Chapter, Verse
1 1, 8 | had; dewijl ik van mijn vader wees was gelaten.~
2 2, 3 | hij weder komende zeide: Vader, een uit ons geslacht ligt
3 5, 1 | Tobias antwoordende, zeide: Vader, alles wat gij mij geboden
4 5, 10| op mij, ik zal het mijn vader aanzeggen; en hij sprak
5 5, 11| zijnde, zeide hij tot zijn vader: Zie ik heb een gevonden
6 5, 24| reis nodig was, en zijn vader zeide tot hem: Trek met
7 6, 14| nu hoor mij, ik zal haar vader aanspreken, en wanneer wij
8 6, 16| ik zou het leven van mijn vader en van mijn moeder met smarten
9 6, 17| niet de woorden, die uw vader u bevolen heeft, dat gij
10 7, 6 | Tobias zeide: Het is mijn vader.~
11 7, 14| Sara, en zij kwam tot haar vader.~
12 7, 15| u, en breng haar tot uw vader; en hij zegende haar.~
13 8, 18| met gezondheid tot zijn vader trekken, en het overige
14 9, 4 | 4 En mijn vader telt de dagen.~
15 10, 1 | 1 EN Tobias, zijn vader, rekende elke dag; en als
16 10, 10| mij heengaan; want mijn vader en mijn moeder hopen niet
17 10, 11| bij mij, en ik zal tot uw vader zenden, en zal hem laten
18 10, 11| maar laat mij toch tot mijn vader trekken; en Raguël stond
19 11, 2 | weet, broeder, hoe gij uw vader achtergelaten hebt.~
20 11, 6 | hij kwam en zeide tot zijn vader:~
21 11, 7 | Rafaël zeide: Ik weet dat uw vader zijn ogen zal opendoen.~
22 11, 10| hem tegen, en greep zijn vader; en streek de gal op de
23 11, 10| zeggende: Heb goede moed, vader; en als zij gebeten waren,
24 11, 17| 17 En boodschapte zijn vader de grote dingen, die geschied
25 11, 18| gebracht: desgelijks uw vader en uw moeder. En daar werd
26 12, 2 | En Tobias zeide tot hem: Vader, ik heb geen bezwaar hem
27 13, 3 | onze Here is, en God onze Vader is in alle eeuwigheid.~
28 14, 14| begroef hij die bij zijn vader. En Tobias met zijn vrouw
|