Chapter, Verse
1 2, 2 | onze broederen, die gebrek heeft en des Heren gedenkt, en
2 3, 19| eniggeborene mijns vaders, en hij heeft geen kind dat zijn erfgenaam
3 4, 4 | kind, dat zij veel gevaar heeft uitgestaan om uwentwil in
4 4, 15| mens, die voor u gearbeid heeft, bij u vernachten, maar
5 4, 17| brood degene die honger heeft, en van uw klederen hun
6 4, 20| mogen hebben. Want geen volk heeft raad bij zich; maar de Here
7 6, 10| mens, die witte schellen heeft op zijn ogen, en hij zal
8 6, 12| is uw bloedvriend, en hij heeft een eniggeboren dochter,
9 6, 17| die uw vader u bevolen heeft, dat gij een huisvrouw zoudt
10 9, 3 | dewijl Raguël gezworen heeft, dat ik van hier niet gaan
11 11, 18| geloofd zij God die u tot ons heeft gebracht: desgelijks uw
12 12, 3 | 3 Want hij heeft mij u gezond wedergebracht
13 12, 3 | mijn vrouw genezen, en hij heeft mijn geld gehaald, en u
14 12, 7 | dingen die hij u gedaan heeft. Het is goed dat men God
15 12, 14| 14 En nu heeft mij God gezonden om u te
16 12, 20| degene, die mij gezonden heeft, en schrijf al wat geschied
17 13, 3 | dewijl hij ons onder deze heeft verstrooid; vertoont daar
18 13, 4 | welke hij ons verstrooid heeft. Zo gij tot hem wederkeert
19 13, 21| zij God, die ons verheven heeft in alle eeuwigheid.~
20 14, 6 | alles wat Jona de profeet heeft gesproken over Nineve geschieden
21 14, 9 | de profeet Jona gesproken heeft, maar gij, bewaar de wet
22 14, 10| zoon, zie, wat Haman gedaan heeft aan Achiachar, die hem opgevoed
23 14, 10| in de duisternis gebracht heeft; en wat hij hem vergolden
24 14, 10| en wat hij hem vergolden heeft.~
25 14, 11| verlost geworden, doch hijzelf heeft zijn vergelding gekregen,
26 14, 11| duisternis nedergedaald. Manasse heeft aalmoezen gedaan, en is
|