1-500 | 501-624
Chapter, Verse
1 1, 3 | in de wegen der waarheid, en der gerechtigheid, en heb
2 1, 3 | waarheid, en der gerechtigheid, en heb veel aalmoezen gedaan
3 1, 3 | gedaan aan mijn broederen, en mijn volk die tezamen met
4 1, 4 | 4 En toen ik nog was in mijn
5 1, 5 | stammen daar zouden offeren, en de tempel der woning van
6 1, 5 | Allerhoogste was geheiligd en gebouwd voor alle geslachten
7 1, 5 | alle geslachten der wereld. En al de stammen, die tezamen
8 1, 5 | tezamen afgeweken waren, en het huis Naftali, mijns
9 1, 6 | 6 En ik reisde menigmaal alleen
10 1, 6 | hebbende de eerstelingen en de tienden der vruchten,
11 1, 6 | de tienden der vruchten, en de eerste wol, en gaf deze
12 1, 6 | vruchten, en de eerste wol, en gaf deze de priesters, de
13 1, 7 | binnen Jeruzalem dienden, en de tweede tienden verkocht
14 1, 7 | tweede tienden verkocht ik, en reisde heen, en besteedde
15 1, 7 | verkocht ik, en reisde heen, en besteedde die alle jaren
16 1, 8 | 8 En de derde gaf ik die het
17 1, 9 | 9 En als ik nu een man geworden
18 1, 9 | geslacht, tot een huisvrouw, en won uit haar Tobias.~
19 1, 10| 10 En toen ik gevankelijk weggevoerd
20 1, 11| hebben al mijn broeders, en die van mijn geslacht waren,
21 1, 14| 14 En de Allerhoogste gaf mij
22 1, 14| Allerhoogste gaf mij genade, en aangenaamheid voor Enemessar,
23 1, 14| aangenaamheid voor Enemessar, en ik werd zijn inkoper.~
24 1, 15| 15 En ik reisde naar Medië,~
25 1, 16| 16 En ik gaf tien talenten zilvers
26 1, 17| 17 En toen Enemessar gestorven
27 1, 18| 18 En zijn handelingen waren ongestadig,
28 1, 18| handelingen waren ongestadig, en ik kon niet meer naar Medië
29 1, 19| 19 En in de dagen van Enemessar
30 1, 20| mijn brood de hongerigen, en klederen de naakten, en
31 1, 20| en klederen de naakten, en zo ik iemand uit mijn geslacht
32 1, 20| geslacht zag die gestorven was, en geworpen bij de muur der
33 1, 21| 21 En zo de koning Sennacherib
34 1, 21| deze nam ik heimelijk weg, en begroef hem, (want hij doodde
35 1, 21| er velen in zijn toorn) en de lichamen werden door
36 1, 21| werden door de koning gezocht en niet gevonden.~
37 1, 22| 22 En een van die van Nineve ging
38 1, 22| die van Nineve ging heen, en gaf de koning van mij te
39 1, 22| kennen, dat ik deze begroef, en ik verbergde mij, en verstaande
40 1, 22| begroef, en ik verbergde mij, en verstaande dat ik gezocht
41 1, 23| 23 En al mijn goederen zijn geplunderd
42 1, 23| zijn geplunderd geworden, en mij is niets overgelaten
43 1, 23| dan Anna mijn huisvrouw, en Tobias mijn zoon.~
44 1, 24| 24 En daar gingen geen vijfenvijftig
45 1, 24| zijn zonen hem doodden, en zij vloden op de gebergten
46 1, 24| op de gebergten Ararat, en Achirdonus, zijn zoon, werd
47 1, 24| werd koning in zijn plaats. En hij zette Achiachar, de
48 1, 24| rekeningen zijns vaders, en over al het bewind.~
49 1, 25| 25 En Achiachar verzocht het voor
50 1, 25| Achiachar verzocht het voor mij, en ik kwam weder te Nineve.
51 1, 25| Achiachar nu was schenker, en zegelbewaarder, en huisverzorger,
52 1, 25| schenker, en zegelbewaarder, en huisverzorger, en rekenmeester,
53 1, 25| zegelbewaarder, en huisverzorger, en rekenmeester, en Achirdonus
54 1, 25| huisverzorger, en rekenmeester, en Achirdonus stelde hem de
55 1, 25| hem de tweede naast zich, en hij was de zoon mijns broeders.~
56 2, 1 | 1 EN toen ik weder in mijn huis
57 2, 1 | in mijn huis ben gekomen, en mijn huisvrouw Anna en mijn
58 2, 1 | en mijn huisvrouw Anna en mijn zoon Tobias mij weder
59 2, 2 | goed middagmaal bereid, en ik was aangezeten om te
60 2, 2 | was aangezeten om te eten, en zag veel spijs, en zeide
61 2, 2 | eten, en zag veel spijs, en zeide tot mijn zoon: Ga
62 2, 2 | tot mijn zoon: Ga heen, en breng mede wie gij vinden
63 2, 2 | broederen, die gebrek heeft en des Heren gedenkt, en ziet,
64 2, 2 | heeft en des Heren gedenkt, en ziet, ik zal op u wachten.~
65 2, 3 | 3 En hij weder komende zeide:
66 2, 3 | ons geslacht ligt verworgd en geworpen op de markt.~
67 2, 4 | 4 En ik sprong op, eer ik spijs
68 2, 5 | 5 En wederkerende wies ik mij,
69 2, 5 | wederkerende wies ik mij, en at mijn brood met treurigheid.~
70 2, 6 | 6 En ik werd gedachtig der profetie
71 2, 7 | leeddragen veranderd worden, en al uw vreugde in treurgeschrei.
72 2, 7 | vreugde in treurgeschrei. En ik weende.~
73 2, 8 | 8 En als de zon ondergegaan was,
74 2, 8 | ik heen, maakte een graf en begroef hem,~
75 2, 9 | 9 En de buren belachten mij,
76 2, 9 | is voortvluchtig geweest, en ziet, wederom begraaft hij
77 2, 10| 10 En diezelfde nacht keerde ik
78 2, 10| ik weder na het begraven, en dewijl ik onrein was, sliep
79 2, 10| de muur van de voorplaats en mijn aangezicht was ontdekt,
80 2, 10| aangezicht was ontdekt, en ik wist niet dat er mussen
81 2, 11| 11 En mijn ogen opgedaan zijnde,
82 2, 11| hete mest in mijn ogen, en daar kwamen witte schellen
83 2, 11| witte schellen op mijn ogen en ik ging tot de medicijnmeesters,
84 2, 11| maar zij hielpen mij niet en Achiachar onderhield mij,
85 2, 12| 12 En mijn huisvrouw Anna maakte
86 2, 13| 13 En zond dat de heren toe, en
87 2, 13| En zond dat de heren toe, en zij gaven haar ook haar
88 2, 13| gaven haar ook haar loon, en gaven haar bovendien een
89 2, 14| 14 En toen zij bij mij gekomen
90 2, 14| was, begon het te blaten; en ik zeide tot haar: Vanwaar
91 2, 14| eten hetgeen gestolen is. En zij zeide: Het is mij tot
92 2, 14| doch ik geloofde haar niet, en zeide dat zij het de heren
93 2, 15| 15 En ik werd zeer ontsteld tegen
94 2, 15| Waar zijn nu uw aalmoezen en uw gerechtigheden? ziet
95 3, 1 | 1 TOEN werd ik droevig, en weende, en bad met smarten
96 3, 1 | werd ik droevig, en weende, en bad met smarten en sprak:~
97 3, 1 | weende, en bad met smarten en sprak:~
98 3, 2 | gij zijt rechtvaardig, en al uw wegen zijn barmhartigheid
99 3, 2 | wegen zijn barmhartigheid en waarheid, en gij oordeelt
100 3, 2 | barmhartigheid en waarheid, en gij oordeelt een waarachtig
101 3, 2 | oordeelt een waarachtig en rechtvaardig oordeel in
102 3, 3 | 3 Gedenk mijner en zie mij aan, en wreek u
103 3, 3 | Gedenk mijner en zie mij aan, en wreek u niet over mij naar
104 3, 3 | over mij naar mijn zonden en mijn onwetendheid, noch
105 3, 4 | geboden ongehoorzaam geweest, en gij hebt ons overgegeven
106 3, 4 | ons overgegeven tot roof, en in gevangenis, en ter dood,
107 3, 4 | roof, en in gevangenis, en ter dood, en tot een spreekwoord
108 3, 4 | gevangenis, en ter dood, en tot een spreekwoord der
109 3, 5 | 5 En nu Here uw oordelen zijn
110 3, 5 | Here uw oordelen zijn vele en waarachtig: doe met mij
111 3, 5 | doe met mij vanwege mijn en mijner vaderen zonden, overmits
112 3, 6 | 6 En nu zeg ik, doe met mij naar
113 3, 6 | opdat ik ontbonden mag zijn en tot aarde worden. Want het
114 3, 6 | smaadwoorden gehoord heb, en veel droefheid in mij is;
115 3, 6 | verlost worde van deze nood, en opgenomen worde in de eeuwige
116 3, 6 | in de eeuwige plaatsen, en keer uw aangezicht van mij
117 3, 8 | zeven mannen was gegeven, en Asmodeüs, de boze geest,
118 3, 9 | 9 En zij zeiden tot haar: Wordt
119 3, 10| hebt nu zeven mannen gehad, en naar niet een hunner wordt
120 3, 12| het hem een smaad zijn, en ik zal zijn ouderdom met
121 3, 13| 13 En zij bad aan het venster
122 3, 13| zij bad aan het venster en zeide:~
123 3, 14| zijt gij, o Here mijn God, en gezegend zij uw heerlijke
124 3, 14| heerlijke naam, die heilig en dierbaar is in der eeuwigheid.
125 3, 15| 15 En nu Here, ik heb mijn ogen,
126 3, 15| Here, ik heb mijn ogen, en mijn aangezicht tot u begeven.~
127 3, 16| verlossen van de aarde, en dat ik niet meer versmaadheid
128 3, 18| 18 En ik heb mijn naam niet bezoedeld,
129 3, 19| eniggeborene mijns vaders, en hij heeft geen kind dat
130 3, 22| 22 En indien het u niet goeddunkt
131 3, 23| beveel dat men mij aanzie, en zich mijner ontferme, en
132 3, 23| en zich mijner ontferme, en geef dat ik geen smaadheid
133 3, 24| 24 En het gebed dezer beiden werd
134 3, 25| 25 En Rafaël werd uitgezonden
135 3, 25| Tobias' ogen af te doen, en om Sara, de dochter van
136 3, 25| tot een vrouw te geven, en Asmodeüs de boze geest te
137 3, 25| is Tobias wedergekeerd, en in zijn huis gekomen, en
138 3, 25| en in zijn huis gekomen, en is Sara, de dochter van
139 4, 2 | 2 En hij zeide bij zichzelf:
140 4, 2 | kennen geve, eer ik sterf? En hem geroepen hebbende, zeide
141 4, 3 | ik sterf, zo begraaf mij, en veracht uw moeder niet;
142 4, 3 | al de dagen uws levens, en doe wat haar behaaglijk
143 4, 3 | wat haar behaaglijk is, en bedroef haar niet.~
144 4, 6 | alle tijd de Here onze God, en wil niet zondigen noch zijn
145 4, 6 | al de dagen uws levens, en wandel niet in de wegen
146 4, 6 | het welgaan in uw werken, en met al degenen die de gerechtigheid
147 4, 7 | aalmoezen van hetgeen gij hebt, en uw oog zij niet nijdig als
148 4, 7 | als gij aalmoezen doet, en keer uw aangezicht niet
149 4, 7 | niet af van enige arme, en het aangezicht Gods zal
150 4, 11| aalmoes van de dood verlost, en niet in de duisternis laat
151 4, 13| wacht u van alle hoererij, en neem u een vrouw van het
152 4, 13| van het zaad uwer vaderen, en neem geen vreemde vrouw,
153 4, 13| hebben uit hun broederen, en zij zijn gezegend in hun
154 4, 13| gezegend in hun kinderen, en hun zaad zal het aardrijk
155 4, 14| 14 En nu, kind, heb uw broederen
156 4, 14| heb uw broederen lief, en wend u niet hovaardig in
157 4, 14| uw hart van uw broederen, en de zonen en dochteren uws
158 4, 14| uw broederen, en de zonen en dochteren uws volks, om
159 4, 14| hovaardigheid is verderf en veel ongestadigheid, en
160 4, 14| en veel ongestadigheid, en in trotsheid vermindering
161 4, 14| in trotsheid vermindering en groot gebrek, want de trotsheid
162 4, 15| 15 En laat het loon van geen mens,
163 4, 15| maar geef hem dat terstond, en zo gij God gediend hebt,
164 4, 16| op uzelf in al uw werken, en zijt voorzichtig in al uw
165 4, 16| voorzichtig in al uw omgang, en doe niemand hetgeen hij
166 4, 16| geen wijn tot dronkenschap, en laat geen dronkenschap met
167 4, 17| degene die honger heeft, en van uw klederen hun die
168 4, 17| geef dat tot aalmoezen, en uw oog benijde het niet,
169 4, 18| graf der rechtvaardigen, en geef het niet de zondaren.~
170 4, 19| ieder die verstandig is, en veracht een nuttige raad
171 4, 20| de Here te allen tijde, en begeer van hem dat uw wegen
172 4, 20| wegen recht zijn mogen, en dat al uw paden en uw raadslagen
173 4, 20| mogen, en dat al uw paden en uw raadslagen goede voortgang
174 4, 20| zelf geeft al het goed, en zo wie hij wil vernedert
175 4, 20| gelijk het hem belieft. En nu kind, gedenk mijn geboden,
176 4, 20| kind, gedenk mijn geboden, en laat die uit uw hart niet
177 4, 21| 21 En nu voorts wijs ik u aan
178 4, 21| te bewaren gegeven heb, en vrees niet, kind, omdat
179 4, 21| indien gij God vreest, en afstaat van alle zonde,
180 4, 21| afstaat van alle zonde, en doet hetgeen behaaglijk
181 5, 1 | 1 EN Tobias antwoordende, zeide:
182 5, 3 | 3 En toen gaf hij hem het handschrift,
183 5, 3 | hij hem het handschrift, en zeide tot hem:~
184 5, 4 | trekke, terwijl ik leef, en ik zal hem loon geven, en
185 5, 4 | en ik zal hem loon geven, en trek heen, ontvang het geld.~
186 5, 5 | 5 En hij ging heen om een man
187 5, 5 | heen om een man te zoeken, en hij vond Rafaël,~
188 5, 7 | 7 En hij zeide tot hem: Zoudt
189 5, 8 | 8 En zijt gij ook in die plaats
190 5, 9 | 9 En de engel zeide tot hem:
191 5, 10| 10 En Tobias zeide tot hem: Wacht
192 5, 10| het mijn vader aanzeggen; en hij sprak tot hem: Ga heen,
193 5, 10| sprak tot hem: Ga heen, en vertoef niet.~
194 5, 11| 11 En ingegaan zijnde, zeide hij
195 5, 11| die met mij reizen zal. En hij sprak: Roep hem tot
196 5, 11| verstaan van welke stam hij is, en of hij trouw is om met u
197 5, 11| trouw is om met u te reizen; en hij riep hem.~
198 5, 12| 12 En hij kwam in, en zij groetten
199 5, 12| 12 En hij kwam in, en zij groetten elkander.~
200 5, 13| 13 En Tobias zeide tot hem: Broeder
201 5, 13| Broeder uit welke stam en uit welk geslacht zijt gij?
202 5, 14| 14 En hij zeide tot hem: Zoekt
203 5, 14| loon met uw zoon heenreize? En Tobias zeide tot hem: Broeder,
204 5, 14| Broeder, ik wilde uw geslacht en naam wel weten.~
205 5, 16| 16 En Tobias zeide: Welkom zijt
206 5, 17| 17 En wil over mij niet gram worden,
207 5, 17| omdat ik gezocht heb uw stam en geslacht te weten.~
208 5, 18| broeder, uit een eerlijk en goed geslacht. Want ik ken
209 5, 18| geslacht. Want ik ken Ananias en Jonathan, de zonen van de
210 5, 19| eerstgeborenen van het vee en de tienden der vruchten.~
211 5, 20| 20 En zij zijn niet verleid geworden
212 5, 21| een drachme des daags, en hetgeen u nodig zijn zal,
213 5, 21| zal, gelijk als mijn zoon, en ik zal boven het loon u
214 5, 22| 22 En zij zijn zo overeengekomen.~
215 5, 23| 23 En hij zeide tot Tobias: Maak
216 5, 23| Maak u gereed tot de weg, en het ga ulieden wel.~
217 5, 24| 24 En zijn zoon bereidde hetgeen
218 5, 24| hetgeen tot de reis nodig was, en zijn vader zeide tot hem:
219 5, 24| Trek met deze man heen, en God die in de hemel woont,
220 5, 24| uw weg voorspoedig maken, en de engel Gods trekke met
221 5, 25| 25 En zij gingen beiden uit om
222 5, 25| beiden uit om weg te gaan, en de hond des jongelings ging
223 5, 25| jongelings ging met hen. En Anna, zijn moeder, schreide,
224 5, 25| zijn moeder, schreide, en sprak tot Tobias: Waarom
225 5, 25| gij ons kind weggezonden, en is hij niet de stok van
226 5, 25| van onze hand, als hij uit en ingaat voor ons?~
227 5, 28| 28 En Tobias zeide tot haar: Heb
228 5, 28| zal gezond weder komen, en uw ogen zullen hem zien.~
229 5, 29| engel zal met hem trekken, en zijn reis zal voorspoedig
230 5, 29| reis zal voorspoedig zijn, en hij zal gezond weder keren;
231 5, 29| zal gezond weder keren; en zij hield op van schreien.~
232 6, 1 | 1 EN ze reisden hun weg heen,
233 6, 1 | ze reisden hun weg heen, en kwamen tegen de avond aan
234 6, 1 | avond aan de rivier Tigris, en vernachtten aldaar.~
235 6, 2 | 2 En de jongeling klom neder
236 6, 2 | neder om zich te wassen, en een vis schoot op uit de
237 6, 3 | 3 En hij wilde de jongeling verslinden.~
238 6, 5 | 5 En de jongeling vatte de vis
239 6, 5 | de jongeling vatte de vis en wierp hem op het land.~
240 6, 6 | 6 En de engel zeide tot hem:
241 6, 6 | Snijd de vis in stukken, en neem het hart, en de lever,
242 6, 6 | stukken, en neem het hart, en de lever, en de gal, en
243 6, 6 | neem het hart, en de lever, en de gal, en leg ze weg om
244 6, 6 | en de lever, en de gal, en leg ze weg om te bewaren.~
245 6, 7 | 7 En de jongeling deed gelijk
246 6, 7 | had, maar de vis braadden en aten zij, en zij reisden
247 6, 7 | vis braadden en aten zij, en zij reisden beiden hun weg,
248 6, 8 | 8 En de jongeling zeide tot de
249 6, 8 | broeder, wat is van het hart, en de lever, en de gal van
250 6, 8 | van het hart, en de lever, en de gal van deze vis?~
251 6, 9 | 9 En hij zeide tot hem: Wat het
252 6, 9 | zeide tot hem: Wat het hart en de lever betreft, indien
253 6, 9 | voor die man of die vrouw, en hij zal niet meer gekweld
254 6, 10| 10 En bestrijk met de gal een
255 6, 10| schellen heeft op zijn ogen, en hij zal genezen worden.~
256 6, 11| 11 En zo zij nu nabij Ragis gekomen
257 6, 12| Raguël ter herberg gaan, en deze is uw bloedvriend,
258 6, 12| deze is uw bloedvriend, en hij heeft een eniggeboren
259 6, 13| u komt haar erfenis toe. En gij zijt alleen over uit
260 6, 13| over uit haar geslacht; en zij is schoon en verstandig.~
261 6, 13| geslacht; en zij is schoon en verstandig.~
262 6, 14| 14 En nu hoor mij, ik zal haar
263 6, 14| zal haar vader aanspreken, en wanneer wij weder zullen
264 6, 15| gegeven is aan zeven mannen, en dat zij allen in haar bruidskamer
265 6, 16| 16 En nu, ik ben een enig kind
266 6, 16| enig kind mijns vaders, en vrees dat ik tot haar ingaande
267 6, 16| dan die tot haar ingaan. En nu vrees ik dat ik zou sterven,
268 6, 16| vrees ik dat ik zou sterven, en ik zou het leven van mijn
269 6, 16| het leven van mijn vader en van mijn moeder met smarten
270 6, 16| hun graf neder brengen, en zij hebben geen andere zoon
271 6, 17| 17 En de engel zeide tot hem:
272 6, 18| 18 En nu hoor mij, broeder, want
273 6, 18| want zij zal uw vrouw zijn. En heb geen zorg voor die duivel.~
274 6, 19| een vrouw gegeven worden, en als gij ingaat in de bruidskamer,
275 6, 19| nemen van het reukoffer, en zult daarop leggen van het
276 6, 19| daarop leggen van het hart en van de lever van de vis,
277 6, 19| van de lever van de vis, en zult roken.~
278 6, 20| 20 En de duivel zal het ruiken
279 6, 20| de duivel zal het ruiken en zal vluchten, en zal in
280 6, 20| ruiken en zal vluchten, en zal in alle eeuwigheid niet
281 6, 21| ingaan, zo staat beiden op, en roept de barmhartige God
282 6, 21| de barmhartige God aan, en Hij zal u behouden, en zich
283 6, 21| en Hij zal u behouden, en zich uwer ontfermen.~
284 6, 22| 22 En vrees niet, dewijl deze
285 6, 22| bereid van der eeuwigheid, en gij zult haar behouden,
286 6, 22| gij zult haar behouden, en zij zal met u trekken, en
287 6, 22| en zij zal met u trekken, en ik zeg u, dat u kinderen
288 6, 23| 23 En als Tobias dat hoorde, kreeg
289 6, 23| hoorde, kreeg hij haar lief, en zijn ziel hing zeer aan
290 6, 23| ziel hing zeer aan haar, en zij kwamen te Ecbatana.~
291 7, 1 | 1 EN gingen tot het huis van
292 7, 1 | tot het huis van Raguël, en Sara kwam hen tegemoet,
293 7, 1 | Sara kwam hen tegemoet, en groette hen, en zij weder
294 7, 1 | tegemoet, en groette hen, en zij weder haar.~
295 7, 2 | 2 En zij bracht hen in het huis,
296 7, 2 | bracht hen in het huis, en Raguël zeide tot zijn vrouw
297 7, 3 | 3 En Raguël vroeg hun: Van waar
298 7, 4 | 4 En zij zeiden tot hem: Uit
299 7, 5 | 5 En hij zeide tot hen: Kent
300 7, 5 | Tobias, onze broeder, wel? En zij zeiden: Ja wij kennen
301 7, 6 | 6 En hij zeide tot hen: Is hij
302 7, 6 | Zij zeiden: Hij leeft nog, en is gezond; en Tobias zeide:
303 7, 6 | leeft nog, en is gezond; en Tobias zeide: Het is mijn
304 7, 7 | 7 En Raguël sprong op en kuste
305 7, 7 | 7 En Raguël sprong op en kuste hem, en weende, en
306 7, 7 | sprong op en kuste hem, en weende, en zegende hem,
307 7, 7 | en kuste hem, en weende, en zegende hem, en zeide tot
308 7, 7 | weende, en zegende hem, en zeide tot hem: Gij zijt
309 7, 7 | Gij zijt eens eerlijken en goeden mans zoon. En als
310 7, 7 | eerlijken en goeden mans zoon. En als hij hoorde, dat Tobias
311 7, 7 | verloren, werd hij bedroefd en weende.~
312 7, 8 | 8 En Edna, zijn vrouw, en Sara
313 7, 8 | 8 En Edna, zijn vrouw, en Sara zijn dochter weenden
314 7, 9 | 9 En zij ontvingen hen vriendelijk,
315 7, 9 | ontvingen hen vriendelijk, en slachtten een ram van de
316 7, 9 | een ram van de schapen, en zetten hun veel spijs voor.
317 7, 9 | gij gezegd hebt op de weg, en laat de zaak volbracht worden;
318 7, 9 | de zaak volbracht worden; en hij stelde Raguël die rede
319 7, 10| 10 En Raguël zeide tot Tobias:
320 7, 10| Raguël zeide tot Tobias: Eet en drink, en zijt vrolijk;
321 7, 10| tot Tobias: Eet en drink, en zijt vrolijk; want u komt
322 7, 11| aan zeven mannen gegeven, en wanneer zij nu tot haar
323 7, 12| 12 En Tobias zeide: Ik zal hier
324 7, 12| totdat gij hier zult staan, en, het mij toegestaan zult
325 7, 12| want gij zijt haar broeder, en zij is uw zuster.~
326 7, 13| 13 En de barmhartige God brenge
327 7, 14| 14 En hij riep zijn dochter Sara,
328 7, 14| riep zijn dochter Sara, en zij kwam tot haar vader.~
329 7, 15| 15 En nemende haar bij de hand,
330 7, 15| haar Tobias tot een vrouw, en zeide: Zie, neem haar naar
331 7, 15| de wet van Mozes tot u, en breng haar tot uw vader;
332 7, 15| breng haar tot uw vader; en hij zegende haar.~
333 7, 16| 16 En hij riep Edna, zijn vrouw,
334 7, 16| hij riep Edna, zijn vrouw, en nam een boekje, en schreef
335 7, 16| vrouw, en nam een boekje, en schreef een handschrift
336 7, 16| schreef een handschrift en verzegelde dat.~
337 7, 17| 17 En zij begonnen te eten.~
338 7, 18| Raguël zijn vrouw Edna, en zeide tot haar: Zuster,
339 7, 18| bereid de andere kamer, en breng hen daarin.~
340 7, 19| 19 En zij deed gelijk hij zeide,
341 7, 19| zij deed gelijk hij zeide, en zij bracht hen daar, en
342 7, 19| en zij bracht hen daar, en zij weende, en ontving ook
343 7, 19| hen daar, en zij weende, en ontving ook de tranen van
344 7, 20| 20 En zij zeide tot haar: Heb
345 7, 20| dochter, de Here des hemels en der aarde geve u vreugde
346 8, 1 | 1 EN als zij nu het avondmaal
347 8, 2 | 2 En als hij ging, dacht hij
348 8, 2 | aan de woorden van Rafaël, en nam de as der reukofferen,
349 8, 2 | nam de as der reukofferen, en legde het hart en de lever
350 8, 2 | reukofferen, en legde het hart en de lever van de vis daarop
351 8, 2 | lever van de vis daarop en maakte rook.~
352 8, 3 | 3 En als de duivel de reuk rook,
353 8, 3 | bovenste delen van Egypte, en de engel bond hem daar.~
354 8, 4 | 4 En als zij nu beiden bij elkander
355 8, 4 | stond Tobias op van het bed, en zeide: Sta op, zuster, en
356 8, 4 | en zeide: Sta op, zuster, en laat ons bidden, opdat zich
357 8, 5 | 5 En Tobias begon te zeggen:
358 8, 5 | gij, o God onzer vaderen, en geloofd zij uw naam, die
359 8, 5 | zij uw naam, die heilig en heerlijk is in der eeuwigheid,
360 8, 5 | moeten de hemelen loven, en al uw schepselen.~
361 8, 6 | 6 Gij hebt Adam gemaakt, en gij hebt hem Eva zijn vrouw
362 8, 6 | zijn vrouw tot een hulp en steunsel gegeven; uit deze
363 8, 7 | 7 En nu Here, niet om hoererij
364 8, 8 | dat men mijner ontferme, en dat ik met haar samen oud
365 8, 8 | haar samen oud mag worden. En zij zeide met hem Amen.
366 8, 8 | zij zeide met hem Amen. En zij sliepen beiden de nacht
367 8, 9 | 9 En Raguël stond op, en ging
368 8, 9 | 9 En Raguël stond op, en ging heen, en groef een
369 8, 9 | stond op, en ging heen, en groef een graf, zeggende:
370 8, 10| 10 En Raguël kwam in zijn huis,
371 8, 10| Raguël kwam in zijn huis, en zeide tot Edna zijn vrouw:~
372 8, 11| Zend een der dienstmaagden, en laat haar zien of hij leeft;
373 8, 11| haar zien of hij leeft; en indien niet, dat ik hem
374 8, 11| dat ik hem mag begraven, en het niemand wete.~
375 8, 12| 12 En als de dienstmaagd de deur
376 8, 12| opengedaan had, ging zij in, en vond hen beiden slapende.~
377 8, 13| 13 En zij kwam weder uit, en boodschapte
378 8, 13| 13 En zij kwam weder uit, en boodschapte hun, dat hij
379 8, 14| 14 En Raguël loofde God, zeggende:
380 8, 14| o God, met alle zuivere en heilige lof; loven moeten
381 8, 14| loven moeten u uw heiligen, en al uw schepselen, en al
382 8, 14| heiligen, en al uw schepselen, en al uw engelen, en uw uitverkorenen;
383 8, 14| schepselen, en al uw engelen, en uw uitverkorenen; loven
384 8, 14| dat gij mij hebt verheugd, en dat mij niet is geschied,
385 8, 15| o Here, barmhartigheid en voleindig hun leven in gezondheid,
386 8, 15| gezondheid, met vreugde en barmhartigheid.~
387 8, 16| 16 En hij beval de huisknechten
388 8, 17| 17 En hij bereidde hun een bruiloft
389 8, 17| bruiloft van veertien dagen, en Raguël zeide tot hem met
390 8, 18| 18 En dan zou hij de helft van
391 8, 18| goederen tot zich nemen, en met gezondheid tot zijn
392 8, 18| tot zijn vader trekken, en het overige zeide hij zal
393 8, 18| zal u geworden, wanneer ik en mijn vrouw zullen gestorvan
394 9, 1 | 1 EN Tobias riep Rafaël,~
395 9, 2 | 2 En zeide tot hem: Azarias,
396 9, 3 | 3 Neem met u een jongen, en twee kemels, en trek naar
397 9, 3 | jongen, en twee kemels, en trek naar Ragis in Medië,
398 9, 3 | Ragis in Medië, tot Gabaël, en haal mij het geld, en breng
399 9, 3 | Gabaël, en haal mij het geld, en breng hem mede tot de bruiloft,
400 9, 4 | 4 En mijn vader telt de dagen.~
401 9, 5 | 5 En indien ik lang vertoef,
402 9, 6 | 6 En Rafaël reisde heen, en vernachtte
403 9, 6 | 6 En Rafaël reisde heen, en vernachtte bij Gabaël, en
404 9, 6 | en vernachtte bij Gabaël, en gaf hem het handschrift.~
405 9, 7 | zo zij verzegeld waren, en gaf ze hem.~
406 9, 8 | 8 En des morgens vroeg gingen
407 9, 8 | vroeg gingen zij te zamen, en kwamen tot de bruiloft.
408 9, 8 | kwamen tot de bruiloft. En Tobias zegende zijn vrouw.~
409 10, 1 | 1 EN Tobias, zijn vader, rekende
410 10, 1 | vader, rekende elke dag; en als de dagen der reis vervuld
411 10, 1 | der reis vervuld waren, en zij niet kwamen, zo zeide
412 10, 3 | 3 En hij werd zeer bedroefd.
413 10, 3 | hij werd zeer bedroefd. En zijn vrouw zeide tot hem:
414 10, 4 | 4 En zij begon hem te bewenen.~
415 10, 5 | 5 En zeide: Och het rouwt mij,
416 10, 6 | 6 En Tobias zeide tot haar: Zwijg
417 10, 6 | zeide tot haar: Zwijg stil, en bekommer u niet, hij is
418 10, 7 | tot hem: Zwijg gij stil en bedrieg mij niet, mijn kind
419 10, 7 | mijn kind is omgekomen; en zij ging alle dagen buiten
420 10, 8 | Des daags nu at zij niet, en des nachts hield zij niet
421 10, 10| 10 En Tobias zeide tot Raguël:
422 10, 10| heengaan; want mijn vader en mijn moeder hopen niet meer
423 10, 11| 11 En zijn schoonvader zeide tot
424 10, 11| tot hem: Blijf bij mij, en ik zal tot uw vader zenden,
425 10, 11| zal tot uw vader zenden, en zal hem laten weten, hoe
426 10, 11| weten, hoe het met u gaat. En Tobias zeide: Neen, maar
427 10, 11| tot mijn vader trekken; en Raguël stond op, en gaf
428 10, 11| trekken; en Raguël stond op, en gaf hem Sara zijn vrouw,
429 10, 11| gaf hem Sara zijn vrouw, en de helft van zijn goederen,
430 10, 11| van zijn goederen, slaven, en beesten, en geld.~
431 10, 11| goederen, slaven, en beesten, en geld.~
432 10, 12| 12 En als hij hen gezegend had
433 10, 12| gezegend had liet hij hen gaan, en zeide: Kinderen, de God
434 10, 12| voorspoed, eer ik sterve. En hij zeide tot zijn dochter:
435 10, 12| een goed gerucht horen; en hij kuste haar.~
436 10, 13| 13 En Edna zeide tot Tobias: Lieve
437 10, 13| des hemels brenge u weder; en geve mij dat ik uw kinderen
438 10, 13| verheugen mag voor de Here. En zie ik geef u mijn dochter
439 10, 13| had voorspoedig gemaakt. En hij zegende Raguël en Edna,
440 10, 13| gemaakt. En hij zegende Raguël en Edna, zijn vrouw.~ ~ ~
441 11, 1 | 1 EN hij reisde voort totdat
442 11, 2 | 2 En Rafaël zeide tot Tobias:
443 11, 3 | vooruit lopen voor uw vrouw, en het huis bereiden.~
444 11, 4 | 4 En neem de gal van de vis in
445 11, 5 | 5 En zij trokken heen, en de
446 11, 5 | 5 En zij trokken heen, en de hond kwam mede achter
447 11, 6 | 6 En Anna zat en zag rondom naar
448 11, 6 | 6 En Anna zat en zag rondom naar haar zoon
449 11, 6 | naar haar zoon op de weg en zij werd hem gewaar toen
450 11, 6 | hem gewaar toen hij kwam en zeide tot zijn vader:~
451 11, 7 | 7 Zie uw zoon komt, en de man die met hem getrokken
452 11, 7 | die met hem getrokken is; en Rafaël zeide: Ik weet dat
453 11, 8 | gij de gal in zijn ogen, en als het hem bijt zo zal
454 11, 8 | bijt zo zal hij ze wrijven, en de witte schellen uitwerpen,
455 11, 8 | witte schellen uitwerpen, en hij zal u zien.~
456 11, 9 | 9 En Anna liep toe en viel haar
457 11, 9 | 9 En Anna liep toe en viel haar zoon aan de hals,
458 11, 9 | viel haar zoon aan de hals, en zeide tot hem: Kind, ik
459 11, 9 | thans wil ik wel sterven; en zij weenden beiden.~ groot~
460 11, 10| 10 En Tobias kwam uit naar de
461 11, 10| Tobias kwam uit naar de deur en stiet zich daaraan; doch
462 11, 10| zijn zoon liep hem tegen, en greep zijn vader; en streek
463 11, 10| tegen, en greep zijn vader; en streek de gal op de ogen
464 11, 10| Heb goede moed, vader; en als zij gebeten waren, wreef
465 11, 10| waren, wreef hij zijn ogen, en de witte schellen werden
466 11, 11| 11 En ziende zijn zoon, viel hij
467 11, 11| viel hij aan zijn hals, en weende en zeide:~
468 11, 11| aan zijn hals, en weende en zeide:~
469 11, 13| 13 En geloofd zij uw naam in der
470 11, 14| 14 En geloofd zijn al uw heilige
471 11, 14| gij hebt mij gekastijd, en hebt u mijner ontfermd.~
472 11, 16| 16 En zijn zoon verblijd zijnde
473 11, 17| 17 En boodschapte zijn vader de
474 11, 18| 18 En Tobias ging uit, zijn schoondochter
475 11, 18| tegemoet, verblijd zijnde, en God lovende, tot aan de
476 11, 18| aan de poort van Nineve; en die hem zagen gaan, verwonderden
477 11, 18| verwonderden zich dat hij zag. En Tobias bekende openlijk
478 11, 18| zich zijner had ontfermd. En als Tobias bij Sara, zijn
479 11, 18| gebracht: desgelijks uw vader en uw moeder. En daar werd
480 11, 18| desgelijks uw vader en uw moeder. En daar werd blijdschap onder
481 11, 19| 19 En Achiachar en Nasbas, zijns
482 11, 19| 19 En Achiachar en Nasbas, zijns broeders zoon,
483 11, 20| 20 En de bruiloft van Tobias werd
484 12, 1 | 1 EN Tobias riep zijn zoon Tobias
485 12, 1 | Tobias riep zijn zoon Tobias en zeide tot hem: Ziet, zoon,
486 12, 1 | gekomen is, het loon geeft, en bovendien moet hem nog iets
487 12, 2 | 2 En Tobias zeide tot hem: Vader,
488 12, 3 | mij u gezond wedergebracht en mijn vrouw genezen, en hij
489 12, 3 | wedergebracht en mijn vrouw genezen, en hij heeft mijn geld gehaald,
490 12, 3 | heeft mijn geld gehaald, en u insgelijks genezen; en
491 12, 3 | en u insgelijks genezen; en de oude man zeide: Hem zal
492 12, 4 | 4 En hij riep de engel, en zeide
493 12, 4 | 4 En hij riep de engel, en zeide tot hem:~
494 12, 6 | 6 En ga heen in vrede.~
495 12, 7 | hij hen beiden heimelijk en zeide tot hen: Looft God,
496 12, 7 | zeide tot hen: Looft God, en dankt hem, en geeft hem
497 12, 7 | Looft God, en dankt hem, en geeft hem heerlijkheid,
498 12, 7 | geeft hem heerlijkheid, en dankt hem voor het aanschijn
499 12, 7 | is goed dat men God love en zijn naam verheffe, en de
500 12, 7 | love en zijn naam verheffe, en de redenen der werken Gods
1-500 | 501-624 |