Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
elke 1
ellendigen 1
elymais 1
en 624
enemessar 4
engel 14
engelen 3
Frequency    [«  »]
-----
-----
-----
624 en
259 de
130 ik
121 hij

Het boek Tobit (Tobias)

IntraText - Concordances

en

1-500 | 501-624

    Chapter, Verse
1 1, 3 | in de wegen der waarheid, en der gerechtigheid, en heb 2 1, 3 | waarheid, en der gerechtigheid, en heb veel aalmoezen gedaan 3 1, 3 | gedaan aan mijn broederen, en mijn volk die tezamen met 4 1, 4 | 4 En toen ik nog was in mijn 5 1, 5 | stammen daar zouden offeren, en de tempel der woning van 6 1, 5 | Allerhoogste was geheiligd en gebouwd voor alle geslachten 7 1, 5 | alle geslachten der wereld. En al de stammen, die tezamen 8 1, 5 | tezamen afgeweken waren, en het huis Naftali, mijns 9 1, 6 | 6 En ik reisde menigmaal alleen 10 1, 6 | hebbende de eerstelingen en de tienden der vruchten, 11 1, 6 | de tienden der vruchten, en de eerste wol, en gaf deze 12 1, 6 | vruchten, en de eerste wol, en gaf deze de priesters, de 13 1, 7 | binnen Jeruzalem dienden, en de tweede tienden verkocht 14 1, 7 | tweede tienden verkocht ik, en reisde heen, en besteedde 15 1, 7 | verkocht ik, en reisde heen, en besteedde die alle jaren 16 1, 8 | 8 En de derde gaf ik die het 17 1, 9 | 9 En als ik nu een man geworden 18 1, 9 | geslacht, tot een huisvrouw, en won uit haar Tobias.~ 19 1, 10| 10 En toen ik gevankelijk weggevoerd 20 1, 11| hebben al mijn broeders, en die van mijn geslacht waren, 21 1, 14| 14 En de Allerhoogste gaf mij 22 1, 14| Allerhoogste gaf mij genade, en aangenaamheid voor Enemessar, 23 1, 14| aangenaamheid voor Enemessar, en ik werd zijn inkoper.~ 24 1, 15| 15 En ik reisde naar Medië,~ 25 1, 16| 16 En ik gaf tien talenten zilvers 26 1, 17| 17 En toen Enemessar gestorven 27 1, 18| 18 En zijn handelingen waren ongestadig, 28 1, 18| handelingen waren ongestadig, en ik kon niet meer naar Medië 29 1, 19| 19 En in de dagen van Enemessar 30 1, 20| mijn brood de hongerigen, en klederen de naakten, en 31 1, 20| en klederen de naakten, en zo ik iemand uit mijn geslacht 32 1, 20| geslacht zag die gestorven was, en geworpen bij de muur der 33 1, 21| 21 En zo de koning Sennacherib 34 1, 21| deze nam ik heimelijk weg, en begroef hem, (want hij doodde 35 1, 21| er velen in zijn toorn) en de lichamen werden door 36 1, 21| werden door de koning gezocht en niet gevonden.~ 37 1, 22| 22 En een van die van Nineve ging 38 1, 22| die van Nineve ging heen, en gaf de koning van mij te 39 1, 22| kennen, dat ik deze begroef, en ik verbergde mij, en verstaande 40 1, 22| begroef, en ik verbergde mij, en verstaande dat ik gezocht 41 1, 23| 23 En al mijn goederen zijn geplunderd 42 1, 23| zijn geplunderd geworden, en mij is niets overgelaten 43 1, 23| dan Anna mijn huisvrouw, en Tobias mijn zoon.~ 44 1, 24| 24 En daar gingen geen vijfenvijftig 45 1, 24| zijn zonen hem doodden, en zij vloden op de gebergten 46 1, 24| op de gebergten Ararat, en Achirdonus, zijn zoon, werd 47 1, 24| werd koning in zijn plaats. En hij zette Achiachar, de 48 1, 24| rekeningen zijns vaders, en over al het bewind.~ 49 1, 25| 25 En Achiachar verzocht het voor 50 1, 25| Achiachar verzocht het voor mij, en ik kwam weder te Nineve. 51 1, 25| Achiachar nu was schenker, en zegelbewaarder, en huisverzorger, 52 1, 25| schenker, en zegelbewaarder, en huisverzorger, en rekenmeester, 53 1, 25| zegelbewaarder, en huisverzorger, en rekenmeester, en Achirdonus 54 1, 25| huisverzorger, en rekenmeester, en Achirdonus stelde hem de 55 1, 25| hem de tweede naast zich, en hij was de zoon mijns broeders.~ 56 2, 1 | 1 EN toen ik weder in mijn huis 57 2, 1 | in mijn huis ben gekomen, en mijn huisvrouw Anna en mijn 58 2, 1 | en mijn huisvrouw Anna en mijn zoon Tobias mij weder 59 2, 2 | goed middagmaal bereid, en ik was aangezeten om te 60 2, 2 | was aangezeten om te eten, en zag veel spijs, en zeide 61 2, 2 | eten, en zag veel spijs, en zeide tot mijn zoon: Ga 62 2, 2 | tot mijn zoon: Ga heen, en breng mede wie gij vinden 63 2, 2 | broederen, die gebrek heeft en des Heren gedenkt, en ziet, 64 2, 2 | heeft en des Heren gedenkt, en ziet, ik zal op u wachten.~ 65 2, 3 | 3 En hij weder komende zeide: 66 2, 3 | ons geslacht ligt verworgd en geworpen op de markt.~ 67 2, 4 | 4 En ik sprong op, eer ik spijs 68 2, 5 | 5 En wederkerende wies ik mij, 69 2, 5 | wederkerende wies ik mij, en at mijn brood met treurigheid.~ 70 2, 6 | 6 En ik werd gedachtig der profetie 71 2, 7 | leeddragen veranderd worden, en al uw vreugde in treurgeschrei. 72 2, 7 | vreugde in treurgeschrei. En ik weende.~ 73 2, 8 | 8 En als de zon ondergegaan was, 74 2, 8 | ik heen, maakte een graf en begroef hem,~ 75 2, 9 | 9 En de buren belachten mij, 76 2, 9 | is voortvluchtig geweest, en ziet, wederom begraaft hij 77 2, 10| 10 En diezelfde nacht keerde ik 78 2, 10| ik weder na het begraven, en dewijl ik onrein was, sliep 79 2, 10| de muur van de voorplaats en mijn aangezicht was ontdekt, 80 2, 10| aangezicht was ontdekt, en ik wist niet dat er mussen 81 2, 11| 11 En mijn ogen opgedaan zijnde, 82 2, 11| hete mest in mijn ogen, en daar kwamen witte schellen 83 2, 11| witte schellen op mijn ogen en ik ging tot de medicijnmeesters, 84 2, 11| maar zij hielpen mij niet en Achiachar onderhield mij, 85 2, 12| 12 En mijn huisvrouw Anna maakte 86 2, 13| 13 En zond dat de heren toe, en 87 2, 13| En zond dat de heren toe, en zij gaven haar ook haar 88 2, 13| gaven haar ook haar loon, en gaven haar bovendien een 89 2, 14| 14 En toen zij bij mij gekomen 90 2, 14| was, begon het te blaten; en ik zeide tot haar: Vanwaar 91 2, 14| eten hetgeen gestolen is. En zij zeide: Het is mij tot 92 2, 14| doch ik geloofde haar niet, en zeide dat zij het de heren 93 2, 15| 15 En ik werd zeer ontsteld tegen 94 2, 15| Waar zijn nu uw aalmoezen en uw gerechtigheden? ziet 95 3, 1 | 1 TOEN werd ik droevig, en weende, en bad met smarten 96 3, 1 | werd ik droevig, en weende, en bad met smarten en sprak:~ 97 3, 1 | weende, en bad met smarten en sprak:~ 98 3, 2 | gij zijt rechtvaardig, en al uw wegen zijn barmhartigheid 99 3, 2 | wegen zijn barmhartigheid en waarheid, en gij oordeelt 100 3, 2 | barmhartigheid en waarheid, en gij oordeelt een waarachtig 101 3, 2 | oordeelt een waarachtig en rechtvaardig oordeel in 102 3, 3 | 3 Gedenk mijner en zie mij aan, en wreek u 103 3, 3 | Gedenk mijner en zie mij aan, en wreek u niet over mij naar 104 3, 3 | over mij naar mijn zonden en mijn onwetendheid, noch 105 3, 4 | geboden ongehoorzaam geweest, en gij hebt ons overgegeven 106 3, 4 | ons overgegeven tot roof, en in gevangenis, en ter dood, 107 3, 4 | roof, en in gevangenis, en ter dood, en tot een spreekwoord 108 3, 4 | gevangenis, en ter dood, en tot een spreekwoord der 109 3, 5 | 5 En nu Here uw oordelen zijn 110 3, 5 | Here uw oordelen zijn vele en waarachtig: doe met mij 111 3, 5 | doe met mij vanwege mijn en mijner vaderen zonden, overmits 112 3, 6 | 6 En nu zeg ik, doe met mij naar 113 3, 6 | opdat ik ontbonden mag zijn en tot aarde worden. Want het 114 3, 6 | smaadwoorden gehoord heb, en veel droefheid in mij is; 115 3, 6 | verlost worde van deze nood, en opgenomen worde in de eeuwige 116 3, 6 | in de eeuwige plaatsen, en keer uw aangezicht van mij 117 3, 8 | zeven mannen was gegeven, en Asmodeüs, de boze geest, 118 3, 9 | 9 En zij zeiden tot haar: Wordt 119 3, 10| hebt nu zeven mannen gehad, en naar niet een hunner wordt 120 3, 12| het hem een smaad zijn, en ik zal zijn ouderdom met 121 3, 13| 13 En zij bad aan het venster 122 3, 13| zij bad aan het venster en zeide:~ 123 3, 14| zijt gij, o Here mijn God, en gezegend zij uw heerlijke 124 3, 14| heerlijke naam, die heilig en dierbaar is in der eeuwigheid. 125 3, 15| 15 En nu Here, ik heb mijn ogen, 126 3, 15| Here, ik heb mijn ogen, en mijn aangezicht tot u begeven.~ 127 3, 16| verlossen van de aarde, en dat ik niet meer versmaadheid 128 3, 18| 18 En ik heb mijn naam niet bezoedeld, 129 3, 19| eniggeborene mijns vaders, en hij heeft geen kind dat 130 3, 22| 22 En indien het u niet goeddunkt 131 3, 23| beveel dat men mij aanzie, en zich mijner ontferme, en 132 3, 23| en zich mijner ontferme, en geef dat ik geen smaadheid 133 3, 24| 24 En het gebed dezer beiden werd 134 3, 25| 25 En Rafaël werd uitgezonden 135 3, 25| Tobias' ogen af te doen, en om Sara, de dochter van 136 3, 25| tot een vrouw te geven, en Asmodeüs de boze geest te 137 3, 25| is Tobias wedergekeerd, en in zijn huis gekomen, en 138 3, 25| en in zijn huis gekomen, en is Sara, de dochter van 139 4, 2 | 2 En hij zeide bij zichzelf: 140 4, 2 | kennen geve, eer ik sterf? En hem geroepen hebbende, zeide 141 4, 3 | ik sterf, zo begraaf mij, en veracht uw moeder niet; 142 4, 3 | al de dagen uws levens, en doe wat haar behaaglijk 143 4, 3 | wat haar behaaglijk is, en bedroef haar niet.~ 144 4, 6 | alle tijd de Here onze God, en wil niet zondigen noch zijn 145 4, 6 | al de dagen uws levens, en wandel niet in de wegen 146 4, 6 | het welgaan in uw werken, en met al degenen die de gerechtigheid 147 4, 7 | aalmoezen van hetgeen gij hebt, en uw oog zij niet nijdig als 148 4, 7 | als gij aalmoezen doet, en keer uw aangezicht niet 149 4, 7 | niet af van enige arme, en het aangezicht Gods zal 150 4, 11| aalmoes van de dood verlost, en niet in de duisternis laat 151 4, 13| wacht u van alle hoererij, en neem u een vrouw van het 152 4, 13| van het zaad uwer vaderen, en neem geen vreemde vrouw, 153 4, 13| hebben uit hun broederen, en zij zijn gezegend in hun 154 4, 13| gezegend in hun kinderen, en hun zaad zal het aardrijk 155 4, 14| 14 En nu, kind, heb uw broederen 156 4, 14| heb uw broederen lief, en wend u niet hovaardig in 157 4, 14| uw hart van uw broederen, en de zonen en dochteren uws 158 4, 14| uw broederen, en de zonen en dochteren uws volks, om 159 4, 14| hovaardigheid is verderf en veel ongestadigheid, en 160 4, 14| en veel ongestadigheid, en in trotsheid vermindering 161 4, 14| in trotsheid vermindering en groot gebrek, want de trotsheid 162 4, 15| 15 En laat het loon van geen mens, 163 4, 15| maar geef hem dat terstond, en zo gij God gediend hebt, 164 4, 16| op uzelf in al uw werken, en zijt voorzichtig in al uw 165 4, 16| voorzichtig in al uw omgang, en doe niemand hetgeen hij 166 4, 16| geen wijn tot dronkenschap, en laat geen dronkenschap met 167 4, 17| degene die honger heeft, en van uw klederen hun die 168 4, 17| geef dat tot aalmoezen, en uw oog benijde het niet, 169 4, 18| graf der rechtvaardigen, en geef het niet de zondaren.~ 170 4, 19| ieder die verstandig is, en veracht een nuttige raad 171 4, 20| de Here te allen tijde, en begeer van hem dat uw wegen 172 4, 20| wegen recht zijn mogen, en dat al uw paden en uw raadslagen 173 4, 20| mogen, en dat al uw paden en uw raadslagen goede voortgang 174 4, 20| zelf geeft al het goed, en zo wie hij wil vernedert 175 4, 20| gelijk het hem belieft. En nu kind, gedenk mijn geboden, 176 4, 20| kind, gedenk mijn geboden, en laat die uit uw hart niet 177 4, 21| 21 En nu voorts wijs ik u aan 178 4, 21| te bewaren gegeven heb, en vrees niet, kind, omdat 179 4, 21| indien gij God vreest, en afstaat van alle zonde, 180 4, 21| afstaat van alle zonde, en doet hetgeen behaaglijk 181 5, 1 | 1 EN Tobias antwoordende, zeide: 182 5, 3 | 3 En toen gaf hij hem het handschrift, 183 5, 3 | hij hem het handschrift, en zeide tot hem:~ 184 5, 4 | trekke, terwijl ik leef, en ik zal hem loon geven, en 185 5, 4 | en ik zal hem loon geven, en trek heen, ontvang het geld.~ 186 5, 5 | 5 En hij ging heen om een man 187 5, 5 | heen om een man te zoeken, en hij vond Rafaël,~ 188 5, 7 | 7 En hij zeide tot hem: Zoudt 189 5, 8 | 8 En zijt gij ook in die plaats 190 5, 9 | 9 En de engel zeide tot hem: 191 5, 10| 10 En Tobias zeide tot hem: Wacht 192 5, 10| het mijn vader aanzeggen; en hij sprak tot hem: Ga heen, 193 5, 10| sprak tot hem: Ga heen, en vertoef niet.~ 194 5, 11| 11 En ingegaan zijnde, zeide hij 195 5, 11| die met mij reizen zal. En hij sprak: Roep hem tot 196 5, 11| verstaan van welke stam hij is, en of hij trouw is om met u 197 5, 11| trouw is om met u te reizen; en hij riep hem.~ 198 5, 12| 12 En hij kwam in, en zij groetten 199 5, 12| 12 En hij kwam in, en zij groetten elkander.~ 200 5, 13| 13 En Tobias zeide tot hem: Broeder 201 5, 13| Broeder uit welke stam en uit welk geslacht zijt gij? 202 5, 14| 14 En hij zeide tot hem: Zoekt 203 5, 14| loon met uw zoon heenreize? En Tobias zeide tot hem: Broeder, 204 5, 14| Broeder, ik wilde uw geslacht en naam wel weten.~ 205 5, 16| 16 En Tobias zeide: Welkom zijt 206 5, 17| 17 En wil over mij niet gram worden, 207 5, 17| omdat ik gezocht heb uw stam en geslacht te weten.~ 208 5, 18| broeder, uit een eerlijk en goed geslacht. Want ik ken 209 5, 18| geslacht. Want ik ken Ananias en Jonathan, de zonen van de 210 5, 19| eerstgeborenen van het vee en de tienden der vruchten.~ 211 5, 20| 20 En zij zijn niet verleid geworden 212 5, 21| een drachme des daags, en hetgeen u nodig zijn zal, 213 5, 21| zal, gelijk als mijn zoon, en ik zal boven het loon u 214 5, 22| 22 En zij zijn zo overeengekomen.~ 215 5, 23| 23 En hij zeide tot Tobias: Maak 216 5, 23| Maak u gereed tot de weg, en het ga ulieden wel.~ 217 5, 24| 24 En zijn zoon bereidde hetgeen 218 5, 24| hetgeen tot de reis nodig was, en zijn vader zeide tot hem: 219 5, 24| Trek met deze man heen, en God die in de hemel woont, 220 5, 24| uw weg voorspoedig maken, en de engel Gods trekke met 221 5, 25| 25 En zij gingen beiden uit om 222 5, 25| beiden uit om weg te gaan, en de hond des jongelings ging 223 5, 25| jongelings ging met hen. En Anna, zijn moeder, schreide, 224 5, 25| zijn moeder, schreide, en sprak tot Tobias: Waarom 225 5, 25| gij ons kind weggezonden, en is hij niet de stok van 226 5, 25| van onze hand, als hij uit en ingaat voor ons?~ 227 5, 28| 28 En Tobias zeide tot haar: Heb 228 5, 28| zal gezond weder komen, en uw ogen zullen hem zien.~ 229 5, 29| engel zal met hem trekken, en zijn reis zal voorspoedig 230 5, 29| reis zal voorspoedig zijn, en hij zal gezond weder keren; 231 5, 29| zal gezond weder keren; en zij hield op van schreien.~ 232 6, 1 | 1 EN ze reisden hun weg heen, 233 6, 1 | ze reisden hun weg heen, en kwamen tegen de avond aan 234 6, 1 | avond aan de rivier Tigris, en vernachtten aldaar.~ 235 6, 2 | 2 En de jongeling klom neder 236 6, 2 | neder om zich te wassen, en een vis schoot op uit de 237 6, 3 | 3 En hij wilde de jongeling verslinden.~ 238 6, 5 | 5 En de jongeling vatte de vis 239 6, 5 | de jongeling vatte de vis en wierp hem op het land.~ 240 6, 6 | 6 En de engel zeide tot hem: 241 6, 6 | Snijd de vis in stukken, en neem het hart, en de lever, 242 6, 6 | stukken, en neem het hart, en de lever, en de gal, en 243 6, 6 | neem het hart, en de lever, en de gal, en leg ze weg om 244 6, 6 | en de lever, en de gal, en leg ze weg om te bewaren.~ 245 6, 7 | 7 En de jongeling deed gelijk 246 6, 7 | had, maar de vis braadden en aten zij, en zij reisden 247 6, 7 | vis braadden en aten zij, en zij reisden beiden hun weg, 248 6, 8 | 8 En de jongeling zeide tot de 249 6, 8 | broeder, wat is van het hart, en de lever, en de gal van 250 6, 8 | van het hart, en de lever, en de gal van deze vis?~ 251 6, 9 | 9 En hij zeide tot hem: Wat het 252 6, 9 | zeide tot hem: Wat het hart en de lever betreft, indien 253 6, 9 | voor die man of die vrouw, en hij zal niet meer gekweld 254 6, 10| 10 En bestrijk met de gal een 255 6, 10| schellen heeft op zijn ogen, en hij zal genezen worden.~ 256 6, 11| 11 En zo zij nu nabij Ragis gekomen 257 6, 12| Raguël ter herberg gaan, en deze is uw bloedvriend, 258 6, 12| deze is uw bloedvriend, en hij heeft een eniggeboren 259 6, 13| u komt haar erfenis toe. En gij zijt alleen over uit 260 6, 13| over uit haar geslacht; en zij is schoon en verstandig.~ 261 6, 13| geslacht; en zij is schoon en verstandig.~ 262 6, 14| 14 En nu hoor mij, ik zal haar 263 6, 14| zal haar vader aanspreken, en wanneer wij weder zullen 264 6, 15| gegeven is aan zeven mannen, en dat zij allen in haar bruidskamer 265 6, 16| 16 En nu, ik ben een enig kind 266 6, 16| enig kind mijns vaders, en vrees dat ik tot haar ingaande 267 6, 16| dan die tot haar ingaan. En nu vrees ik dat ik zou sterven, 268 6, 16| vrees ik dat ik zou sterven, en ik zou het leven van mijn 269 6, 16| het leven van mijn vader en van mijn moeder met smarten 270 6, 16| hun graf neder brengen, en zij hebben geen andere zoon 271 6, 17| 17 En de engel zeide tot hem: 272 6, 18| 18 En nu hoor mij, broeder, want 273 6, 18| want zij zal uw vrouw zijn. En heb geen zorg voor die duivel.~ 274 6, 19| een vrouw gegeven worden, en als gij ingaat in de bruidskamer, 275 6, 19| nemen van het reukoffer, en zult daarop leggen van het 276 6, 19| daarop leggen van het hart en van de lever van de vis, 277 6, 19| van de lever van de vis, en zult roken.~ 278 6, 20| 20 En de duivel zal het ruiken 279 6, 20| de duivel zal het ruiken en zal vluchten, en zal in 280 6, 20| ruiken en zal vluchten, en zal in alle eeuwigheid niet 281 6, 21| ingaan, zo staat beiden op, en roept de barmhartige God 282 6, 21| de barmhartige God aan, en Hij zal u behouden, en zich 283 6, 21| en Hij zal u behouden, en zich uwer ontfermen.~ 284 6, 22| 22 En vrees niet, dewijl deze 285 6, 22| bereid van der eeuwigheid, en gij zult haar behouden, 286 6, 22| gij zult haar behouden, en zij zal met u trekken, en 287 6, 22| en zij zal met u trekken, en ik zeg u, dat u kinderen 288 6, 23| 23 En als Tobias dat hoorde, kreeg 289 6, 23| hoorde, kreeg hij haar lief, en zijn ziel hing zeer aan 290 6, 23| ziel hing zeer aan haar, en zij kwamen te Ecbatana.~ 291 7, 1 | 1 EN gingen tot het huis van 292 7, 1 | tot het huis van Raguël, en Sara kwam hen tegemoet, 293 7, 1 | Sara kwam hen tegemoet, en groette hen, en zij weder 294 7, 1 | tegemoet, en groette hen, en zij weder haar.~ 295 7, 2 | 2 En zij bracht hen in het huis, 296 7, 2 | bracht hen in het huis, en Raguël zeide tot zijn vrouw 297 7, 3 | 3 En Raguël vroeg hun: Van waar 298 7, 4 | 4 En zij zeiden tot hem: Uit 299 7, 5 | 5 En hij zeide tot hen: Kent 300 7, 5 | Tobias, onze broeder, wel? En zij zeiden: Ja wij kennen 301 7, 6 | 6 En hij zeide tot hen: Is hij 302 7, 6 | Zij zeiden: Hij leeft nog, en is gezond; en Tobias zeide: 303 7, 6 | leeft nog, en is gezond; en Tobias zeide: Het is mijn 304 7, 7 | 7 En Raguël sprong op en kuste 305 7, 7 | 7 En Raguël sprong op en kuste hem, en weende, en 306 7, 7 | sprong op en kuste hem, en weende, en zegende hem, 307 7, 7 | en kuste hem, en weende, en zegende hem, en zeide tot 308 7, 7 | weende, en zegende hem, en zeide tot hem: Gij zijt 309 7, 7 | Gij zijt eens eerlijken en goeden mans zoon. En als 310 7, 7 | eerlijken en goeden mans zoon. En als hij hoorde, dat Tobias 311 7, 7 | verloren, werd hij bedroefd en weende.~ 312 7, 8 | 8 En Edna, zijn vrouw, en Sara 313 7, 8 | 8 En Edna, zijn vrouw, en Sara zijn dochter weenden 314 7, 9 | 9 En zij ontvingen hen vriendelijk, 315 7, 9 | ontvingen hen vriendelijk, en slachtten een ram van de 316 7, 9 | een ram van de schapen, en zetten hun veel spijs voor. 317 7, 9 | gij gezegd hebt op de weg, en laat de zaak volbracht worden; 318 7, 9 | de zaak volbracht worden; en hij stelde Raguël die rede 319 7, 10| 10 En Raguël zeide tot Tobias: 320 7, 10| Raguël zeide tot Tobias: Eet en drink, en zijt vrolijk; 321 7, 10| tot Tobias: Eet en drink, en zijt vrolijk; want u komt 322 7, 11| aan zeven mannen gegeven, en wanneer zij nu tot haar 323 7, 12| 12 En Tobias zeide: Ik zal hier 324 7, 12| totdat gij hier zult staan, en, het mij toegestaan zult 325 7, 12| want gij zijt haar broeder, en zij is uw zuster.~ 326 7, 13| 13 En de barmhartige God brenge 327 7, 14| 14 En hij riep zijn dochter Sara, 328 7, 14| riep zijn dochter Sara, en zij kwam tot haar vader.~ 329 7, 15| 15 En nemende haar bij de hand, 330 7, 15| haar Tobias tot een vrouw, en zeide: Zie, neem haar naar 331 7, 15| de wet van Mozes tot u, en breng haar tot uw vader; 332 7, 15| breng haar tot uw vader; en hij zegende haar.~ 333 7, 16| 16 En hij riep Edna, zijn vrouw, 334 7, 16| hij riep Edna, zijn vrouw, en nam een boekje, en schreef 335 7, 16| vrouw, en nam een boekje, en schreef een handschrift 336 7, 16| schreef een handschrift en verzegelde dat.~ 337 7, 17| 17 En zij begonnen te eten.~ 338 7, 18| Raguël zijn vrouw Edna, en zeide tot haar: Zuster, 339 7, 18| bereid de andere kamer, en breng hen daarin.~ 340 7, 19| 19 En zij deed gelijk hij zeide, 341 7, 19| zij deed gelijk hij zeide, en zij bracht hen daar, en 342 7, 19| en zij bracht hen daar, en zij weende, en ontving ook 343 7, 19| hen daar, en zij weende, en ontving ook de tranen van 344 7, 20| 20 En zij zeide tot haar: Heb 345 7, 20| dochter, de Here des hemels en der aarde geve u vreugde 346 8, 1 | 1 EN als zij nu het avondmaal 347 8, 2 | 2 En als hij ging, dacht hij 348 8, 2 | aan de woorden van Rafaël, en nam de as der reukofferen, 349 8, 2 | nam de as der reukofferen, en legde het hart en de lever 350 8, 2 | reukofferen, en legde het hart en de lever van de vis daarop 351 8, 2 | lever van de vis daarop en maakte rook.~ 352 8, 3 | 3 En als de duivel de reuk rook, 353 8, 3 | bovenste delen van Egypte, en de engel bond hem daar.~ 354 8, 4 | 4 En als zij nu beiden bij elkander 355 8, 4 | stond Tobias op van het bed, en zeide: Sta op, zuster, en 356 8, 4 | en zeide: Sta op, zuster, en laat ons bidden, opdat zich 357 8, 5 | 5 En Tobias begon te zeggen: 358 8, 5 | gij, o God onzer vaderen, en geloofd zij uw naam, die 359 8, 5 | zij uw naam, die heilig en heerlijk is in der eeuwigheid, 360 8, 5 | moeten de hemelen loven, en al uw schepselen.~ 361 8, 6 | 6 Gij hebt Adam gemaakt, en gij hebt hem Eva zijn vrouw 362 8, 6 | zijn vrouw tot een hulp en steunsel gegeven; uit deze 363 8, 7 | 7 En nu Here, niet om hoererij 364 8, 8 | dat men mijner ontferme, en dat ik met haar samen oud 365 8, 8 | haar samen oud mag worden. En zij zeide met hem Amen. 366 8, 8 | zij zeide met hem Amen. En zij sliepen beiden de nacht 367 8, 9 | 9 En Raguël stond op, en ging 368 8, 9 | 9 En Raguël stond op, en ging heen, en groef een 369 8, 9 | stond op, en ging heen, en groef een graf, zeggende: 370 8, 10| 10 En Raguël kwam in zijn huis, 371 8, 10| Raguël kwam in zijn huis, en zeide tot Edna zijn vrouw:~ 372 8, 11| Zend een der dienstmaagden, en laat haar zien of hij leeft; 373 8, 11| haar zien of hij leeft; en indien niet, dat ik hem 374 8, 11| dat ik hem mag begraven, en het niemand wete.~ 375 8, 12| 12 En als de dienstmaagd de deur 376 8, 12| opengedaan had, ging zij in, en vond hen beiden slapende.~ 377 8, 13| 13 En zij kwam weder uit, en boodschapte 378 8, 13| 13 En zij kwam weder uit, en boodschapte hun, dat hij 379 8, 14| 14 En Raguël loofde God, zeggende: 380 8, 14| o God, met alle zuivere en heilige lof; loven moeten 381 8, 14| loven moeten u uw heiligen, en al uw schepselen, en al 382 8, 14| heiligen, en al uw schepselen, en al uw engelen, en uw uitverkorenen; 383 8, 14| schepselen, en al uw engelen, en uw uitverkorenen; loven 384 8, 14| dat gij mij hebt verheugd, en dat mij niet is geschied, 385 8, 15| o Here, barmhartigheid en voleindig hun leven in gezondheid, 386 8, 15| gezondheid, met vreugde en barmhartigheid.~ 387 8, 16| 16 En hij beval de huisknechten 388 8, 17| 17 En hij bereidde hun een bruiloft 389 8, 17| bruiloft van veertien dagen, en Raguël zeide tot hem met 390 8, 18| 18 En dan zou hij de helft van 391 8, 18| goederen tot zich nemen, en met gezondheid tot zijn 392 8, 18| tot zijn vader trekken, en het overige zeide hij zal 393 8, 18| zal u geworden, wanneer ik en mijn vrouw zullen gestorvan 394 9, 1 | 1 EN Tobias riep Rafaël,~ 395 9, 2 | 2 En zeide tot hem: Azarias, 396 9, 3 | 3 Neem met u een jongen, en twee kemels, en trek naar 397 9, 3 | jongen, en twee kemels, en trek naar Ragis in Medië, 398 9, 3 | Ragis in Medië, tot Gabaël, en haal mij het geld, en breng 399 9, 3 | Gabaël, en haal mij het geld, en breng hem mede tot de bruiloft, 400 9, 4 | 4 En mijn vader telt de dagen.~ 401 9, 5 | 5 En indien ik lang vertoef, 402 9, 6 | 6 En Rafaël reisde heen, en vernachtte 403 9, 6 | 6 En Rafaël reisde heen, en vernachtte bij Gabaël, en 404 9, 6 | en vernachtte bij Gabaël, en gaf hem het handschrift.~ 405 9, 7 | zo zij verzegeld waren, en gaf ze hem.~ 406 9, 8 | 8 En des morgens vroeg gingen 407 9, 8 | vroeg gingen zij te zamen, en kwamen tot de bruiloft. 408 9, 8 | kwamen tot de bruiloft. En Tobias zegende zijn vrouw.~ 409 10, 1 | 1 EN Tobias, zijn vader, rekende 410 10, 1 | vader, rekende elke dag; en als de dagen der reis vervuld 411 10, 1 | der reis vervuld waren, en zij niet kwamen, zo zeide 412 10, 3 | 3 En hij werd zeer bedroefd. 413 10, 3 | hij werd zeer bedroefd. En zijn vrouw zeide tot hem: 414 10, 4 | 4 En zij begon hem te bewenen.~ 415 10, 5 | 5 En zeide: Och het rouwt mij, 416 10, 6 | 6 En Tobias zeide tot haar: Zwijg 417 10, 6 | zeide tot haar: Zwijg stil, en bekommer u niet, hij is 418 10, 7 | tot hem: Zwijg gij stil en bedrieg mij niet, mijn kind 419 10, 7 | mijn kind is omgekomen; en zij ging alle dagen buiten 420 10, 8 | Des daags nu at zij niet, en des nachts hield zij niet 421 10, 10| 10 En Tobias zeide tot Raguël: 422 10, 10| heengaan; want mijn vader en mijn moeder hopen niet meer 423 10, 11| 11 En zijn schoonvader zeide tot 424 10, 11| tot hem: Blijf bij mij, en ik zal tot uw vader zenden, 425 10, 11| zal tot uw vader zenden, en zal hem laten weten, hoe 426 10, 11| weten, hoe het met u gaat. En Tobias zeide: Neen, maar 427 10, 11| tot mijn vader trekken; en Raguël stond op, en gaf 428 10, 11| trekken; en Raguël stond op, en gaf hem Sara zijn vrouw, 429 10, 11| gaf hem Sara zijn vrouw, en de helft van zijn goederen, 430 10, 11| van zijn goederen, slaven, en beesten, en geld.~ 431 10, 11| goederen, slaven, en beesten, en geld.~ 432 10, 12| 12 En als hij hen gezegend had 433 10, 12| gezegend had liet hij hen gaan, en zeide: Kinderen, de God 434 10, 12| voorspoed, eer ik sterve. En hij zeide tot zijn dochter: 435 10, 12| een goed gerucht horen; en hij kuste haar.~ 436 10, 13| 13 En Edna zeide tot Tobias: Lieve 437 10, 13| des hemels brenge u weder; en geve mij dat ik uw kinderen 438 10, 13| verheugen mag voor de Here. En zie ik geef u mijn dochter 439 10, 13| had voorspoedig gemaakt. En hij zegende Raguël en Edna, 440 10, 13| gemaakt. En hij zegende Raguël en Edna, zijn vrouw.~ ~ ~ 441 11, 1 | 1 EN hij reisde voort totdat 442 11, 2 | 2 En Rafaël zeide tot Tobias: 443 11, 3 | vooruit lopen voor uw vrouw, en het huis bereiden.~ 444 11, 4 | 4 En neem de gal van de vis in 445 11, 5 | 5 En zij trokken heen, en de 446 11, 5 | 5 En zij trokken heen, en de hond kwam mede achter 447 11, 6 | 6 En Anna zat en zag rondom naar 448 11, 6 | 6 En Anna zat en zag rondom naar haar zoon 449 11, 6 | naar haar zoon op de weg en zij werd hem gewaar toen 450 11, 6 | hem gewaar toen hij kwam en zeide tot zijn vader:~ 451 11, 7 | 7 Zie uw zoon komt, en de man die met hem getrokken 452 11, 7 | die met hem getrokken is; en Rafaël zeide: Ik weet dat 453 11, 8 | gij de gal in zijn ogen, en als het hem bijt zo zal 454 11, 8 | bijt zo zal hij ze wrijven, en de witte schellen uitwerpen, 455 11, 8 | witte schellen uitwerpen, en hij zal u zien.~ 456 11, 9 | 9 En Anna liep toe en viel haar 457 11, 9 | 9 En Anna liep toe en viel haar zoon aan de hals, 458 11, 9 | viel haar zoon aan de hals, en zeide tot hem: Kind, ik 459 11, 9 | thans wil ik wel sterven; en zij weenden beiden.~ groot~ 460 11, 10| 10 En Tobias kwam uit naar de 461 11, 10| Tobias kwam uit naar de deur en stiet zich daaraan; doch 462 11, 10| zijn zoon liep hem tegen, en greep zijn vader; en streek 463 11, 10| tegen, en greep zijn vader; en streek de gal op de ogen 464 11, 10| Heb goede moed, vader; en als zij gebeten waren, wreef 465 11, 10| waren, wreef hij zijn ogen, en de witte schellen werden 466 11, 11| 11 En ziende zijn zoon, viel hij 467 11, 11| viel hij aan zijn hals, en weende en zeide:~ 468 11, 11| aan zijn hals, en weende en zeide:~ 469 11, 13| 13 En geloofd zij uw naam in der 470 11, 14| 14 En geloofd zijn al uw heilige 471 11, 14| gij hebt mij gekastijd, en hebt u mijner ontfermd.~ 472 11, 16| 16 En zijn zoon verblijd zijnde 473 11, 17| 17 En boodschapte zijn vader de 474 11, 18| 18 En Tobias ging uit, zijn schoondochter 475 11, 18| tegemoet, verblijd zijnde, en God lovende, tot aan de 476 11, 18| aan de poort van Nineve; en die hem zagen gaan, verwonderden 477 11, 18| verwonderden zich dat hij zag. En Tobias bekende openlijk 478 11, 18| zich zijner had ontfermd. En als Tobias bij Sara, zijn 479 11, 18| gebracht: desgelijks uw vader en uw moeder. En daar werd 480 11, 18| desgelijks uw vader en uw moeder. En daar werd blijdschap onder 481 11, 19| 19 En Achiachar en Nasbas, zijns 482 11, 19| 19 En Achiachar en Nasbas, zijns broeders zoon, 483 11, 20| 20 En de bruiloft van Tobias werd 484 12, 1 | 1 EN Tobias riep zijn zoon Tobias 485 12, 1 | Tobias riep zijn zoon Tobias en zeide tot hem: Ziet, zoon, 486 12, 1 | gekomen is, het loon geeft, en bovendien moet hem nog iets 487 12, 2 | 2 En Tobias zeide tot hem: Vader, 488 12, 3 | mij u gezond wedergebracht en mijn vrouw genezen, en hij 489 12, 3 | wedergebracht en mijn vrouw genezen, en hij heeft mijn geld gehaald, 490 12, 3 | heeft mijn geld gehaald, en u insgelijks genezen; en 491 12, 3 | en u insgelijks genezen; en de oude man zeide: Hem zal 492 12, 4 | 4 En hij riep de engel, en zeide 493 12, 4 | 4 En hij riep de engel, en zeide tot hem:~ 494 12, 6 | 6 En ga heen in vrede.~ 495 12, 7 | hij hen beiden heimelijk en zeide tot hen: Looft God, 496 12, 7 | zeide tot hen: Looft God, en dankt hem, en geeft hem 497 12, 7 | Looft God, en dankt hem, en geeft hem heerlijkheid, 498 12, 7 | geeft hem heerlijkheid, en dankt hem voor het aanschijn 499 12, 7 | is goed dat men God love en zijn naam verheffe, en de 500 12, 7 | love en zijn naam verheffe, en de redenen der werken Gods


1-500 | 501-624

Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License