Chapter, Verse
1 1, 4 | 4 En toen ik nog was in mijn land, in het land
2 1, 4 | land Israëls, als ik jong was, het gehele geslacht Naftali,
3 1, 4 | Jeruzalem, hetwelk uitverkoren was, uit alle stammen Israëls,~
4 1, 5 | woning van de Allerhoogste was geheiligd en gebouwd voor
5 1, 8 | dewijl ik van mijn vader wees was gelaten.~
6 1, 9 | als ik nu een man geworden was, zo nam ik Anna, uit het
7 1, 17| toen Enemessar gestorven was, werd Sennacherib, zijn
8 1, 20| geslacht zag die gestorven was, en geworpen bij de muur
9 1, 25| te Nineve. Achiachar nu was schenker, en zegelbewaarder,
10 1, 25| tweede naast zich, en hij was de zoon mijns broeders.~
11 2, 2 | middagmaal bereid, en ik was aangezeten om te eten, en
12 2, 8 | En als de zon ondergegaan was, ging ik heen, maakte een
13 2, 10| begraven, en dewijl ik onrein was, sliep ik aan de muur van
14 2, 10| voorplaats en mijn aangezicht was ontdekt, en ik wist niet
15 2, 14| toen zij bij mij gekomen was, begon het te blaten; en
16 3, 8 | Omdat zij aan zeven mannen was gegeven, en Asmodeüs, de
17 5, 6 | 6 Welke was een engel, maar hij wist
18 5, 24| hetgeen tot de reis nodig was, en zijn vader zeide tot
19 10, 7 | waarlangs hij vertrokken was.~
20 12, 13| gij de doden begroeft, zo was ik insgelijks bij u; en
21 12, 13| met grafdoeken bewondt, zo was mij uw goeddoen niet onbekend,
22 12, 13| goeddoen niet onbekend, maar ik was bij u.~
23 12, 21| des Heren door hen gezien was.~
24 14, 2 | 2 En was acht en vijftig jaren oud,
25 14, 7 | niet zodanig als het eerste was, totdat de tijden der wereld
26 14, 13| ziel op het bed. En hij was honderdachtenvijftig jaren
27 14, 14| zijn moeder, gestorven was, zo begroef hij die bij
|