Chapter, Verse
1 1, 3 | 3 Ik, Tobias, heb al de dagen mijns levens
2 1, 3 | en der gerechtigheid, en heb veel aalmoezen gedaan aan
3 3, 6 | valse smaadwoorden gehoord heb, en veel droefheid in mij
4 3, 15| 15 En nu Here, ik heb mijn ogen, en mijn aangezicht
5 3, 16| 16 Ik heb gezegd, dat gij mij zoudt
6 3, 18| 18 En ik heb mijn naam niet bezoedeld,
7 4, 2 | hij zeide bij zichzelf: Ik heb om de dood gebeden, waarom
8 4, 14| 14 En nu, kind, heb uw broederen lief, en wend
9 4, 16| 16 Kind, heb acht op uzelf in al uw werken,
10 4, 21| Medië, te bewaren gegeven heb, en vrees niet, kind, omdat
11 5, 9 | zal met u trekken, want ik heb bij Gabaël onze broeder
12 5, 11| hij tot zijn vader: Zie ik heb een gevonden die met mij
13 5, 17| worden, omdat ik gezocht heb uw stam en geslacht te weten.~
14 5, 28| En Tobias zeide tot haar: Heb geen zorg, zuster, hij zal
15 6, 15| engel: Azarias, broeder, ik heb gehoord dat deze dochter
16 6, 18| zij zal uw vrouw zijn. En heb geen zorg voor die duivel.~
17 7, 11| de waarheid openbaren. Ik heb mijn dochter aan zeven mannen
18 7, 20| 20 En zij zeide tot haar: Heb goede moed, dochter, de
19 7, 20| voor deze uw droefheid, heb goede moed, dochter.~
20 10, 5 | mij, mijn kind, dat ik u heb laten gaan, die toch waart
21 11, 9 | zeide tot hem: Kind, ik heb u gezien, thans wil ik wel
22 11, 10| zijns vaders, zeggende: Heb goede moed, vader; en als
23 12, 2 | zeide tot hem: Vader, ik heb geen bezwaar hem de helft
24 12, 2 | van al dat ik meegebracht heb.~
25 12, 11| geen zaak verbergen; ik heb reeds gezegd, dat het goed
26 12, 19| ben ik door u gezien, en heb noch gegeten noch gedronken,
27 14, 9 | de wet en de geboden, en heb barmhartigheid lief, en
|