Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library

Het derde boek Ezra

IntraText - Concordances

(Hapax - words occurring once)


75-ieder | indie-verkw | verla-zwoer

     Chapter, Verse
501 3, 2 | die onder hem waren van Indië aan tot Ethiopië toe, in 502 4, 49| rentmeester in hun deuren zou ingaan.~ 503 8, 63| heeft ons verlost van de ingang aan van alle vijanden; en 504 4, 50| zouden verlaten, die zij ingenomen hadden;~ 505 6, 29| 29 Ook dat uit de inkomsten van Celo-Syrië en Fenicië 506 7, 7 | 7 En offerden tot de inwijding van de tempel des Heren 507 9, 12| al degenen die uit onze inwoners uitlandse vrouwen hebben;~ 508 1, 48| zijn hart, en overtrad de inzettingen des Heren, des Gods van 509 5, 33| van Lozon, de kinderen van Isdaël, de kinderen van Safni.~ 510 9, 22| Fesur: Elionais, Massias, Ismaël, en Nathaneël, en Okodel, 511 9, 34| Baäni: Hieremias, Momdi, Ismaër, Juël, Mabdaï, en Pedias, 512 8, 42| van Bagenthi, de zoon van Istaleumi, en met hem zeventig mannen.~ 513 8, 32| Gerson; uit de kinderen van Ithamar: Gamaliël; uit de kinderen 514 5, 38| van Akbos, de kinderen van Jaddu, die Augia tot een huisvrouw 515 9, 48| Anniuth, en Sarabias, en Jadin, en Jakobus, Sabateas, Anteüs, 516 9, 48| en Sarabias, en Jadin, en Jakobus, Sabateas, Anteüs, Majannus, 517 8, 42| Elifala, de zoon van Gevel, en Jamaja, en met hen zeventig mannen; 518 8, 45| en Masma, en Alnatha, en Jamla, en Joribon, Nathan, Ennathan, 519 9, 28| Zamoth: Eliazim, Othonias, Jarimoth, en Labath, en Zeralias.~ 520 9, 30| Manuch, Jedar, Jasub, en Jasaël, en Hieremoth.~ 521 9, 30| Mani: Olam, Manuch, Jedar, Jasub, en Jasaël, en Hieremoth.~ 522 8, 70| Chetteeërs, en Feresieten en Jebusieten, en Moabieten, en Egyptenaars 523 9, 30| van Mani: Olam, Manuch, Jedar, Jasub, en Jasaël, en Hieremoth.~ 524 5, 24| priesters: de kinderen van Jeddu, de zoon Jozua, met de kinderen 525 1, 15| daartoe Asaf, en Zacharia, en Jeduthun, die door de koning gesteld 526 8, 93| En Jechonia, de zoon van Jeëli, uit de kinderen Israëls 527 5, 33| Farera, de kinderen van Jejeli, de kinderen van Lozon, 528 5, 22| 22 De kinderen van Jerechu tweehonderdvijfenveertig.~ 529 9, 27| en Jezriël, en Joabdi, en Jeromoth, en Aidias.~ 530 8, 37| Uit de kinderen van Elam, Jesia, de zoon van Gotholia, en 531 9, 26| kinderen van Foros: Hiermas, en Jezias, en Melchias, en Maël, en 532 9, 27| Mathanias, en Zacharias, en Jezriël, en Joabdi, en Jeromoth, 533 9, 27| Zacharias, en Jezriël, en Joabdi, en Jeromoth, en Aidias.~ 534 1, 34| 34 En het volk nam Joachas, de zoon van Josia, en maakte 535 9, 19| en Eleazar, en Joreb en Joadan.~ 536 1, 43| 43 En Joakim zijn zoon, werd koning in 537 9, 1 | begaf zich in de kamer van Joannan de zoon van Eliasis.~ 538 5, 58| Emadabus, en de zonen van Joda, de zoon van Eliadad, met 539 9, 23| en Patheüs, en Judas, en Jonas.~ 540 8, 36| Adin, Obed, de zoon van Jonathan, en met hem tweehonderdvijftig 541 9, 14| 14 Toen nam Jonathas, de zoon van Azaël, en Esekia, 542 1, 53| maagd, noch ouden, noch jongen.~ 543 8, 11| vrijwillig begeren uit het Joodse volk, en de priesters, en 544 5, 55| voeren naar de haven van Joppe, volgens het bevel, dat 545 1, 9 | en Hasabia en Ochiël en Joram, overste over duizend, gaven 546 9, 19| Nathelas, en Eleazar, en Joreb en Joadan.~ 547 8, 45| en Alnatha, en Jamla, en Joribon, Nathan, Ennathan, Zacharia 548 9, 23| 23 En van de Levieten: Josabad, en Semeïs, Kovis (deze 549 8, 64| Pinehas, en met hem waren Josabdos de zoon van Jozua, en Moëth 550 9, 29| Joannes, en Ananias, en Josabdus, en Amathias,~ 551 8, 39| Bania, Salimoth, de zoon van Josafir, en met hem honderdenzestig 552 9, 48| en Kalitas, Azarias en Jozabdus, en Ananias, de Levieten, 553 9, 34| Azaël, Samatus, Zamvre, Jozef.~ 554 5, 26| De Levieten: de kinderen Jozut en Kadoëli en Banni en Sudi 555 9, 23| Kalitas) en Patheüs, en Judas, en Jonas.~ 556 9, 34| Hieremias, Momdi, Ismaër, Juël, Mabdaï, en Pedias, en Anos, 557 9, 35| Mazitias, Zabada, Edaïs, Juhel, Baneas.~ 558 5, 58| zijn zonen en broederen, en Kadmiël zijn broeder, en de zonen 559 5, 26| Levieten: de kinderen Jozut en Kadoëli en Banni en Sudi vierenzeventig.~ 560 5, 21| honderdzesenvijftig; de kinderen Kalamelali en Onus zevenhonderdvijfentwintig.~ 561 5, 43| 43 Kamelen waren vierhonderd vijfendertig, 562 9, 1 | tempels, begaf zich in de kamer van Joannan de zoon van 563 8, 70| 70 Van de volken der Kanaänieten, en Chetteeërs, en Feresieten 564 1, 25| kwam, en oorlog verwekte te Karchamis bij de Eufraat gelegen; 565 5, 55| 55 En karren aan de Sidoniërs en Tyriërs, 566 3, 3 | en wel verzadigd waren, keerden zij weder naar huis. Doch 567 4, 34| cirkel des hemels, en zij keert weder in haar plaats op 568 6, 8 | 8 Het zij alles kennelijk onze Heer de koning, dat 569 1, 12| offeranden kookten zij in koperen ketels en potten, met goede reuk;~ 570 3, 6 | van fijne zijde, en een keten om zijn hals;~ 571 5, 20| 20 Die van Kiramas en Gabbes zeshonderdeenentwintig; 572 3, 6 | zal hem met purper doen kleden, en uit gouden vaten doen 573 5, 45| en honderd priesterlijke kledingen.~ 574 1, 54| vaten des Heren groot en klein, en de ark des Heren, en 575 1, 31| 31 En hij klom op zijn tweede wagen, en 576 6, 27| onthouden; en dat zij de knecht des Heren en overste van 577 8, 74| en de heilige rok; en ik knielde neder, mijn handen uitstrekkende 578 3, 6 | doen drinken, en op gouden koetsen doen slapen, en zal hem 579 8, 23| opdat de toorn Gods niet kome over het koninkrijk des 580 5, 37| 37 Doch zij konden hun steden en geslachten 581 1, 12| behoorde, en offeranden kookten zij in koperen ketels en 582 8, 58| twaalf koperen vaten van fijn koper, blinkende gelijk goud.~ 583 3, 23| en broeders, en trekken kort daarna de zwaarden uit.~ 584 6, 9 | voor de Here met gehouwen kostelijke stenen, en houtwerk in de 585 9, 6 | des tempels, bevende van koude vanwege de aanstaande winter.~ 586 9, 23| Levieten: Josabad, en Semeïs, Kovis (deze is Kalitas) en Patheüs, 587 4, 30| 30 En zij nam de kroon van het hoofd des konings, 588 4, 47| de koning Darius op, en kuste hem; en schreef hem de brieven 589 8, 42| kinderen van Adonikam, de laatsten, en deze zijn hun namen: 590 8, 64| Jozua, en Moëth de zoon van Laban: en de Levieten leverden 591 5, 30| 30 De kinderen van Labana, de kinderen van Agraba, 592 9, 28| Othonias, Jarimoth, en Labath, en Zeralias.~ 593 4, 31| indien zij hem aanlachte, zo lachte hij ook; en indien zij op 594 9, 31| Addi: Naäth, en Moosias, Lacrum en Naïd, Matthanias, en 595 5, 31| Geddur, de kinderen van Laïr, de kinderen van Desan, 596 9, 21| en Zabdeûs, en Manes, en Lameös, en Hereël, en Azarias.~ 597 8, 55| mannen af, en Eresebia, en Lamia en met hem uit hun broederen 598 5, 24| Jozua, met de kinderen van Lanasib achthonderdzevenenzeventig. 599 8, 91| kunnen om dezer wil niet langer voor u bestaan.~ 600 8, 24| enige schatting of andere lasten geschieden.~ 601 8, 32| uit de kinderen van David: Lattus, de zoon van Sechenia.~ 602 9, 49| 49 En zij lazen de wet des Heren voor de 603 4, 38| in der eeuwigheid; en zij leeft en heerst in alle eeuwigheid.~ 604 8, 26| de wet uws Gods verstaan, leer hun, die haar niet verstaan.~ 605 4, 24| 24 En ziet een leeuw, en gaat in duisternis; 606 8, 8 | rechten en gerichten te leren.~ 607 1, 28| hem te bestrijden, niet lettende op de woorden van de profeet 608 8, 64| van Laban: en de Levieten leverden het alles over naar het 609 8, 61| hadden, om te Jeruzalem te leveren brachten die in de tempel 610 8, 48| kinderen van Moöli, de zoon van Levi, de zoon van Israël, namelijk 611 9, 14| bepaling aan: en Mesullamas, en Levis, en Sabbateüs waren hun 612 9, 49| menigte, hun stem in het lezen verheffende.~ 613 8, 80| 80 En om ons een licht te ontdekken in het huis 614 2, 27| 27 En dat de lieden afvallig geweest zijn, en 615 4, 31| zij op hem gram werd, zo liefkoosde hij haar, opdat zij met 616 4, 25| man heeft zijn eigen vrouw liever dan zijn vader en zijn moeder.~ 617 4, 23| gaat heen op de wegen te liggen, en te roven en te stelen, 618 8, 92| zonden bekende, en weende, liggende voor de tempel op de aarde, 619 8, 27| dood, hetzij met andere lijfstraffen, of met geldboete, of met 620 3, 4 | jongelingen, die des konings lijfwacht waren, en hem bewaarden, 621 8, 46| dat zij zouden komen tot Loddeus de overste, die daar was 622 8, 47| 47 Hun bevelende, dat zij Loddo en zijn broederen, en de 623 9, 46| stonden zij rechtop. En Ezra loofde de Here, de hoogste God, 624 4, 62| 62 En zij loofden de God hunner vaderen, dat 625 5, 52| zij hielden het feest der loofhutten, gelijk in de wet bevolen 626 4, 36| waarheid aan, en de hemel looft dezelve, en al de werken 627 4, 34| de hemel, en snel in haar loop is de zon, want zij, draait 628 5, 33| Jejeli, de kinderen van Lozon, de kinderen van Isdaël, 629 5, 65| de schare bazuinde zeer luid, zodat zij van verre gehoord 630 9, 10| ganse menigte, en zeide met luider stem: Wij zullen alzo doen 631 1, 53| spaarden noch jongeling, noch maagd, noch ouden, noch jongen.~ 632 4, 6 | ze gezaaid hebben, en nu maaien, zo brengen zij de koning 633 3, 1 | zijnde, maakte een grote maaltijd voor al degenen die onder 634 9, 34| Hieremias, Momdi, Ismaër, Juël, Mabdaï, en Pedias, en Anos, Rabasion, 635 9, 26| Jezias, en Melchias, en Maël, en Eleazar, en Asebias, 636 8, 45| tot Eleazar, en Iduël, en Maja, en Masma, en Alnatha, en 637 9, 48| Jakobus, Sabateas, Anteüs, Majannus, en Kalitas, Azarias en 638 5, 20| zeshonderdeenentwintig; die van Makalon honderdtweeëntwintig; die 639 5, 74| oploop, en samenrottingen makende, beletten zij dat de bouw 640 9, 34| Rabasion, en Enasis, en Mammitanem, Eliasis, Bannus, Eliali, 641 9, 33| Sabbaneüs, en Elifalat, en Manasses, en Semer.~ 642 9, 31| en Sesthel, en Balim, en Manassias.~ 643 9, 21| Ananias, en Zabdeûs, en Manes, en Lameös, en Hereël, en 644 9, 30| 30 En van de kinderen van Mani: Olam, Manuch, Jedar, Jasub, 645 9, 30| kinderen van Mani: Olam, Manuch, Jedar, Jasub, en Jasaël, 646 5, 8 | Saraja, Resaja, Enenius, Mardocheus, Belsarus, Asfarasus, Rheëlius, 647 8, 63| het huis des Heren, aan Marmoth, de zoon van Uria de priester.~ 648 8, 45| Eleazar, en Iduël, en Maja, en Masma, en Alnatha, en Jamla, en 649 9, 22| kinderen van Fesur: Elionais, Massias, Ismaël, en Nathaneël, en 650 9, 27| Van de kinderen van Ela: Mathanias, en Zacharias, en Jezriël, 651 9, 31| Moosias, Lacrum en Naïd, Matthanias, en Sesthel, en Balim, en 652 5, 32| Assana, de kinderen van Mavi, de kinderen van Nafis, 653 9, 35| van de kinderen van Ethma: Mazitias, Zabada, Edaïs, Juhel, Baneas.~ 654 9, 14| en Sabbateüs waren hun mede-rechters.~ 655 1, 29| strijden tegen hem in het veld Megiddo, en de oversten kwamen af 656 1, 48| naam des Heren, zo werd hij meinedig, en viel van hem af, en 657 4, 20| 20 Een mens verlaat zijn eigen vader, 658 9, 14| volgens deze bepaling aan: en Mesullamas, en Levis, en Sabbateüs 659 1, 40| Babylon, en bond hem met een metalen band, en voerde hem weg 660 8, 22| mudden koorn, en honderd metreten wijn, en andere, dingen 661 8, 37| Safatja, Zaraja, de zoon van Michaël, en met hem zeventig mannen.~ 662 9, 41| de morgenstond af tot de middag toe, in de tegenwoordigheid 663 8, 28| zij alleen de Here de God mijner vaderen, die dit in het 664 8, 30| naar de hulp des Heren, mijns Gods; en vergaderde mannen 665 9, 44| linkerhand Chaldeüs, en Misaël, Melchias, Haothasufus, 666 5, 34| Saroth, de kinderen van Misaje, de kinderen van Gas, de 667 8, 73| ik treurig was over deze misdaad, en ik zat droevig tot het 668 8, 70| Feresieten en Jebusieten, en Moabieten, en Egyptenaars en Idumeeërs.~ 669 1, 16| aan elke deur; en niemand mocht van zijn dagorde aftreden. 670 4, 22| 22 Ook hieruit moet gij weten, dat de vrouwen 671 8, 64| Josabdos de zoon van Jozua, en Moëth de zoon van Laban: en de 672 9, 34| kinderen van Baäni: Hieremias, Momdi, Ismaër, Juël, Mabdaï, en 673 8, 48| mannen uit de kinderen van Moöli, de zoon van Levi, de zoon 674 1, 4 | 4 En zeide: Gij moogt deze niet meer op de schouders 675 9, 31| kinderen van Addi: Naäth, en Moosias, Lacrum en Naïd, Matthanias, 676 9, 41| de heilige poort, van de morgenstond af tot de middag toe, in 677 8, 45| Nathan, Ennathan, Zacharia en Mosollamon de oversten, en geleerden.~ 678 8, 22| desgelijks tot honderd mudden koorn, en honderd metreten 679 5, 43| zevenduizend zesendertig, muilezels tweehonderd vijfenveertig, 680 5, 2 | geleiden naar Jeruzalem, met muziek, trommelen en fluiten,~ 681 9, 31| van de kinderen van Addi: Naäth, en Moosias, Lacrum en Naïd, 682 9, 44| Melchias, Haothasufus, Nabarias, Zacharias.~ 683 5, 32| van Mavi, de kinderen van Nafis, de kinderen van Akuf, de 684 6, 34| deze dingen vlijtig zullen nagekomen worden.~ 685 2, 21| de boeken van uw vaderen nagelaten, onderzoek gedaan worde.~ 686 9, 31| Naäth, en Moosias, Lacrum en Naïd, Matthanias, en Sesthel, 687 4, 53| hebben, beide zij en hun nakomelingen, met al de priesters die 688 8, 8 | bekomen, zodat hij niets naliet der dingen die van de wet 689 8, 45| Alnatha, en Jamla, en Joribon, Nathan, Ennathan, Zacharia en Mosollamon 690 1, 9 | Maar Jechonia, en Semea, en Nathanaël zijn broeder, en Hasabia 691 9, 22| Elionais, Massias, Ismaël, en Nathaneël, en Okodel, en Saloas.~ 692 9, 34| Eliali, Sameis, Selemias, Nathanius. En van de kinderen van 693 9, 19| Josedek en zijn broederen, Nathelas, en Eleazar, en Joreb en 694 4, 23| aan de vrouw? Ja een man neemt zijn zwaard, en gaat heen 695 9, 5 | te Jeruzalem; dit was de negende maand, en de twintigste 696 2, 13| zilveren drankoffer-schalen, negenentwintig zilveren rookpannen, dertig 697 5, 12| De kinderen van Zathaï negenhonderdvijfenzeventig. De kinderen van Chorvas 698 5, 37| van Baëma, de kinderen van Nehoda zeshonderdtweeënvijftig;~ 699 1, 48| af, en hij verhardde zijn nek, en zijn hart, en overtrad 700 5, 18| honderddrieëntwintig; die van Nethofas vijfenvijftig; die van Anatoth 701 5, 21| 21 De kinderen van Nifis honderdzesenvijftig; de 702 5, 6 | koninkrijks in de maand Nisan, welke is de eerste maand.~ 703 4, 29| 29 Nochtans heb ik hem gezien en Apame, 704 5, 31| van Desan, de kinderen van Noëba, de kinderen van Chaseba, 705 5, 38| gevonden, de kinderen van Obdie, de kinderen van Akbos, 706 8, 36| Uit de kinderen van Adin, Obed, de zoon van Jonathan, en 707 1, 9 | zijn broeder, en Hasabia en Ochiël en Joram, overste over duizend, 708 8, 16| 16 Opdat men de Here offere offeranden op het altaar 709 4, 19| dat alles, en wenden de ogen op haar, en met open mond 710 9, 22| Ismaël, en Nathaneël, en Okodel, en Saloas.~ 711 9, 30| van de kinderen van Mani: Olam, Manuch, Jedar, Jasub, en 712 6, 30| koorn, en zout, en wijn, en olie, gedurig alle jaren; gelijk 713 1, 53| met het zwaard zelfs in de omgang van hun heilige tempel, 714 4, 27| 27 En velen zijn omgekomen, en zijn verworgd geworden, 715 2, 6 | 6 Zovelen dan, als er omtrent die plaatsen wonen, en in 716 2, 16| andere plaatsen woonden, deze ondergeschreven brief:~ 717 9, 56| 56 Dewijl zij waren onderricht in het woord, dat hun geleerd 718 4, 39| persoons; zij maakt geen onderscheid, maar zij doet hetgeen recht 719 6, 21| goeddunkt heer koning, zo laat onderzocht worden in de koninklijke 720 4, 11| werken doen, en zijn hem niet ongehoorzaam.~ 721 4, 37| geen waarheid, en in hun ongerechtigheid zullen zij vergaan.~ 722 7, 14| zij hielden het feest der ongezuurde broden zeven dagen lang, 723 6, 25| dat land, en dat men de onkosten zou geven uit het huis Cyrus 724 8, 80| 80 En om ons een licht te ontdekken in het huis des Heren onzes 725 6, 27| zich van die plaats zouden onthouden; en dat zij de knecht des 726 4, 39| doet hetgeen recht is, en onthoudt zich van al hetgeen onrecht 727 4, 43| waarop gij uw koninkrijk ontvangen hebt.~ 728 3, 3 | slaapkamer, en viel in slaap, en ontwaakte weder.~ 729 5, 21| de kinderen Kalamelali en Onus zevenhonderdvijfentwintig.~ 730 3, 9 | oversten van Perzië zullen oordelen, dat zijn rede de wijste 731 3, 8 | die, en legde ze onder het oorkussen des konings Darius,~ 732 2, 27| afvallig geweest zijn, en oorlogen daarin gevoerd hebben, en 733 9, 13| van ons geweerd zij, ter oorzake van dit gebod.~ 734 2, 23| hebben aangesteld; om welker oorzaken wil die stad ook verwoest 735 6, 22| indien bevonden wordt, dat de opbouw van het huis des Heren te 736 6, 28| dat zij het geheel zullen opbouwen, en dat men wel toezie, 737 4, 52| talenten jaarlijks zouden opbrengen.~ 738 5, 40| opstaan, die aangedaan was met openbaring en waarheid.~ 739 2, 19| 19 Indien dan deze stad opgebouwd wordt, en haar muren voltooid 740 2, 27| van Celo-Syrië en Fenicië opgelegd hebben.~ 741 2, 24| wordt, en haar muren weder opgericht, gij geen toegang meer zult 742 8, 65| gehele gewicht daarvan werd opgeschreven in dezelfde ure.~ 743 5, 74| 74 En hinderlagen, en oploop, en samenrottingen makende, 744 6, 4 | zijn de bouwlieden die dit opmaken?~ 745 8, 53| die hem zochten in alle oprechtheid.~ 746 2, 18| herstellen, en de tempel weder oprichten.~ 747 5, 62| zingende de Here, over de oprichting van het huis des Heren.~ 748 2, 23| ouds af, altijd afvallig en oproerig hebben aangesteld; om welker 749 5, 40| er een overpriester zou opstaan, die aangedaan was met openbaring 750 9, 1 | 1 EN Ezra opstaande, van de voorhof des tempels, 751 8, 31| heerschappijen, die met mij optogen uit Babylonië, onder het 752 5, 4 | de namen der mannen die optrokken, naar de huizen hunner vaderen 753 9, 47| daarop Amen! En hun handen opwaarts heffende, en op de aarde 754 7, 2 | oudsten der Joden en de opzieners des tempels behulpzaam.~ 755 1, 6 | 6 En slacht ordelijk het Pascha, en bereidt de 756 1, 15| kinderen Asafs, waren in hun ordening, volgens hetgeen David verordineerd 757 8, 2 | van Amaria, de zoon van Orias, de zoon van Bokka, de zoon 758 9, 28| kinderen van Zamoth: Eliazim, Othonias, Jarimoth, en Labath, en 759 1, 53| jongeling, noch maagd, noch ouden, noch jongen.~ 760 5, 63| naar hun geslachten, die ouder waren, en het huis, dat 761 9, 4 | het oordeel der overste ouderlingen, hun vee zou verbannen worden, 762 4, 48| dat zij cederhout zouden overbrengen van de berg Libanon naar 763 4, 3 | De koning nu overtreft en overheerst die, en regeert die, en 764 1, 56| 56 En degenen, die overig waren van het zwaard, voerden 765 2, 16| Samellius de schrijver, en de overigen die met hen verordineerd 766 8, 87| 87 Doch al hetgeen ons overkomt, geschiedt vanwege onze 767 8, 60| bewaart ze, totdat gij ze overlevert aan de oversten der priesters 768 5, 40| geheiligde dingen, totdat er een overpriester zou opstaan, die aangedaan 769 3, 19| 19 O mannen, hoe oversterk is de wijn; hij verleidt 770 1, 48| zijn nek, en zijn hart, en overtrad de inzettingen des Heren, 771 9, 2 | treurig zijnde over de grote overtredingen der menigte.~ 772 4, 3 | 3 De koning nu overtreft en overheerst die, en regeert 773 4, 5 | overtreden; en indien zij overwinnen zo brengen zij alles tot 774 3, 5 | Darius grote giften en grote overwinningstekenen geven.~ 775 3, 12| sterkste, maar boven alle overwint de waarheid.~ 776 8, 43| drie dagen lang op, en ik overzag ze.~ 777 5, 31| Cazera, de kinderen van Ozia, de kinderen van Finoë, 778 5, 9 | oversten, was: de kinderen Parosch tweeduizendeenhonderd en 779 9, 23| Kovis (deze is Kalitas) en Patheüs, en Judas, en Jonas.~ 780 9, 34| Ismaër, Juël, Mabdaï, en Pedias, en Anos, Rabasion, en Enasis, 781 4, 39| haar is geen aanneming des persoons; zij maakt geen onderscheid, 782 4, 9 | zij af; zegt hij dat men plante, zo planten zij;~ 783 8, 72| mijn heilige rok; en ik plukte mijn haren van mijn hoofd, 784 1, 12| zij in koperen ketels en potten, met goede reuk;~ 785 5, 39| zij van het bedienen des priesterambts geweerd.~ 786 6, 1 | het koninkrijk van Darius profeteerde de profeet Haggaï en Zacharia 787 7, 3 | profeten Haggaï en Zacharia profeteerden.~ 788 3, 2 | in de honderdenzeventien provinciën.~ 789 3, 6 | 6 Hij zal hem met purper doen kleden, en uit gouden 790 9, 34| Mabdaï, en Pedias, en Anos, Rabasion, en Enasis, en Mammitanem, 791 4, 28| niet alle landen hem aan te raken?~ 792 4, 39| onderscheid, maar zij doet hetgeen recht is, en onthoudt zich van 793 8, 8 | geboden om gans Israël al de rechten en gerichten te leren.~ 794 9, 46| uitlegde, zo stonden zij rechtop. En Ezra loofde de Here, 795 3, 9 | zullen oordelen, dat zijn rede de wijste is, die zal de 796 1, 57| dienstknechten, totdat de Perzen regeerden, opdat vervuld zou worden 797 4, 22| weten, dat de vrouwen u regeren.~ 798 5, 39| geslachtschrift werd gezocht in het register, en niet gevonden werd, 799 8, 11| zijnde, met u zullen mogen reizen naar Jeruzalem.~ 800 4, 49| landvoogd, noch vorst, noch rentmeester in hun deuren zou ingaan.~ 801 5, 8 | en met Nehemia, Saraja, Resaja, Enenius, Mardocheus, Belsarus, 802 1, 12| ketels en potten, met goede reuk;~ 803 5, 8 | Mardocheus, Belsarus, Asfarasus, Rheëlius, Rorinus, Baänas, hun oversten.~ 804 5, 50| 50 En zij richtten het altaar op, in zijn plaats, 805 3, 20| verstand des armen en des rijken;~ 806 4, 11| zo hebben zij de wacht ringswijze rondom hem, en niemand durft 807 4, 23| stelen, en op de zee en rivieren te varen;~ 808 8, 78| zwaard, en gevangenis, en roof, tot op de huidige dag.~ 809 2, 13| negenentwintig zilveren rookpannen, dertig gouden bekers, tweeduizendvierhonderdendertig 810 5, 8 | Belsarus, Asfarasus, Rheëlius, Rorinus, Baänas, hun oversten.~ 811 4, 23| de wegen te liggen, en te roven en te stelen, en op de zee 812 1, 5 | heerlijke instelling Salomo's, zijn zoon; en staat in 813 9, 48| Sarabias, en Jadin, en Jakobus, Sabateas, Anteüs, Majannus, en Kalitas, 814 9, 33| Altaneüs, en Matthatias, Sabbaneüs, en Elifalat, en Manasses, 815 9, 14| Mesullamas, en Levis, en Sabbateüs waren hun mede-rechters.~ 816 9, 32| Asajas, en Melchias, en Sabbeüs, en Simon Chosameüs.~ 817 5, 34| Sachareth, de kinderen van Sabia, de kinderen van Saroth, 818 5, 34| van Hagia, de zonen van Sachareth, de kinderen van Sabia, 819 8, 2 | 2 De zoon van Sadduk, de zoon van Achitob, de 820 5, 34| van Barod, de kinderen van Safag, de kinderen van Allom.~ 821 8, 37| mannen; uit de kinderen van Safatja, Zaraja, de zoon van Michaël, 822 5, 33| Isdaël, de kinderen van Safni.~ 823 5, 5 | daarna Zerubabel, de zoon van Salathiël, uit den huize Davids, van 824 8, 39| Uit de kinderen van Bania, Salimoth, de zoon van Josafir, en 825 8, 1 | van Helchia, de zoon van Sallem,~ 826 9, 22| Nathaneël, en Okodel, en Saloas.~ 827 9, 34| Ezora: Sesis, Esril, Azaël, Samatus, Zamvre, Jozef.~ 828 9, 34| Eliasis, Bannus, Eliali, Sameis, Selemias, Nathanius. En 829 5, 74| hinderlagen, en oploop, en samenrottingen makende, beletten zij dat 830 9, 43| hem stonden Matthatias, Sammus, Ananias, Azarias, Urias, 831 1, 20| de tijden van de profeet Samuël af.~ 832 5, 23| 23 De kinderen van Sanaäs drieduizend driehonderd 833 9, 48| Jozua nu, en Anniuth, en Sarabias, en Jadin, en Jakobus, Sabateas, 834 1, 38| zich; maar zijn broeder Saracus nam hij, en bracht hem weder 835 5, 8 | Jozua kwamen en met Nehemia, Saraja, Resaja, Enenius, Mardocheus, 836 5, 10| 10 De kinderen Sarat vierhonderdtweeënzeventig. 837 5, 34| van Sabia, de kinderen van Saroth, de kinderen van Misaje, 838 8, 52| 52 Want ik schaamde mij van de koning voetknechten 839 8, 58| 58 En twintig gouden schalen, en twaalf koperen vaten 840 8, 47| en zijn broederen, en de schatbewaarders in die plaats zouden aanzeggen, 841 5, 45| te geven tot de heilige schatkist der werken, duizend talenten 842 1, 54| Heren, en de koninklijke schatkisten namen zij en voerden die 843 2, 11| over aan Mithridates, zijn schatmeester;~ 844 8, 20| bevolen aan hen, die over de schatten van Syrië en Fenicië zijn 845 2, 27| hebben geregeerd, welke ook schattingen aan die van Celo-Syrië en 846 8, 26| Gods, stel tot rechters en scheidslieden, opdat zij gericht houden 847 9, 9 | 9 En doet zijn wil, en scheidt u van de volken van dit 848 3, 5 | en wiens woord wijzer zal schijnen dat dat des anderen, hem 849 1, 45| 45 En na een jaar schikte Nabuchodonosor, en liet 850 1, 7 | 7 En Josia schonk het volk, dat daar bevonden 851 1, 9 | Oversten des tempels waren, schonken aan de priesters voor het 852 4, 18| hebben, en een vrouw zien die schoon is van gedaante en van gestalte,~ 853 1, 4 | moogt deze niet meer op de schouders dragen. En nu: dient de 854 2, 16| Artaxerxes, de koning van Perzië, schreven aan hem, tegen degenen die 855 2, 2 | koninkrijk, en mede door schriften, zeggende:~ 856 8, 24| dienaren des tempels, noch schriftgeleerden enige schatting of andere 857 3, 21| geen droefheid, en aan geen schuld;~ 858 8, 1 | van Azaria, de zoon van Sechrie, de zoon van Helchia, de 859 9, 34| Bannus, Eliali, Sameis, Selemias, Nathanius. En van de kinderen 860 1, 9 | kalveren. Maar Jechonia, en Semea, en Nathanaël zijn broeder, 861 9, 23| de Levieten: Josabad, en Semeïs, Kovis (deze is Kalitas) 862 9, 33| Elifalat, en Manasses, en Semer.~ 863 5, 5 | van Josedek, de zoon van Seraja, en Jojakim; daarna Zerubabel, 864 5, 29| Tabaoth, de kinderen van Seras, de kinderen van Suda, de 865 9, 34| van de kinderen van Ezora: Sesis, Esril, Azaël, Samatus, 866 9, 31| en Naïd, Matthanias, en Sesthel, en Balim, en Manassias.~ 867 5, 55| 55 En karren aan de Sidoniërs en Tyriërs, opdat zij hun 868 5, 30| van Akaba, de kinderen van Sijba, de kinderen van Anan, de 869 9, 32| Melchias, en Sabbeüs, en Simon Chosameüs.~ 870 8, 82| verheerlijken, en het verwoeste Sion op te richten, en om ons 871 4, 8 | 8 Zegt hij dat men sla, zo slaan zij; zegt hij 872 3, 3 | zijn slaapkamer, en viel in slaap, en ontwaakte weder.~ 873 3, 3 | koning, keerde weder in zijn slaapkamer, en viel in slaap, en ontwaakte 874 4, 11| neder, eet hij, drinkt hij, slaapt hij, zo hebben zij de wacht 875 1, 6 | 6 En slacht ordelijk het Pascha, en 876 1, 1 | Pascha te Jeruzalem, en slachtte het Pascha op de veertiende 877 7, 12| 12 En zij slachtten het Pascha voor al de kinderen 878 1, 30| voerden hem terstond af uit de slagorden.~ 879 3, 6 | en op gouden koetsen doen slapen, en zal hem een wagen geven, 880 4, 26| en zijn om harentwil tot slaven geworden.~ 881 4, 4 | vijanden, zij gaan; zij slechten de bergen, en de muren, 882 4, 30| zette die zichzelf op, en sloeg de koning met haar linkerhand.~ 883 8, 43| rivier genoemd Thera, en wij sloegen daar ons leger drie dagen 884 4, 34| en hoog is de hemel, en snel in haar loop is de zon, 885 8, 5 | hem trokken naar Jeruzalem sommigen op, uit de kinderen Israëls, 886 1, 53| van hun heilige tempel, en spaarden noch jongeling, noch maagd, 887 5, 51| namelijk het vroeg-offer en het spade-offer.~ 888 2, 30| geschreven werd, was gelezen, zo spanden Rathymus, en Samellius de 889 5, 3 | 3 (En al hun broederen speelden) en deden hen zo gezamenlijk 890 3, 22| dat een ieder van talenten spreekt.~ 891 8, 95| des Heren gehoorzaam zijn; sta op, en doe alzo.~ 892 2, 12| overgeleverd aan Schesbatzar, de stadhouder van Judea.~ 893 5, 5 | geslacht van Fares, en van de stam Juda.~ 894 5, 54| En zij gaven geld aan de steenhouwers, en timmerlieden, en spijs 895 5, 58| 58 En stelden de Levieten, die boven de 896 4, 23| liggen, en te roven en te stelen, en op de zee en rivieren 897 5, 61| 61 En zij verhieven hun stemmen met gezangen, lovende de 898 7, 15| gewend, om hun handen te sterken in de werken des Heren, 899 4, 35| de waarheid is groot en sterker dan allen.~ 900 9, 42| stond op een houten verheven stoel, die daartoe bereid was.~ 901 2, 18| afvallig en boos is, hun straten bouwen, en hun muren herstellen, 902 8, 27| konings overtreden, zullen streng worden gestraft, hetzij 903 2, 27| te Jeruzalem machtige en strenge koningen hebben geregeerd, 904 1, 30| knechten: Voert mij af uit de strijd, want ik ben zeer zwak. 905 1, 29| Maar hij stelde zich om te strijden tegen hem in het veld Megiddo, 906 5, 34| van Addus, de kinderen van Suba, de kinderen van Aferra, 907 5, 29| van Seras, de kinderen van Suda, de kinderen van Faleas.~ 908 5, 26| Jozut en Kadoëli en Banni en Sudi vierenzeventig.~ 909 1, 9 | Chelkia, en Zacharia, en Suëlus, die Oversten des tempels 910 5, 29| van Asifa, de kinderen van Tabaoth, de kinderen van Seras, 911 2, 16| Belemus en Mithridates, en Tabellius, en Rathymus en Balthemus 912 1, 36| talenten zilvers, en een talent gouds.~ 913 1, 25| gelegen; en Josia trok uit hem tegemoet.~ 914 4, 58| aangezicht naar de hemel tegenover Jeruzalem, en dankte de 915 8, 52| tot verzekering tegen onze tegenpartijders.~ 916 9, 25| de deurwachters: Salum en Telbanes.~ 917 1, 30| zijn knechten voerden hem terstond af uit de slagorden.~ 918 1, 33| wet des Heren. En hetgeen tevoren door hem gedaan was, en 919 5, 36| opgetrokken van Thermeleth, en Thelersa; en hun overste was Charnathalan 920 9, 14| en Esekia, de zoon van Theoran, dit volgens deze bepaling 921 5, 36| Dezen waren opgetrokken van Thermeleth, en Thelersa; en hun overste 922 9, 16| en op de nieuwe maan der tiende maand zaten zij om deze 923 2, 16| 16 Doch ten tijde van Artaxerxes, de koning 924 5, 54| aan de steenhouwers, en timmerlieden, en spijs en drank,~ 925 5, 28| van Ateta, de kinderen van Tobi, allen tezamen honderdnegenendertig.~ 926 2, 7 | dingen, die men als geloften toebrengt in de tempel des Heren, 927 2, 24| weder opgericht, gij geen toegang meer zult hebben in Celo-Syrië 928 8, 47| dat zij ons enigen zouden toezenden, die het priesterschap in 929 6, 28| opbouwen, en dat men wel toezie, dat men de Joden, die uit 930 5, 28| van Atar, de kinderen van Tolman, de kinderen van Dahub, 931 3, 6 | door paarden met gouden tomen wordt getrokken, en een 932 1, 40| 40 Tegen hem nu toog op Nabuchodonosor, de koning 933 2, 5 | Here zij met hem, en hij trekke op naar Jeruzalem in Judea, 934 1, 32| 32 En in geheel Juda treurden zij over Josia, en Jeremia, 935 5, 2 | naar Jeruzalem, met muziek, trommelen en fluiten,~ 936 8, 62| van de rivier Thera, de twaalfde dag der eerste maand, totdat 937 5, 11| kinderen van Jozua en Joab tweeduizend achthonderd en twaalf.~ 938 5, 9 | was: de kinderen Parosch tweeduizendeenhonderd en tweeënzeventig.~ 939 2, 13| rookpannen, dertig gouden bekers, tweeduizendvierhonderdendertig zilveren bekers, en andere 940 5, 14| zeshonderdzevenendertig. De kinderen van Bagoë tweeduizendzesenzestig. De kinderen van Adin vierhonderdvierenvijftig.~ 941 1, 9 | priesters voor het Pascha, tweeduizendzeshonderd schapen, en driehonderd 942 5, 16| honderdeneen. De kinderen van Arom tweeëndertig. De kinderen van Base driehonderd 943 5, 15| kinderen van Ater uit Esekia tweeënnegentig. De kinderen van Cilas en 944 5, 13| Argas duizend driehonderd tweeëntwintig.~ 945 5, 18| honderdachtenvijftig; die van Bethasmon tweeënveertig.~ 946 5, 41| dienstknechten en dienstmaagden, tweeënveertigduizend, driehonderd en zestig.~ 947 8, 38| zoon van Jezel, en met hem tweehonderdentwaalf mannen.~ 948 8, 50| tot het werk der Levieten, tweehonderdentwintig dienaars des tempels, dezer 949 5, 42| zangers en de zangeressen, tweehonderdenvijfenveertig.~ 950 5, 25| De kinderen van Charmi tweehonderdenzeventien.~ 951 5, 24| achthonderdzevenenzeventig. De kinderen Emeruth tweehonderdtweeënvijftig.~ 952 5, 22| De kinderen van Jerechu tweehonderdvijfenveertig.~ 953 8, 36| van Jonathan, en met hem tweehonderdvijftig mannen.~ 954 8, 94| En nu, gans Israël is in twijfel, maar laat daarover door 955 9, 5 | de negende maand, en de twintigste dag der maand.~ 956 5, 55| karren aan de Sidoniërs en Tyriërs, opdat zij hun cederhout 957 8, 94| met haar kinderen zullen uitdrijven.~ 958 1, 32| dag; en daar is een bevel uitgegeven, dat zulks altijd geschieden 959 8, 89| vertoornd zijn totdat gij ons uitgeroeid hebt? totdat gij noch onze 960 4, 58| 58 En toen de jongeling uitging, verhief hij zijn aangezicht 961 9, 46| 46 En als hij de wet uitlegde, zo stonden zij rechtop. 962 2, 2 | koning der Perzen, die liet uitroepen in geheel zijn koninkrijk, 963 6, 33| volk, welke zijn hand zal uitsteken, om te verhinderen of te 964 8, 74| knielde neder, mijn handen uitstrekkende tot de Here, zeide ik:~ 965 4, 4 | doen het; en indien hij uitzendt tegen hun vijanden, zij 966 8, 65| opgeschreven in dezelfde ure.~ 967 8, 63| aan Marmoth, de zoon van Uria de priester.~ 968 9, 43| Sammus, Ananias, Azarias, Urias, Ezekias, Baälsamus aan 969 5, 30| van Akud, de kinderen van Uta, de kinderen van Cetab, 970 1, 31| en werd begraven in zijn vaderlijk graf.~ 971 6, 15| 15 En daar onze vaders tegen de Here Israëls, die 972 9, 47| heffende, en op de aarde vallende, baden zij de Here aan.~ 973 4, 23| op de zee en rivieren te varen;~ 974 8, 82| te richten, en om ons een vastigheid te geven in Judea en Jeruzalem.~ 975 9, 11| want wij hebben hierin veel gezondigd.~ 976 4, 14| de grote koning, noch de veelheid der mensen, noch de wijn 977 1, 29| strijden tegen hem in het veld Megiddo, en de oversten 978 3, 21| 21 En hij verandert alle verstand in vreugde 979 9, 4 | ouderlingen, hun vee zou verbannen worden, en zij zelf zouden 980 6, 15| gezondigd, en hem hadden verbitterd, zo gaf hij hen over in 981 8, 31| vaderlijke geslachten en verdelingen der heerschappijen, die 982 4, 37| ongerechtigheid zullen zij vergaan.~ 983 8, 30| des Heren, mijns Gods; en vergaderde mannen uit Israël, opdat 984 8, 15| Jeruzalem is; en dat men vergadere het goud en het zilver tot 985 1, 42| 42 Het verhaal nu van hem, en van zijn 986 5, 37| steden en geslachten niet verhalen, hoe zij uit Israël waren. 987 1, 48| viel van hem af, en hij verhardde zijn nek, en zijn hart, 988 8, 68| Celo-Syrië en Fenicië; en zij verheerlijkten het volk en de tempel des 989 9, 49| menigte, hun stem in het lezen verheffende.~ 990 7, 14| broden zeven dagen lang, zich verheugende voor de Here;~ 991 9, 42| wet, stond op een houten verheven stoel, die daartoe bereid 992 4, 58| toen de jongeling uitging, verhief hij zijn aangezicht naar 993 5, 61| 61 En zij verhieven hun stemmen met gezangen, 994 5, 73| woonden, en hen bezettende, verhinderden zij hun te bouwen.~ 995 8, 76| hoofden, en onze misdaden zijn verhoogd tot de hemel toe, zelfs 996 3, 17| 17 Doet ons verklaring van hetgeen bij ulieden 997 4, 61| trok naar Babylonië, en hij verkondigde dit al zijn broederen.~ 998 9, 16| 16 En Ezra de priester verkoos tot zich de voornaamste 999 5, 1 | 1 DAARNA werden verkoren om op te trekken de oversten 1000 4, 62| hunner vaderen, dat hij hun verkwikking en verlossing gegeven had.~


75-ieder | indie-verkw | verla-zwoer

Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License