75-ieder | indie-verkw | verla-zwoer
Chapter, Verse
1001 4, 20| 20 Een mens verlaat zijn eigen vader, die hem
1002 3, 19| oversterk is de wijn; hij verleidt al de mensen die hem drinken;~
1003 8, 88| Here, die onze zonden hebt verlicht, hebt ons zodanige wortel
1004 1, 14| het vette, totdat de tijd verliep; en de Levieten bereidden
1005 9, 36| vrouwen ten huwelijk, en verlieten ze met hun kinderen.~
1006 4, 62| dat hij hun verkwikking en verlossing gegeven had.~
1007 8, 63| 63 En hij heeft ons verlost van de ingang aan van alle
1008 8, 76| 76 Want onze zonden zijn vermenigvuldigd boven onze hoofden, en onze
1009 5, 44| in zijn plaats, naar hun vermogen.~
1010 2, 22| koningen en steden moeite veroorzaakt heeft;~
1011 1, 38| 38 En verplichte Jojakim en de groten aan
1012 5, 65| zeer luid, zodat zij van verre gehoord werd.~
1013 8, 74| vasten, hebbende de klederen verscheurd, en de heilige rok; en ik
1014 8, 72| zodra als ik dit hoorde, verscheurde ik mijn klederen, en mijn
1015 1, 50| roepen, opdat hij hen zou verschonen, en zijn woning.~
1016 8, 3 | als een schriftgeleerde, verstandig zijnde in de wet van Mozes,
1017 8, 48| hand onzes Heren, enige verstandige mannen uit de kinderen van
1018 5, 51| die op de aarde waren, versterkten zich. En zij offerden offeranden
1019 9, 20| daaraan; dat zij hun vrouwen verstieten; en dat zij rammen offerden
1020 5, 67| 67 En zij verstonden, dat degenen, die uit de
1021 4, 44| hij beloofde Babylon te verstoren, en hij beloofde die weder
1022 6, 30| gebezigd wordt en dit zonder vertraging.~
1023 6, 32| goederen aan de koning zullen vervallen zijn.~
1024 8, 13| hetgeen in de wet des Heren vervat is.~
1025 9, 55| hadden, en zich grotelijks te vervrolijken;~
1026 2, 9 | velen, wier gemoed daartoe verwekt is.~
1027 4, 8 | hij dat men verwoeste, zo verwoesten zij; zegt hij dat men bouwe,
1028 1, 58| en al de tijd van zijn verwoesting gerust had, totdat zeventig
1029 4, 27| zijn omgekomen, en zijn verworgd geworden, en hebben gezondigd
1030 3, 3 | gedronken hadden, en wel verzadigd waren, keerden zij weder
1031 4, 18| en allerlei fraaie zaken verzameld hebben, en een vrouw zien
1032 8, 43| 43 En ik verzamelde hen aan de rivier genoemd
1033 3, 8 | ieder zijn eigen spreuk, en verzegelde die, en legde ze onder het
1034 8, 52| begeren, en ander geleide tot verzekering tegen onze tegenpartijders.~
1035 4, 46| En nu dit is wat ik van u verzoek, heer koning, en dat ik
1036 8, 51| voor de Here: om van hem te verzoeken een goede reis voor ons,
1037 4, 31| haar, opdat zij met hem verzoend zou worden.~
1038 9, 20| zij rammen offerden tot verzoening over hun misdaden.~
1039 2, 20| ons goed gedacht, niet te verzuimen.~
1040 8, 63| geweest waren, zo werd de vierde dag het gewogen zilver en
1041 5, 26| Kadoëli en Banni en Sudi vierenzeventig.~
1042 2, 14| zilveren, zijn vijfduizend, vierhonderdennegenenzestig.~
1043 5, 15| zevenenzestig. De kinderen van Azar vierhonderdtweeëndertig.~
1044 5, 19| Gadiastieten en Ammidiën vierhonderdtweeëntwintig.~
1045 5, 10| 10 De kinderen Sarat vierhonderdtweeënzeventig. De kinderen van Ares zevenhonderd
1046 5, 14| tweeduizendzesenzestig. De kinderen van Adin vierhonderdvierenvijftig.~
1047 5, 50| vergaderden, omdat zij in vijandschap met hen waren.~
1048 5, 12| Chorvas zevenhonderd en vijf. De kinderen van Bani zeshonderdachtenveertig.~
1049 8, 6 | Artaxerxes regeerde in de vijfde maand, (dit is het zevende
1050 5, 43| Kamelen waren vierhonderd vijfendertig, en paarden zevenduizend
1051 5, 43| zesendertig, muilezels tweehonderd vijfenveertig, en ezels vijfduizend vijfhonderd
1052 5, 43| vijfenveertig, en ezels vijfduizend vijfhonderd vijfentwintig.~
1053 2, 22| gedenkboeken, daarover geschreven, vinden, en verstaan, dat die stad
1054 8, 44| de Levieten niemand daar vindende,~
1055 5, 55| Libanon zouden toebrengen, om vlotten over te voeren naar de haven
1056 1, 40| met een metalen band, en voerde hem weg naar Babylonië.~
1057 1, 30| zeide tot zijn knechten: Voert mij af uit de strijd, want
1058 2, 30| een leger van ruiters en voet volk.~
1059 8, 52| schaamde mij van de koning voetknechten en ruiters te begeren, en
1060 7, 4 | 4 En zij volbrachten die, door het bevel des
1061 4, 46| uw mond hebt beloofd te volbrengen.~
1062 9, 15| uit de gevangenis waren, volgden hen hierin na.~
1063 6, 4 | al deze andere dingen te voltooien, en wie zijn de bouwlieden
1064 6, 20| gebouwd, en heeft nog zijn voltooiing niet gekregen.~
1065 8, 4 | dewijl hij genade bij hem vond, in alles wat hij van hem
1066 8, 54| dingen van de Here, en wij vonden hem zeer genadig.~
1067 9, 12| 12 Doch dat de voorgangers der menigte staan, en al
1068 8, 11| 11 Daar ik voorgenomen heb goedertierenheid te
1069 9, 16| priester verkoos tot zich de voornaamste mannen van hun vaderlijke
1070 9, 6 | menigte zat op de grote voorplaats des tempels, bevende van
1071 1, 5 | 5 Naar het voorschrift Davids; de koning Israëls,
1072 8, 7 | Jeruzalem onder hem, volgens de voorspoedige reis, die hun van de Here
1073 6, 10| en dat het werk gelukkig voortgaat onder hun handen, en hetzelve
1074 4, 16| planten, uit welke de wijn voortkomt.~
1075 1, 24| die zijn beschreven in de vorige tijden, vanwege hen, die
1076 8, 94| al onze vrouwen, die van vreemd geslacht zijn, met haar
1077 5, 7 | uit de gevangenis van hun vreemdelingschap, welke Nabuchodonosor, de
1078 1, 47| kwaad was voor de Here; en vreesde niet voor de woorden, die
1079 4, 28| groot in zijn macht? en vrezen niet alle landen hem aan
1080 3, 23| hebben, gedenken zij niet om vriendelijk te zijn de vrienden en broeders,
1081 3, 20| des dienstknechts en des vrijen, het verstand des armen
1082 8, 11| bevolen, dat zij die dat vrijwillig begeren uit het Joodse volk,
1083 5, 51| voor de Here, namelijk het vroeg-offer en het spade-offer.~
1084 6, 11| 11 Toen vroegen wij deze oudsten, en zeiden:
1085 1, 11| en alzo geschiedde het vroegoffer.~
1086 9, 55| eten, en te drinken, en vrolijk te zijn, en om geschenken
1087 8, 60| 60 Zo waakt, en bewaart ze, totdat gij
1088 6, 24| te Jeruzalem zou bouwen, waar men offeranden doen zou
1089 8, 90| 90 Here Israëls, gij zijt waarachtig; wij zijn tot een wortel
1090 4, 43| zullen bouwen, op de dag waarop gij uw koninkrijk ontvangen
1091 4, 63| Jeruzalem te bouwen en de tempel waarover zijn naam aangeroepen werd.
1092 9, 56| dat hun geleerd was, en waartoe zij vergaderd waren.~ ~
1093 8, 9 | leermeester van de wet des Heren, waarvan het afschrift is hetgeen
1094 4, 11| slaapt hij, zo hebben zij de wacht ringswijze rondom hem, en
1095 6, 25| gehouwen stenen, en een wand van nieuw hout van dat land,
1096 6, 25| breedte zestig ellen, met drie wanden van gehouwen stenen, en
1097 9, 2 | geen brood en dronk geen water, treurig zijnde over de
1098 2, 18| Joden, die van u tot ons wedergekeerd, en aangekomen zijn te Jeruzalem,
1099 2, 19| maar zullen ook de koningen wederstaan.~
1100 8, 92| en de zonden bekende, en weende, liggende voor de tempel
1101 9, 51| is de Here heilig; en zij weenden allen, als zij de wet hoorden.~
1102 3, 20| verstand des konings én van de wees enerlei verstand, gelijk
1103 4, 23| zwaard, en gaat heen op de wegen te liggen, en te roven en
1104 4, 11| rondom hem, en niemand durft weggaan, noch zijn eigen werken
1105 6, 19| dat hij al die vaten zou wegnemen, en zetten in de tempel
1106 8, 27| of met geldboete, of met wegvoering.~
1107 8, 79| 79 En nu is ons een weinig genade geschied van de Here,
1108 8, 30| 30 En ik werd welgemoed, naar de hulp des Heren,
1109 1, 27| Here is haastig bij mij; wend u af van mij, en stel u
1110 4, 19| verlaten zij dat alles, en wenden de ogen op haar, en met
1111 8, 92| en jongelingen, want het wenen was groot onder de menigte.~
1112 6, 7 | en Fenicië oversten zijn, wensen Darius de koning voorspoed.~
1113 8, 10| 10 De koning Artaxerxes wenst Ezra, de priester en leermeester
1114 4, 15| vrouwen hebben de koning ter wereld gebracht, en al het volk,
1115 4, 23| 23 En werkt gij niet, en arbeidt gij
1116 4, 16| degenen opgevoed, die de wijngaarden planten, uit welke de wijn
1117 3, 18| die van de sterkte des wijns gesproken had, en zeide
1118 3, 9 | oordelen, dat zijn rede de wijste is, die zal de overwinning
1119 5, 6 | de koning der Perzen, de wijze redenen gesproken had, in
1120 4, 42| koning tot hem, eis wat gij wilt ja meer dan er geschreven
1121 9, 6 | koude vanwege de aanstaande winter.~
1122 9, 11| menigte is groot, en het is wintertijd, en wij kunnen niet staan
1123 4, 29| en Apame, de dochter des wondergroten Bartacus, des konings bijwijf,
1124 2, 6 | er omtrent die plaatsen wonen, en in die plaats zijn,~
1125 8, 56| 56 En ik woog hun het zilver en het goud,
1126 9, 37| kinderen Israëls waren in hun woonplaatsen.~
1127 2, 5 | de Here, die te Jeruzalem woont.~
1128 9, 35| kinderen van Ethma: Mazitias, Zabada, Edaïs, Juhel, Baneas.~
1129 9, 21| kinderen van Emmer: Ananias, en Zabdeûs, en Manes, en Lameös, en
1130 4, 31| 31 En bovendien zag haar de koning met open
1131 4, 33| 33 Toen zagen de koning en de groten op
1132 9, 28| 28 En van de kinderen van Zamoth: Eliazim, Othonias, Jarimoth,
1133 9, 34| Esril, Azaël, Samatus, Zamvre, Jozef.~
1134 5, 42| zevenendertig. De zangers en de zangeressen, tweehonderdenvijfenveertig.~
1135 8, 37| de kinderen van Safatja, Zaraja, de zoon van Michaël, en
1136 8, 34| Moab; Eljaonia de zoon van Zarea, en met hem tweehonderd
1137 9, 16| nieuwe maan der tiende maand zaten zij om deze zaken te onderzoeken.~
1138 5, 12| duizendtweehonderdvierenvijftig. De kinderen van Zathaï negenhonderdvijfenzeventig.
1139 8, 35| 35 Uit de kinderen van Zathoë: Sechenia, de zoon van Jezel,
1140 1, 46| 46 En maakte Zedekia koning over Judea en Jeruzalem;
1141 6, 23| het land van Medië is, een zekere plaats, waarin deze dingen
1142 9, 52| en drinkt het zoete, en zendt geschenken aan hen, die
1143 9, 28| Jarimoth, en Labath, en Zeralias.~
1144 7, 5 | dag der maand Adar, in het zesde jaar des konings Darius.~
1145 5, 43| en paarden zevenduizend zesendertig, muilezels tweehonderd vijfenveertig,
1146 8, 67| 67 Zesennegentig rammen, tweeënzeventig lammeren,
1147 5, 10| kinderen van Ares zevenhonderd zesenvijftig.~
1148 5, 12| vijf. De kinderen van Bani zeshonderdachtenveertig.~
1149 5, 13| 13 De kinderen van Babaï zeshonderddrieëndertig. De kinderen van Argas duizend
1150 5, 20| Die van Kiramas en Gabbes zeshonderdeenentwintig; die van Makalon honderdtweeëntwintig;
1151 5, 37| de kinderen van Nehoda zeshonderdtweeënvijftig;~
1152 8, 57| heb ik hun overgegeven zeshonderdvijftig talenten zilvers, en honderd
1153 5, 14| De kinderen van Adonikam zeshonderdzevenendertig. De kinderen van Bagoë tweeduizendzesenzestig.
1154 5, 42| zevenduizend driehonderd en zevenendertig. De zangers en de zangeressen,
1155 5, 15| kinderen van Cilas en Azenas zevenenzestig. De kinderen van Azar vierhonderdtweeëndertig.~
1156 5, 19| die van Cathiras en Berogh zevenhonderddrieënveertig; de Gadiastieten en Ammidiën
1157 5, 21| kinderen Kalamelali en Onus zevenhonderdvijfentwintig.~
1158 8, 91| 91 Zie, wij zijn nu voor u in onze
1159 4, 18| verzameld hebben, en een vrouw zien die schoon is van gedaante
1160 4, 24| 24 En ziet een leeuw, en gaat in duisternis;
1161 3, 6 | getrokken, en een hoed van fijne zijde, en een keten om zijn hals;~
1162 1, 57| 57 En zij waren zijn en zijner kinderen dienstknechten,
1163 5, 6 | had, in het tweede jaar zijns koninkrijks in de maand
1164 4, 11| 11 Daarenboven zit hij neder, eet hij, drinkt
1165 8, 72| 72 En zodra als ik dit hoorde, verscheurde
1166 8, 86| 86 En gij zult niet zoeken te eniger tijd vrede te
1167 9, 52| het vette en drinkt het zoete, en zendt geschenken aan
1168 4, 34| snel in haar loop is de zon, want zij, draait in de
1169 8, 55| 55 En ik zonderde van de oversten der priesters
1170 6, 27| Fenicië waren verordineerd, zorg te dragen, dat zij zich
1171 8, 23| 23 Alles worde zorgvuldig volbracht naar de wet Gods,
1172 6, 10| in grote heerlijkheid, en zorgvuldigheid wordt volbracht.~
1173 6, 30| Desgelijks ook koorn, en zout, en wijn, en olie, gedurig
1174 2, 6 | 6 Zovelen dan, als er omtrent die
1175 3, 23| en trekken kort daarna de zwaarden uit.~
1176 1, 30| strijd, want ik ben zeer zwak. En zijn knechten voerden
1177 8, 97| hiernaar doen zouden, en zij zwoeren.~
|