75-ieder | indie-verkw | verla-zwoer
Chapter, Verse
1 8, 75| 75 Here, ik ben beschaamd,
2 8, 76| 76 Want onze zonden zijn vermenigvuldigd
3 8, 77| 77 En wij zijn in grote zonde
4 8, 78| 78 En om onzer zonde wil, en
5 8, 79| 79 En nu is ons een weinig
6 8, 80| 80 En om ons een licht te ontdekken
7 8, 81| 81 Ja, toen wij knechten waren,
8 8, 82| 82 En om de tempel onzes Heren
9 8, 83| 83 En nu, Here, wat zullen
10 8, 84| 84 Het land waarin gij komt
11 8, 85| 85 En nu zult gij uw dochteren
12 8, 86| 86 En gij zult niet zoeken
13 8, 87| 87 Doch al hetgeen ons overkomt,
14 8, 88| 88 Want gij, Here, die onze
15 8, 89| 89 Zoudt gij dan over ons niet
16 8, 90| 90 Here Israëls, gij zijt waarachtig;
17 8, 91| 91 Zie, wij zijn nu voor u
18 8, 92| 92 En toen Ezra bad, en de
19 8, 93| 93 En Jechonia, de zoon van
20 8, 94| 94 En nu, gans Israël is in
21 8, 95| 95 Gelijk u zal goeddunken,
22 8, 96| 96 Want u komt deze zaak toe,
23 8, 97| 97 En Ezra stond op, en beëedigde
24 5, 36| overste was Charnathalan en Aälar.~
25 1, 24| 24 En wat zijn zaken aanbelangt, die zijn beschreven in
26 4, 4 | de anderen zullen oorlog aandoen, zij doen het; en indien
27 9, 17| het is ten einde gebracht, aangaande de mannen die uitlandse
28 2, 20| is met hetgeen de tempel aangaat, zo heeft ons goed gedacht,
29 2, 23| afvallig en oproerig hebben aangesteld; om welker oorzaken wil
30 9, 3 | 3 En daar werd een aankondiging gedaan door geheel Judea
31 4, 31| mond aan, en indien zij hem aanlachte, zo lachte hij ook; en indien
32 4, 39| 39 En bij haar is geen aanneming des persoons; zij maakt
33 4, 19| op haar, en met open mond aanschouwen zij haar; en hebben meer
34 9, 6 | bevende van koude vanwege de aanstaande winter.~
35 8, 47| schatbewaarders in die plaats zouden aanzeggen, dat zij ons enigen zouden
36 8, 38| Uit de kinderen van Joab, Abadja, de zoon van Jezel, en met
37 8, 2 | zoon van Bokka, de zoon van Abisai, de zoon van Pinehas, de
38 5, 32| van Akuf, de kinderen van Achiba, de kinderen van Asub, de
39 8, 2 | van Sadduk, de zoon van Achitob, de zoon van Amaria, de
40 8, 40| zoon van Bebai, en met hem achtentwintig mannen.~
41 8, 88| gegeven, en wij zijn weder achterwaarts gekeerd, om uw wet te overtreden,
42 5, 11| Jozua en Joab tweeduizend achthonderd en twaalf.~
43 5, 24| de kinderen van Lanasib achthonderdzevenenzeventig. De kinderen Emeruth tweehonderdtweeënvijftig.~
44 1, 22| 22 In het achttiende jaar des koninkrijks van
45 7, 5 | drieëntwintigste dag der maand Adar, in het zesde jaar des konings
46 9, 31| 31 En van de kinderen van Addi: Naäth, en Moosias, Lacrum
47 6, 1 | en Zacharia de zoon van Addo, over de Joden, die in Judea
48 5, 34| van Gas, de kinderen van Addus, de kinderen van Suba, de
49 4, 9 | 9 Zegt hij dat men afbreke, zo breken zij af; zegt
50 5, 34| van Suba, de kinderen van Aferra, de kinderen van Barod,
51 6, 16| 16 Welke dit huis afgebroken en verbrand hebben en hebben
52 6, 12| hebben hun ook schriftelijk afgeëist de namen dergenen die hun
53 2, 10| Jeruzalem weggevoerd, en in zijn afgoden-tempel gezet had.~
54 4, 7 | indien hij zegt dat men aflate, zo laten zij af.~
55 1, 16| niemand mocht van zijn dagorde aftreden. Want hun broeders, de Levieten,
56 5, 30| Labana, de kinderen van Agraba, de kinderen van Akud, de
57 9, 27| Joabdi, en Jeromoth, en Aidias.~
58 5, 30| van Cetab, de kinderen van Akaba, de kinderen van Sijba,
59 5, 38| van Obdie, de kinderen van Akbos, de kinderen van Jaddu,
60 5, 30| Agraba, de kinderen van Akud, de kinderen van Uta, de
61 5, 32| van Nafis, de kinderen van Akuf, de kinderen van Achiba,
62 3, 18| gesproken had, en zeide aldus:~
63 8, 50| dienaars des tempels, dezer aller namen zijn schriftelijk
64 2, 3 | Perzen: De Here Israëls, de allerhoogste Here, heeft mij tot koning
65 5, 34| van Safag, de kinderen van Allom.~
66 9, 46| God der heerscharen, de almachtige;~
67 8, 45| Iduël, en Maja, en Masma, en Alnatha, en Jamla, en Joribon, Nathan,
68 9, 33| van de kinderen van Asom: Altaneüs, en Matthatias, Sabbaneüs,
69 8, 2 | van Achitob, de zoon van Amaria, de zoon van Orias, de zoon
70 9, 29| Ananias, en Josabdus, en Amathias,~
71 9, 47| het volk antwoordde daarop Amen! En hun handen opwaarts
72 5, 19| zevenhonderddrieënveertig; de Gadiastieten en Ammidiën vierhonderdtweeëntwintig.~
73 5, 16| 16 De kinderen van Amri honderdeneen. De kinderen
74 5, 18| Nethofas vijfenvijftig; die van Anatoth honderdachtenvijftig; die
75 9, 48| 48 Jozua nu, en Anniuth, en Sarabias, en Jadin,
76 8, 49| 49 En Asebia, en Annu, en Hosea zijn broeder,
77 9, 34| Juël, Mabdaï, en Pedias, en Anos, Rabasion, en Enasis, en
78 9, 48| Jadin, en Jakobus, Sabateas, Anteüs, Majannus, en Kalitas, Azarias
79 6, 5 | hiervan zou doen weten, en men antwoord zou bekomen.~
80 4, 29| Nochtans heb ik hem gezien en Apame, de dochter des wondergroten
81 8, 41| kinderen van Astath, Joannes Aratan en met hem honderdentien
82 4, 23| 23 En werkt gij niet, en arbeidt gij niet? en geeft gij niet
83 5, 10| vierhonderdtweeënzeventig. De kinderen van Ares zevenhonderd zesenvijftig.~
84 5, 13| zeshonderddrieëndertig. De kinderen van Argas duizend driehonderd tweeëntwintig.~
85 5, 16| drieentwintig. De kinderen van Arisfurith honderdentwee.~
86 3, 20| vrijen, het verstand des armen en des rijken;~
87 5, 16| honderdeneen. De kinderen van Arom tweeëndertig. De kinderen
88 1, 15| heilige Zangers, de kinderen Asafs, waren in hun ordening,
89 9, 32| kinderen van Anan: Elionas, en Asajas, en Melchias, en Sabbeüs,
90 5, 33| Salomo, de kinderen van Asapfioth, de kinderen van Farera,
91 5, 31| van Finoë, de kinderen van Asara.~
92 5, 69| offeranden, van de dagen van Asbakaf de koning van Assyrië af,
93 8, 48| zoon van Israël, namelijk Asebebia en zijn zonen, en zijn broederen,
94 8, 49| 49 En Asebia, en Annu, en Hosea zijn
95 9, 26| en Maël, en Eleazar, en Asebias, en Baneas.~
96 5, 8 | Enenius, Mardocheus, Belsarus, Asfarasus, Rheëlius, Rorinus, Baänas,
97 5, 29| van Hesai, de kinderen van Asifa, de kinderen van Tabaoth,
98 9, 33| 33 En van de kinderen van Asom: Altaneüs, en Matthatias,
99 5, 32| Basthaï, de kinderen van Assana, de kinderen van Mavi, de
100 5, 69| van Asbakaf de koning van Assyrië af, die ons hier heeft overgebracht.~
101 7, 15| de raad van de koning der Assyriërs tot hen had gewend, om hun
102 8, 41| 41 Uit de kinderen van Astath, Joannes Aratan en met hem
103 5, 32| Achiba, de kinderen van Asub, de kinderen van Farenaces.~
104 9, 2 | 2 En bleef daar, en at geen brood en dronk geen
105 5, 28| van Salum, de kinderen van Atar, de kinderen van Tolman,
106 7, 13| uit de gevangenis waren, aten het Pascha, namelijk al
107 5, 15| 15 De kinderen van Ater uit Esekia tweeënnegentig.
108 5, 28| van Dahub, de kinderen van Ateta, de kinderen van Tobi, allen
109 9, 50| 50 En Attaratas zeide tot Ezra de overste
110 5, 40| 40 En Nehemia en Attaria zeiden tot hen, dat zij
111 5, 38| kinderen van Jaddu, die Augia tot een huisvrouw nam, uit
112 8, 73| en ik zat droevig tot het avondoffer toe.~
113 5, 15| zevenenzestig. De kinderen van Azar vierhonderdtweeëndertig.~
114 8, 1 | henen Ezra, de zoon van Azaria, de zoon van Sechrie, de
115 5, 15| De kinderen van Cilas en Azenas zevenenzestig. De kinderen
116 9, 43| Azarias, Urias, Ezekias, Baälsamus aan de rechterhand.~
117 5, 8 | Asfarasus, Rheëlius, Rorinus, Baänas, hun oversten.~
118 9, 34| 34 En van de kinderen van Baäni: Hieremias, Momdi, Ismaër,
119 8, 72| mijn hoofd, en van mijn baard, en ik zat vol gedachten
120 5, 13| 13 De kinderen van Babaï zeshonderddrieëndertig.
121 5, 7 | Nabuchodonosor, de koning van Babel, in Babylonië weggevoerd
122 8, 40| 40 Uit de kinderen van Babi, Zacharia, de zoon van Bebai,
123 9, 24| heilige zangers: Eliaseb, en Bacchu.~
124 8, 92| 92 En toen Ezra bad, en de zonden bekende, en
125 5, 37| kinderen van Dalan, de zoon van Baëma, de kinderen van Nehoda
126 8, 42| mannen; uit de kinderen van Bagenthi, de zoon van Istaleumi,
127 5, 14| zeshonderdzevenendertig. De kinderen van Bagoë tweeduizendzesenzestig.
128 9, 31| Matthanias, en Sesthel, en Balim, en Manassias.~
129 6, 32| aangeschreven is, dat men een balk zal nemen van zijn eigen
130 1, 40| bond hem met een metalen band, en voerde hem weg naar
131 5, 12| en vijf. De kinderen van Bani zeshonderdachtenveertig.~
132 8, 39| 39 Uit de kinderen van Bania, Salimoth, de zoon van Josafir,
133 5, 26| kinderen Jozut en Kadoëli en Banni en Sudi vierenzeventig.~
134 9, 34| en Mammitanem, Eliasis, Bannus, Eliali, Sameis, Selemias,
135 5, 34| Aferra, de kinderen van Barod, de kinderen van Safag,
136 4, 29| dochter des wondergroten Bartacus, des konings bijwijf, die
137 5, 16| tweeëndertig. De kinderen van Base driehonderd drieentwintig.
138 5, 32| 32 De kinderen van Basthaï, de kinderen van Assana,
139 5, 65| des volks, want de schare bazuinde zeer luid, zodat zij van
140 1, 24| en koninkrijk, en die hem bedroefd hebben; en de woorden des
141 8, 97| 97 En Ezra stond op, en beëedigde de oversten der priesters
142 5, 1 | en dienstmaagden, en hun beesten.~
143 9, 1 | de voorhof des tempels, begaf zich in de kamer van Joannan
144 4, 46| koning, en dat ik van u begeer: en deze is de heerlijkheid,
145 8, 4 | in alles wat hij van hem begeerde.~
146 4, 19| zij haar; en hebben meer begeerte tot haar, dan tot het goud
147 8, 12| 12 Zo velen als er dan begerig zijn, dat zij mede trekken;
148 8, 71| oversten en de groten van het begin dezer zaak deelachtig geworden.~
149 1, 31| hij het leven af, en werd begraven in zijn vaderlijk graf.~
150 8, 15| lammeren, en hetgeen daartoe behoort.~
151 7, 2 | de opzieners des tempels behulpzaam.~
152 8, 92| toen Ezra bad, en de zonden bekende, en weende, liggende voor
153 9, 8 | 8 Maar nu, bekent het, en geeft heerlijkheid
154 1, 50| door zijn boden om hen tot bekering te roepen, opdat hij hen
155 1, 32| en Jeremia, de profeet beklaagde Josia, en de voornaamsten
156 1, 32| voornaamsten met hun vrouwen beklaagden hem tot op deze dag; en
157 7, 9 | stonden naar de geslachten, bekleed met lange klederen, over
158 1, 51| dat de Here tot hen sprak, belachten zij zijn profeten.~
159 2, 16| en te Jeruzalem woonden, Belemus en Mithridates, en Tabellius,
160 5, 74| samenrottingen makende, beletten zij dat de bouw niet werd
161 5, 44| Gods te Jeruzalem kwamen, beloofden het huis Gods op te richten
162 5, 8 | Resaja, Enenius, Mardocheus, Belsarus, Asfarasus, Rheëlius, Rorinus,
163 4, 2 | die het land en de zee bemachtigen, en alles wat daarin is?~
164 4, 24| brengt hij dat tot zijn beminde.~
165 9, 14| Theoran, dit volgens deze bepaling aan: en Mesullamas, en Levis,
166 9, 42| verheven stoel, die daartoe bereid was.~
167 4, 4 | zij gaan; zij slechten de bergen, en de muren, en de torens;~
168 5, 19| vijfentwintig; die van Cathiras en Berogh zevenhonderddrieënveertig;
169 4, 26| velen zijn van hun zinnen beroofd om der vrouwen wil, en zijn
170 8, 75| 75 Here, ik ben beschaamd, en bevreesd voor uw aangezicht:~
171 6, 33| om te verhinderen of te beschadigen dit huis des Heren te Jeruzalem.~
172 1, 51| 51 Doch zij bespotten zijn boden, en op de dag
173 8, 91| dezer wil niet langer voor u bestaan.~
174 1, 28| wagen van hem niet af; maar bestond hem te bestrijden, niet
175 1, 28| af; maar bestond hem te bestrijden, niet lettende op de woorden
176 5, 52| dagelijks offeranden gelijk het betaamde en daarna gedurige offeranden,
177 5, 17| 17 De kinderen van Beter drieduizendenvijf.~
178 5, 18| honderdachtenvijftig; die van Bethasmon tweeënveertig.~
179 5, 18| 18 De kinderen uit Bethlomon honderddrieëntwintig; die
180 5, 20| honderdtweeëntwintig; die van Betolië vijfenvijftig.~
181 9, 54| 54 En de Levieten bevalen het ganse volk, zeggende:
182 8, 47| 47 Hun bevelende, dat zij Loddo en zijn broederen,
183 4, 36| werken worden bewogen en beven, en bij haar is geen onrecht.~
184 9, 6 | voorplaats des tempels, bevende van koude vanwege de aanstaande
185 1, 49| onreinheden van al de heidenen, en bevlekten de tempel des Heren, die
186 8, 75| Here, ik ben beschaamd, en bevreesd voor uw aangezicht:~
187 8, 60| 60 Zo waakt, en bewaart ze, totdat gij ze overlevert
188 6, 28| de gevangenis zijn, hulp bewijze, totdat het huis des Heren
189 8, 11| heb goedertierenheid te bewijzen zo heb ik bevolen, dat zij
190 6, 22| des Heren te Jeruzalem met bewilliging van de koning Cyrus is geschied,
191 4, 50| het gehele land, dat zij bewoonden, voor hen zonder schatting
192 5, 73| in Judea woonden, en hen bezettende, verhinderden zij hun te
193 8, 84| vreemde volken des lands bezoedeld is, want zij hebben dat
194 8, 84| is een land, dat door de bezoedeling van de vreemde volken des
195 8, 13| in Judea en Jeruzalem is bezoeken, en doen volgens hetgeen
196 4, 56| stad bewaarden, hun deel en bezoldiging zou geven.~
197 4, 46| mij van u geeist wordt. Ik bid dan dat gij de belofte volbrengt,
198 6, 31| zijn kinderen; en dat zij bidden voor hun lang leven.~
199 9, 3 | opdat zij binnen Jeruzalem bijeen zouden komen,~
200 6, 29| en Fenicië met vlijt een bijleg gegeven worde aan de landvoogd
201 4, 29| wondergroten Bartacus, des konings bijwijf, die aan de rechterhand
202 1, 33| der daden van Josia in het bijzonder, die door hem zijn gedaan,
203 9, 11| kunnen niet staan onder de blauwe hemel, en dit is geen werk
204 9, 2 | 2 En bleef daar, en at geen brood en
205 5, 62| 62 En het ganse volk blies met bazuinen, en riep met
206 4, 38| 38 Maar de waarheid blijft en is sterk in der eeuwigheid;
207 8, 58| koperen vaten van fijn koper, blinkende gelijk goud.~
208 2, 21| zo het u goeddunkt, in de boeken van uw vaderen nagelaten,
209 8, 2 | zoon van Orias, de zoon van Bokka, de zoon van Abisai, de
210 1, 40| de koning van Babylon, en bond hem met een metalen band,
211 2, 29| 29 En dat de boosheid niet verder ga, om de koningen
212 6, 9 | 9 In de stad Jeruzalem bouwende waren een nieuw en groot
213 4, 31| 31 En bovendien zag haar de koning met open
214 8, 87| geschiedt vanwege onze boze werken en onze grote zonden.~
215 1, 12| 12 En zij braadden het Pascha aan het vuur,
216 1, 55| verbrandden het huis des Heren, en braken de muren van Jeruzalem,
217 6, 25| zijn zestig ellen, en de breedte zestig ellen, met drie wanden
218 4, 9 | hij dat men afbreke, zo breken zij af; zegt hij dat men
219 8, 14| Babylonië, dat men dat weder brenge de Here te Jeruzalem:~
220 6, 6 | 6 Het afschrift nu des briefs, die hij aan Darius heeft
221 9, 2 | En bleef daar, en at geen brood en dronk geen water, treurig
222 3, 14| oversten der landen, en de burgemeesters.~
223 5, 19| 19 Die van Cariathiri vijfentwintig; die van Cathiras
224 5, 19| Cariathiri vijfentwintig; die van Cathiras en Berogh zevenhonderddrieënveertig;
225 5, 30| van Anan, de kinderen van Cathua.~
226 5, 31| Chaseba, de kinderen van Cazera, de kinderen van Ozia, de
227 8, 60| Israëls te Jeruzalem, in de cellen van het huis onzes Gods.~
228 5, 30| van Uta, de kinderen van Cetab, de kinderen van Akaba,
229 9, 44| 44 En aan de linkerhand Chaldeüs, en Misaël, Melchias, Haothasufus,
230 8, 49| broeder, uit de kinderen van Chanun, en hun zonen, twintig mannen;~
231 5, 25| duizendvierhonderdenzeven. De kinderen van Charmi tweehonderdenzeventien.~
232 5, 36| Thelersa; en hun overste was Charnathalan en Aälar.~
233 5, 31| van Noëba, de kinderen van Chaseba, de kinderen van Cazera,
234 1, 9 | 9 Doch Chelkia, en Zacharia, en Suëlus,
235 8, 70| volken der Kanaänieten, en Chetteeërs, en Feresieten en Jebusieten,
236 5, 12| negenhonderdvijfenzeventig. De kinderen van Chorvas zevenhonderd en vijf. De
237 9, 32| Melchias, en Sabbeüs, en Simon Chosameüs.~
238 5, 15| tweeënnegentig. De kinderen van Cilas en Azenas zevenenzestig.
239 4, 34| want zij, draait in de cirkel des hemels, en zij keert
240 5, 59| de kinderen van Asaf, met cymbalen.~
241 5, 41| waren van twaalf jaren en daarboven, zonder de dienstknechten
242 4, 11| 11 Daarenboven zit hij neder, eet hij,
243 6, 33| 33 Daarom ook, de Here, wiens naam
244 1, 16| en niemand mocht van zijn dagorde aftreden. Want hun broeders,
245 1, 2 | waren aangedaan, naar hun dagordening in de tempel des Heren.~
246 5, 28| Tolman, de kinderen van Dahub, de kinderen van Ateta,
247 6, 4 | dat huis te bouwen, en dat dak, en al deze andere dingen
248 5, 37| Israël waren. De kinderen van Dalan, de zoon van Baëma, de kinderen
249 4, 60| wijsheid gegeven hebt, en ik dank u, o Here onzer vaderen.~
250 8, 67| lammeren, twaalf bokken tot dankoffer: alles tot een offerande
251 4, 58| tegenover Jeruzalem, en dankte de Koning des hemels, zeggende:~
252 8, 71| van het begin dezer zaak deelachtig geworden.~
253 4, 15| 15 Wie is dan degene die over hen heerst, of
254 5, 8 | Jeruzalem, en naar de andere delen van Judea, elk in zijn eigen
255 5, 5 | zoon van Salathiël, uit den huize Davids, van het geslacht
256 2, 13| negenentwintig zilveren rookpannen, dertig gouden bekers, tweeduizendvierhonderdendertig
257 1, 7 | dat daar bevonden werd, dertigduizend lammeren en bokken, en drieduizend
258 4, 44| en hij beloofde die weder derwaarts te zenden.~
259 5, 31| van Laïr, de kinderen van Desan, de kinderen van Noëba,
260 1, 16| deurwachters stonden aan elke deur; en niemand mocht van zijn
261 4, 49| noch rentmeester in hun deuren zou ingaan.~
262 8, 65| daarvan werd opgeschreven in dezelfde ure.~
263 4, 36| waarheid aan, en de hemel looft dezelve, en al de werken worden
264 8, 24| noch deurwachters, noch dienaren des tempels, noch schriftgeleerden
265 1, 5 | broederen de kinderen Israëls dienen.~
266 8, 80| geven in de tijd van onze dienstbaarheid.~
267 4, 59| heerlijkheid, en ik ben uw dienstknecht.~
268 3, 20| gelijk ook het verstand des dienstknechts en des vrijen, het verstand
269 1, 4 | schouders dragen. En nu: dient de Here uw God, en hebt
270 4, 29| hem gezien en Apame, de dochter des wondergroten Bartacus,
271 4, 7 | Indien hij zegt dat men dode, zo doden zij; indien hij
272 4, 7 | hij zegt dat men dode, zo doden zij; indien hij zegt dat
273 1, 53| 53 Die doodden hun jongelingen met het
274 4, 34| loop is de zon, want zij, draait in de cirkel des hemels,
275 5, 54| timmerlieden, en spijs en drank,~
276 2, 13| drankofferschalen, duizend zilveren drankoffer-schalen, negenentwintig zilveren
277 6, 31| 31 Opdat drankofferen geofferd worden aan de hoogste
278 2, 13| deze was: duizend gouden drankofferschalen, duizend zilveren drankoffer-schalen,
279 5, 17| 17 De kinderen van Beter drieduizendenvijf.~
280 5, 16| kinderen van Base driehonderd drieentwintig. De kinderen van Arisfurith
281 1, 34| van zijn vader, toen hij drieëntwintig jaren oud was.~
282 7, 5 | huis voltooid tot op de drieëntwintigste dag der maand Adar, in het
283 3, 21| en hij gedenkt aan geen droefheid, en aan geen schuld;~
284 5, 73| En de volken van dit land drongen op degenen die in Judea
285 9, 2 | daar, en at geen brood en dronk geen water, treurig zijnde
286 4, 24| ziet een leeuw, en gaat in duisternis; en wanneer hij gestolen,
287 5, 12| 12 De kinderen van Elam duizendtweehonderdvierenvijftig. De kinderen van Zathaï
288 5, 25| 25 De kinderen van Fassur duizendvierhonderdenzeven. De kinderen van Charmi
289 4, 11| ringswijze rondom hem, en niemand durft weggaan, noch zijn eigen
290 9, 35| Ethma: Mazitias, Zabada, Edaïs, Juhel, Baneas.~
291 1, 46| Judea en Jeruzalem; die was eenentwintig jaren oud, en regeerde elf
292 4, 40| de heerlijkheid, van alle eeuwen. Geprezen zij de God der
293 8, 70| Jebusieten, en Moabieten, en Egyptenaars en Idumeeërs.~
294 9, 17| 17 En het is ten einde gebracht, aangaande de mannen
295 4, 42| zeide de koning tot hem, eis wat gij wilt ja meer dan
296 6, 23| en daar is bevonden, te Ekbatana in de stad, die in het land
297 9, 27| 27 Van de kinderen van Ela: Mathanias, en Zacharias,
298 1, 46| eenentwintig jaren oud, en regeerde elf jaren;~
299 5, 58| zonen van Joda, de zoon van Eliadad, met hun zonen en broederen;
300 9, 34| Mammitanem, Eliasis, Bannus, Eliali, Sameis, Selemias, Nathanius.
301 9, 24| Van de heilige zangers: Eliaseb, en Bacchu.~
302 9, 28| de kinderen van Zamoth: Eliazim, Othonias, Jarimoth, en
303 8, 42| en deze zijn hun namen: Elifala, de zoon van Gevel, en Jamaja,
304 9, 33| Matthatias, Sabbaneüs, en Elifalat, en Manasses, en Semer.~
305 9, 22| van de kinderen van Fesur: Elionais, Massias, Ismaël, en Nathaneël,
306 9, 32| uit de kinderen van Anan: Elionas, en Asajas, en Melchias,
307 8, 34| kinderen van Faät Moab; Eljaonia de zoon van Zarea, en met
308 4, 33| de koning en de groten op elkander. En hij, begon te spreken
309 5, 58| broeder, en de zonen van Emadabus, en de zonen van Joda, de
310 5, 24| achthonderdzevenenzeventig. De kinderen Emeruth tweehonderdtweeënvijftig.~
311 9, 21| 21 En van de kinderen van Emmer: Ananias, en Zabdeûs, en
312 3, 20| het verstand des konings én van de wees enerlei verstand,
313 9, 34| Pedias, en Anos, Rabasion, en Enasis, en Mammitanem, Eliasis,
314 5, 8 | Nehemia, Saraja, Resaja, Enenius, Mardocheus, Belsarus, Asfarasus,
315 3, 20| des konings én van de wees enerlei verstand, gelijk ook het
316 1, 24| tegen de Here, meer dan enig volk en koninkrijk, en die
317 8, 86| gij zult niet zoeken te eniger tijd vrede te hebben met
318 8, 45| Jamla, en Joribon, Nathan, Ennathan, Zacharia en Mosollamon
319 8, 55| priesters twaalf mannen af, en Eresebia, en Lamia en met hem uit
320 8, 84| gij komt om dat tot een erve te hebben, is een land,
321 8, 86| en het uw kinderen doet erven in eeuwigheid.~
322 9, 34| kinderen van Ezora: Sesis, Esril, Azaël, Samatus, Zamvre,
323 9, 55| gingen allen heen, om te eten, en te drinken, en vrolijk
324 3, 2 | waren van Indië aan tot Ethiopië toe, in de honderdenzeventien
325 9, 35| 35 En van de kinderen van Ethma: Mazitias, Zabada, Edaïs,
326 9, 43| Ananias, Azarias, Urias, Ezekias, Baälsamus aan de rechterhand.~
327 5, 43| tweehonderd vijfenveertig, en ezels vijfduizend vijfhonderd
328 9, 34| En van de kinderen van Ezora: Sesis, Esril, Azaël, Samatus,
329 5, 38| huisvrouw nam, uit de dochteren Faëzeldeüs, en naar zijn naam is genoemd.~
330 5, 29| van Suda, de kinderen van Faleas.~
331 5, 44| uit de oversten van hun familiën, als zij nu in de tempel
332 1, 25| Josia, is het geschied, dat Farao de koning van Egypte kwam,
333 5, 32| van Asub, de kinderen van Farenaces.~
334 5, 33| Asapfioth, de kinderen van Farera, de kinderen van Jejeli,
335 5, 5 | Davids, van het geslacht van Fares, en van de stam Juda.~
336 5, 25| 25 De kinderen van Fassur duizendvierhonderdenzeven.
337 5, 52| maanden, en van alle andere feestdagen, voor degenen die geheiligd
338 8, 70| Kanaänieten, en Chetteeërs, en Feresieten en Jebusieten, en Moabieten,
339 9, 22| 22 En van de kinderen van Fesur: Elionais, Massias, Ismaël,
340 8, 58| twaalf koperen vaten van fijn koper, blinkende gelijk
341 3, 6 | getrokken, en een hoed van fijne zijde, en een keten om zijn
342 5, 31| van Ozia, de kinderen van Finoë, de kinderen van Asara.~
343 5, 2 | met muziek, trommelen en fluiten,~
344 4, 18| goud en zilver en allerlei fraaie zaken verzameld hebben,
345 4, 19| en het zilver en allerlei fraaiigheid.~
346 5, 57| 57 En legden het fundament van het huis Gods in de
347 6, 20| gekomen was, legde hij de fundamenten van het huis des Heren te
348 2, 29| de boosheid niet verder ga, om de koningen moeite aan
349 5, 20| 20 Die van Kiramas en Gabbes zeshonderdeenentwintig;
350 5, 19| zevenhonderddrieënveertig; de Gadiastieten en Ammidiën vierhonderdtweeëntwintig.~
351 8, 32| de kinderen van Ithamar: Gamaliël; uit de kinderen van David:
352 7, 8 | 8 En voor de zonden des gansen volks Israëls twaalf bokken,
353 5, 34| Misaje, de kinderen van Gas, de kinderen van Addus,
354 6, 13| 13 Maar zij hebben ons geantwoord en gezegd: Wij zijn kinderen
355 6, 30| verklaren dat dagelijks gebezigd wordt en dit zonder vertraging.~
356 6, 24| jaar als Cyrus regeerde, gebood de koning Cyrus, dat men
357 4, 15| aarde regeert is uit haar geboren.~
358 5, 64| 64 Kwamen tot het gebouw van dit huis met schreien
359 8, 18| die u gegeven zijn tot het gebruik van de tempel uws Gods,~
360 4, 18| vrouw zien die schoon is van gedaante en van gestalte,~
361 2, 20| aangaat, zo heeft ons goed gedacht, niet te verzuimen.~
362 8, 72| mijn baard, en ik zat vol gedachten en zeer treurig.~
363 5, 31| 31 De kinderen van Geddur, de kinderen van Laïr, de
364 4, 43| zeide hij tot de koning: Gedenk aan uw belofte, die gij
365 2, 22| 22 En gij zult in de gedenkboeken, daarover geschreven, vinden,
366 5, 52| gelijk het betaamde en daarna gedurige offeranden, en offeranden
367 8, 29| 29 En die mij heeft geëerd gemaakt voor de koning en
368 4, 46| heerlijkheid, die door mij van u geeist wordt. Ik bid dan dat gij
369 6, 8 | in het land van Judea, en gegaan zijnde in de stad Jeruzalem,
370 3, 3 | 3 En als zij gegeten en gedronken hadden, en
371 5, 40| deel zouden hebben aan de geheiligde dingen, totdat er een overpriester
372 5, 65| luid, zodat zij van verre gehoord werd.~
373 4, 12| de sterkste, die men alzo gehoorzaamt? en hij zweeg stil.~
374 4, 3 | alles wat hij hun zegt, dat gehoorzamen zij.~
375 6, 20| nog zijn voltooiing niet gekregen.~
376 5, 54| 54 En zij gaven geld aan de steenhouwers, en
377 8, 27| andere lijfstraffen, of met geldboete, of met wegvoering.~
378 1, 36| 36 En legde het volk een geldstraf op van honderd talenten
379 9, 56| onderricht in het woord, dat hun geleerd was, en waartoe zij vergaderd
380 8, 45| Mosollamon de oversten, en geleerden.~
381 6, 9 | en houtwerk in de muren gelegd;~
382 1, 25| Karchamis bij de Eufraat gelegen; en Josia trok uit hem tegemoet.~
383 5, 2 | ruiters, om hen in vrede te geleiden naar Jeruzalem, met muziek,
384 4, 28| 28 En nu, gelooft gij mij niet? Is de koning
385 2, 9 | gewillige gaven van velen, wier gemoed daartoe verwekt is.~
386 8, 54| en wij vonden hem zeer genadig.~
387 6, 31| 31 Opdat drankofferen geofferd worden aan de hoogste God,
388 4, 40| heerlijkheid, van alle eeuwen. Geprezen zij de God der waarheid!~
389 2, 27| strenge koningen hebben geregeerd, welke ook schattingen aan
390 8, 8 | Israël al de rechten en gerichten te leren.~
391 5, 64| met schreien en met groot geroep, en velen met bazuinen en
392 3, 16| verklaren; en zij werden geroepen, en kwamen binnen, en zij
393 8, 32| Uit de kinderen Pinehas: Gerson; uit de kinderen van Ithamar:
394 1, 58| tijd van zijn verwoesting gerust had, totdat zeventig jaren
395 6, 13| hemel en de aarde heeft geschapen,~
396 1, 11| geschreven was, en alzo geschiedde het vroegoffer.~
397 1, 10| deze dingen naar behoren geschiedden, zo stonden de priesters
398 1, 33| beschreven in het boek van de geschiedenissen der koningen van Juda; en
399 8, 87| al hetgeen ons overkomt, geschiedt vanwege onze boze werken
400 5, 39| 39 En als dit geslachtschrift werd gezocht in het register,
401 4, 5 | slaan dood, en worden dood geslagen, en het woord des konings
402 4, 18| schoon is van gedaante en van gestalte,~
403 4, 24| duisternis; en wanneer hij gestolen, en geroofd, en gestroopt
404 8, 27| overtreden, zullen streng worden gestraft, hetzij met de dood, hetzij
405 4, 24| gestolen, en geroofd, en gestroopt heeft, zo brengt hij dat
406 3, 6 | paarden met gouden tomen wordt getrokken, en een hoed van fijne zijde,
407 6, 8 | de oudsten der Joden, die gevangen zijn geweest,~
408 6, 5 | onderzoek gedaan was over de gevangenissen, zo hadden de oudsten der
409 6, 16| hebben en hebben het volk gevankelijk naar Babylon weggevoerd.~
410 8, 42| namen: Elifala, de zoon van Gevel, en Jamaja, en met hen zeventig
411 2, 27| zijn, en oorlogen daarin gevoerd hebben, en dat te Jeruzalem
412 6, 12| 12 En wij hebben hun dit gevraagd, opdat wij het u zouden
413 7, 15| der Assyriërs tot hen had gewend, om hun handen te sterken
414 2, 9 | lastdieren, en met zeer vele gewillige gaven van velen, wier gemoed
415 4, 6 | land bouwen, wanneer ze gezaaid hebben, en nu maaien, zo
416 5, 3 | speelden) en deden hen zo gezamenlijk met die optrekken.~
417 5, 61| verhieven hun stemmen met gezangen, lovende de Here, dat zijn
418 5, 39| dit geslachtschrift werd gezocht in het register, en niet
419 3, 5 | zal de koning Darius grote giften en grote overwinningstekenen
420 4, 61| En hij nam de brieven, en ging heen en trok naar Babylonië,
421 1, 49| priesters bedreven vele goddeloosheden, ook bovenal de onreinheden
422 1, 23| Here, met een hart vol van godvruchtigheid.~
423 2, 20| tempel aangaat, zo heeft ons goed gedacht, niet te verzuimen.~
424 8, 95| 95 Gelijk u zal goeddunken, en al degenen die de wet
425 8, 11| Daar ik voorgenomen heb goedertierenheid te bewijzen zo heb ik bevolen,
426 8, 12| vrienden mijn raadsheren heeft goedgedacht:~
427 6, 34| 34 Ik, koning Darius, heb goedgevonden, dat deze dingen vlijtig
428 5, 61| lovende de Here, dat zijn goedheid en zijn heerlijkheid is
429 7, 4 | de God van Israël, en met goedvinden van Cyrus, en Darius, en
430 8, 37| Elam, Jesia, de zoon van Gotholia, en met hem zeventig mannen;
431 1, 31| begraven in zijn vaderlijk graf.~
432 4, 31| ook; en indien zij op hem gram werd, zo liefkoosde hij
433 6, 11| dat huis te bouwen, en de grond van deze werken te leggen?~
434 9, 55| die niet hadden, en zich grotelijks te vervrolijken;~
435 7, 13| afgescheiden waren van de gruwelen der volken van het land,
436 2, 30| tezamen, en trokken met haast naar Jeruzalem, met een
437 1, 27| is bij mij, en de Here is haastig bij mij; wend u af van mij,
438 5, 34| 34 De kinderen van Hagia, de zonen van Sachareth,
439 9, 39| dat hij de wet Mozes zou halen, die door de Here, de God
440 3, 6 | zijde, en een keten om zijn hals;~
441 6, 32| huis en hem daaraan zal hangen, en dat zijn goederen aan
442 4, 20| en zijn eigen land, en hangt zijn eigen vrouw aan.~
443 9, 44| Chaldeüs, en Misaël, Melchias, Haothasufus, Nabarias, Zacharias.~
444 8, 72| heilige rok; en ik plukte mijn haren van mijn hoofd, en van mijn
445 4, 26| vrouwen wil, en zijn om harentwil tot slaven geworden.~
446 3, 22| 22 Hij maakt alle harten rijk, en gedenkt niet aan
447 1, 9 | Nathanaël zijn broeder, en Hasabia en Ochiël en Joram, overste
448 5, 55| vlotten over te voeren naar de haven van Joppe, volgens het bevel,
449 4, 10| En al zijn volk, en zijn heerlegers zijn hem gehoorzaam.~
450 1, 5 | koning Israëls, en naar de heerlijke instelling Salomo's, zijn
451 9, 46| hoogste God, de God der heerscharen, de almachtige;~
452 9, 47| En hun handen opwaarts heffende, en op de aarde vallende,
453 1, 49| de onreinheden van al de heidenen, en bevlekten de tempel
454 1, 3 | zichzelf de Here zouden heiligen, om de heilige ark des Heren
455 8, 1 | van Sechrie, de zoon van Helchia, de zoon van Sallem,~
456 2, 7 | 7 Die zullen hem helpen, met goud en met zilver,
457 3, 16| de jongelingen, en laat henzelf hun redenen verklaren; en
458 4, 55| voleindigd, en Jeruzalem zou herbouwd zijn.~
459 9, 21| en Manes, en Lameös, en Hereël, en Azarias.~
460 2, 18| straten bouwen, en hun muren herstellen, en de tempel weder oprichten.~
461 5, 29| dienden: de kinderen van Hesai, de kinderen van Asifa,
462 6, 10| voortgaat onder hun handen, en hetzelve in grote heerlijkheid, en
463 1, 1 | 1 EN Josia hield zijn Here het Pascha te
464 8, 9 | 9 Hierbij kwam ook het schriftelijk
465 9, 34| van de kinderen van Baäni: Hieremias, Momdi, Ismaër, Juël, Mabdaï,
466 9, 30| Jedar, Jasub, en Jasaël, en Hieremoth.~
467 9, 26| uit de kinderen van Foros: Hiermas, en Jezias, en Melchias,
468 8, 97| van gans Israël, dat zij hiernaar doen zouden, en zij zwoeren.~
469 6, 12| welke de mannen zijn, die hierover gesteld zijn; en wij hebben
470 4, 22| 22 Ook hieruit moet gij weten, dat de vrouwen
471 6, 5 | bouw, totdat men Darius hiervan zou doen weten, en men antwoord
472 5, 74| 74 En hinderlagen, en oploop, en samenrottingen
473 3, 6 | wordt getrokken, en een hoed van fijne zijde, en een
474 5, 18| vijfenvijftig; die van Anatoth honderdachtenvijftig; die van Bethasmon tweeënveertig.~
475 5, 18| De kinderen uit Bethlomon honderddrieëntwintig; die van Nethofas vijfenvijftig;
476 5, 27| zangers: de kinderen van Asaf honderdenachtentwintig.~
477 5, 16| 16 De kinderen van Amri honderdeneen. De kinderen van Arom tweeëndertig.
478 8, 41| Joannes Aratan en met hem honderdentien mannen.~
479 5, 16| kinderen van Arisfurith honderdentwee.~
480 8, 33| met hem zijn aangetekend honderdenvijftig mannen.~
481 8, 39| van Josafir, en met hem honderdenzestig mannen.~
482 3, 2 | tot Ethiopië toe, in de honderdenzeventien provinciën.~
483 5, 28| van Tobi, allen tezamen honderdnegenendertig.~
484 5, 20| zeshonderdeenentwintig; die van Makalon honderdtweeëntwintig; die van Betolië vijfenvijftig.~
485 5, 21| 21 De kinderen van Nifis honderdzesenvijftig; de kinderen Kalamelali
486 8, 76| vermenigvuldigd boven onze hoofden, en onze misdaden zijn verhoogd
487 4, 34| Groot is de aarde,. en hoog is de hemel, en snel in
488 8, 21| leermeester, van de wet des hoogsten Gods zal aanschrijven, die
489 6, 25| 25 Van hetwelk de hoogte zou zijn zestig ellen, en
490 9, 40| de priesters om de wet te horen, op de nieuwe maan der zevende
491 8, 49| 49 En Asebia, en Annu, en Hosea zijn broeder, uit de kinderen
492 1, 6 | offeranden voor uw broederen; en houdt het Pascha naar het bevel
493 6, 25| stenen, en een wand van nieuw hout van dat land, en dat men
494 9, 42| leermeester der wet, stond op een houten verheven stoel, die daartoe
495 6, 9 | gehouwen kostelijke stenen, en houtwerk in de muren gelegd;~
496 3, 1 | stonden, en voor al zijn huisgenoten, en voor al de groten van
497 5, 38| Jaddu, die Augia tot een huisvrouw nam, uit de dochteren Faëzeldeüs,
498 5, 5 | zoon van Salathiël, uit den huize Davids, van het geslacht
499 8, 45| Zond ik tot Eleazar, en Iduël, en Maja, en Masma, en Alnatha,
500 9, 13| oudsten en rechters van iedere plaats, totdat de toorn
|