Chapter, Verse
1 1, 12| 12 Maar ik bewaarde mijn ziel, dat
2 2, 11| tot de medicijnmeesters, maar zij hielpen mij niet en
3 2, 15| zeer ontsteld tegen haar, maar zij, antwoordende, zeide
4 4, 15| heeft, bij u vernachten, maar geef hem dat terstond, en
5 4, 20| volk heeft raad bij zich; maar de Here zelf geeft al het
6 5, 2 | 2 Maar hoe zal ik dat geld kunnen
7 5, 6 | 6 Welke was een engel, maar hij wist het niet.~
8 5, 21| van een groot geslacht. Maar zeg mij, wat loon zal ik
9 5, 26| nooit voorgekomen ware, maar dat hetgeen wij bijeengeschraapt
10 6, 4 | 4 Maar de engel zeide tot hem:
11 6, 7 | de engel hem gezegd had, maar de vis braadden en aten
12 6, 21| 21 Maar wanneer gij nu tot haar
13 7, 9 | zetten hun veel spijs voor. Maar Tobias zeide tot Rafaël:
14 7, 11| stierven zij tegen die nacht. Maar wat nu belangt, zijt vrolijk.~
15 8, 7 | neem ik deze mijn zuster, maar in oprechtheid.~
16 8, 14| hetgeen ik gedacht had. Maar gij hebt met ons gehandeld
17 10, 7 | 7 Maar zij zeide tot hem: Zwijg
18 10, 11| En Tobias zeide: Neen, maar laat mij toch tot mijn vader
19 12, 8 | eens konings bedekt houdt, maar het is heerlijk dat men
20 12, 10| 10 Maar die zondigen, zijn vijanden
21 12, 11| konings bedekt te houden, maar dat het heerlijk is de werken
22 12, 13| goeddoen niet onbekend, maar ik was bij u.~
23 12, 17| want vrede zal u zijn, maar looft God.~
24 12, 18| door mijn eigen genade, maar door de wil van onze God;
25 12, 19| gegeten noch gedronken, maar gij hebt een gezicht daarvan
26 14, 7 | zullen het huis bouwen, maar niet zodanig als het eerste
27 14, 9 | profeet Jona gesproken heeft, maar gij, bewaar de wet en de
28 14, 11| die zij hem gelegd hadden, maar Haman is in de strik gevallen
|