Chapter, Verse
1 1, 9 | 9 En als ik nu een man geworden was, zo
2 1, 25| weder te Nineve. Achiachar nu was schenker, en zegelbewaarder,
3 2, 15| zeide tot mij: Waar zijn nu uw aalmoezen en uw gerechtigheden?
4 3, 5 | 5 En nu Here uw oordelen zijn vele
5 3, 6 | 6 En nu zeg ik, doe met mij naar
6 3, 6 | in mij is; beveel dat ik nu verlost worde van deze nood,
7 3, 10| 10 Gij hebt nu zeven mannen gehad, en naar
8 3, 15| 15 En nu Here, ik heb mijn ogen,
9 4, 14| 14 En nu, kind, heb uw broederen
10 4, 20| gelijk het hem belieft. En nu kind, gedenk mijn geboden,
11 4, 21| 21 En nu voorts wijs ik u aan de
12 6, 11| 11 En zo zij nu nabij Ragis gekomen waren,~
13 6, 14| 14 En nu hoor mij, ik zal haar vader
14 6, 16| 16 En nu, ik ben een enig kind mijns
15 6, 16| die tot haar ingaan. En nu vrees ik dat ik zou sterven,
16 6, 18| 18 En nu hoor mij, broeder, want
17 6, 21| 21 Maar wanneer gij nu tot haar zult ingaan, zo
18 7, 11| gegeven, en wanneer zij nu tot haar zouden ingaan,
19 7, 11| tegen die nacht. Maar wat nu belangt, zijt vrolijk.~
20 7, 12| Raguël zeide: Neem haar van nu aan tot u, naar recht, want
21 8, 1 | 1 EN als zij nu het avondmaal geëindigd
22 8, 4 | 4 En als zij nu beiden bij elkander gesloten
23 8, 7 | 7 En nu Here, niet om hoererij neem
24 9, 7 | 7 Deze nu bracht de zakjes tot hem,
25 10, 8 | 8 Des daags nu at zij niet, en des nachts
26 10, 12| ouders in ere, die zijn nu uw ouders, laat mij van
27 12, 12| 12 Wanneer gij dan nu badt, gij, en uw schoondochter
28 12, 14| 14 En nu heeft mij God gezonden om
29 12, 20| 20 En nu dankt God, want ik klim
30 13, 6 | 6 Ik nu zal in het land mijner gevangenis
31 14, 9 | 9 En nu, mijn zoon, vertrek van
32 14, 12| 12 En nu, mijn kind, zie wat aalmoezen
|