josia, is
3 1, 49| bovenal de onreinheden van al de heidenen, en bevlekten
4 1, 54| allen in hun handen, en al de heilige vaten des Heren
5 1, 58| Sabbatten een welbehagen had, en al de tijd van zijn verwoesting
6 2, 8 | priesters en Levieten, en al degenen, wier geest God
7 2, 14| 14 Al de vaten dan, die overgebracht
8 3, 1 | een grote maaltijd voor al degenen die onder hem stonden,
9 3, 1 | onder hem stonden, en voor al zijn huisgenoten, en voor
10 3, 1 | zijn huisgenoten, en voor al de groten van Medië en Perzië;~
11 3, 2 | 2 En voor al zijn vorsten, en krijgsoversten,
12 3, 14| hebbende liet hij roepen al de groten van Perzië en
13 3, 19| is de wijn; hij verleidt al de mensen die hem drinken;~
14 4, 10| 10 En al zijn volk, en zijn heerlegers
15 4, 15| ter wereld gebracht, en al het volk, dat de zee en
16 4, 36| hemel looft dezelve, en al de werken worden bewogen
17 4, 39| is, en onthoudt zich van al hetgeen onrecht en boos
18 4, 41| 41 En hij zweeg stil. En al het volk riep toen, en sprak
19 4, 44| 44 En dat gij al de vaten, die uit Jeruzalem
20 4, 47| schreef hem de brieven aan al de rentmeesters, en landvoogden
21 4, 48| 48 En aan al de landvoogden in Celo-Syrië,
22 4, 49| 49 En hij schreef aan al de Joden, die uit zijn koninkrijk
23 4, 53| 53 En dat al degenen, die van Babylonië
24 4, 53| en hun nakomelingen, met al de priesters die mede zouden
25 4, 57| 57 En hij zond weder al de vaten, die Cyrus uit
26 4, 57| Babylonië afgezonderd had, en al hetgeen Cyrus bevolen had
27 4, 61| en hij verkondigde dit al zijn broederen.~
28 5, 3 | 3 (En al hun broederen speelden)
29 5, 41| 41 Al de Israëlieten nu waren
30 5, 51| 51 Want al de volken, die op de aarde
31 5, 58| hun zonen en broederen; al deze Levieten zetten het
32 5, 74| niet werd voleindigd, en al de tijd van het leven des
33 6, 4 | te bouwen, en dat dak, en al deze andere dingen te voltooien,
34 6, 19| hem werd bevolen, dat hij al die vaten zou wegnemen,
35 7, 11| 11 Doch al de kinderen Israëls, die
36 7, 12| slachtten het Pascha voor al de kinderen der gevangenis,
37 7, 13| aten het Pascha, namelijk al die afgescheiden waren van
38 8, 8 | de geboden om gans Israël al de rechten en gerichten
39 8, 14| Jeruzalem beloofd hebben; en al het goud en zilver, dat
40 8, 26| geheel Syrië en Fenicië, al degenen die de wet uws Gods
41 8, 27| 27 En al die de wet uws Gods en des
42 8, 29| koning en zijn raadsheren, en al zijn vrienden, en zijn groten.~
43 8, 54| 54 En wij baden al deze dingen van de Here,
44 8, 87| 87 Doch al hetgeen ons overkomt, geschiedt
45 8, 94| geschieden voor de Here, dat wij al onze vrouwen, die van vreemd
46 8, 95| Gelijk u zal goeddunken, en al degenen die de wet des Heren
47 9, 12| voorgangers der menigte staan, en al degenen die uit onze inwoners
48 9, 40| als der vrouwen, en voor al de priesters om de wet te
49 9, 47| 47 En al het volk antwoordde daarop
|