Chapter, Verse
1 1, 11| boek van Mozes geschreven was, en alzo geschiedde het
2 1, 15| die door de koning gesteld was.~
3 1, 21| Israël, hetwelk bevonden was in zijn woning te Jeruzalem.~
4 1, 31| Jeruzalem wedergebracht was, legde hij het leven af,
5 1, 33| tevoren door hem gedaan was, en hetgeen nu geschied
6 1, 34| drieëntwintig jaren oud was.~
7 1, 35| 35 En hij was koning in Israël en Jeruzalem
8 1, 39| 39 Jojakim nu was vijfentwintig jaren oud,
9 1, 39| Jeruzalem, en deed wat kwaad was voor de Here.~
10 1, 43| koning in zijn plaats, en hij was achttien jaren oud toen
11 1, 44| Jeruzalem, en deed dat kwaad was voor de Here.~
12 1, 46| Judea en Jeruzalem; die was eenentwintig jaren oud,
13 1, 47| 47 En deed dat kwaad was voor de Here; en vreesde
14 1, 49| die te Jeruzalem geheiligd was.~
15 1, 55| alles wat in haar heerlijk was, maakten zij te schande.~
16 2, 13| 13 Het getal nu van deze was: duizend gouden drankofferschalen,
17 2, 22| verstaan, dat die stad afvallig was, en aan koningen en steden
18 2, 25| voorvallende zaken gesteld was, en aan Balthemus, en aan
19 2, 30| Artaxerxes geschreven werd, was gelezen, zo spanden Rathymus,
20 3, 13| als de koning opgestaan was, namen zij het geschrift,
21 5, 9 | waren, met hun oversten, was: de kinderen Parosch tweeduizendeenhonderd
22 5, 36| Thelersa; en hun overste was Charnathalan en Aälar.~
23 5, 40| zou opstaan, die aangedaan was met openbaring en waarheid.~
24 5, 47| poort, die tegen het oosten was.~
25 5, 52| gelijk in de wet bevolen was, en offerden dagelijks offeranden
26 5, 53| en de tempel des Heren was nog niet gebouwd.~
27 5, 55| de koning van Perzië, hun was aangeschreven.~
28 5, 56| tempel Gods te Jeruzalem was gekomen, op de tweede maand,
29 5, 63| het huis, dat voor dezen was, gezien hadden,~
30 5, 66| wat deze stem der bazuinen was.~
31 6, 5 | nadat het onderzoek gedaan was over de gevangenissen, zo
32 6, 18| huis Gods dat te Jeruzalem was, en die hij in zijn tempel
33 6, 20| Sabanasser daar gekomen was, legde hij de fundamenten
34 6, 26| des Heren dat te Jeruzalem was, en naar Babylon gebracht
35 7, 1 | hetgeen door de koning Darius was verordineerd;~
36 8, 3 | die door de Gods Israëls was gegeven.~
37 8, 7 | reis, die hun van de Here was gegeven.~
38 8, 46| Loddeus de overste, die daar was in de plaats der schatkamer,~
39 8, 53| dat de sterkte onzes Heren was voor degenen, die hem zochten
40 8, 62| onzes Heren, die over ons was.~
41 8, 64| 64 En met hem was Eleazar de zoon van Pinehas,
42 8, 73| Israëls, daar ik treurig was over deze misdaad, en ik
43 8, 92| jongelingen, want het wenen was groot onder de menigte.~
44 9, 5 | dagen te Jeruzalem; dit was de negende maand, en de
45 9, 39| de Here, de God Israëls was gegeven.~
46 9, 42| stoel, die daartoe bereid was.~
47 9, 56| het woord, dat hun geleerd was, en waartoe zij vergaderd
|