Chapter, Verse
1 1, 2 | Thisbe: welke gelegen is aan de rechter zijde der stad,
2 1, 3 | heb veel aalmoezen gedaan aan mijn broederen, en mijn
3 1, 6 | feestdagen, gelijk bevolen is aan al het volk Israëls met
4 1, 16| talenten zilvers in bewaring aan Gabaël, de broeder van Gabriël,
5 1, 19| Enemessar deed ik veel aalmoezen aan mijn broederen.~
6 2, 10| ik onrein was, sliep ik aan de muur van de voorplaats
7 3, 3 | Gedenk mijner en zie mij aan, en wreek u niet over mij
8 3, 8 | 8 Omdat zij aan zeven mannen was gegeven,
9 3, 13| 13 En zij bad aan het venster en zeide:~
10 3, 25| de dochter van Raguël, aan Tobias de zoon van Tobias
11 4, 21| 21 En nu voorts wijs ik u aan de tien talenten zilvers,
12 4, 21| talenten zilvers, die ik aan Gabaël, de zoon van Gabrias
13 6, 1 | en kwamen tegen de avond aan de rivier Tigris, en vernachtten
14 6, 4 | zeide tot hem: Grijp de vis aan.~
15 6, 15| deze dochter gegeven is aan zeven mannen, en dat zij
16 6, 21| roept de barmhartige God aan, en Hij zal u behouden,
17 6, 23| en zijn ziel hing zeer aan haar, en zij kwamen te Ecbatana.~
18 7, 11| openbaren. Ik heb mijn dochter aan zeven mannen gegeven, en
19 7, 12| zeide: Neem haar van nu aan tot u, naar recht, want
20 8, 2 | als hij ging, dacht hij aan de woorden van Rafaël, en
21 11, 9 | liep toe en viel haar zoon aan de hals, en zeide tot hem:
22 11, 11| ziende zijn zoon, viel hij aan zijn hals, en weende en
23 11, 18| zijnde, en God lovende, tot aan de poort van Nineve; en
24 14, 8 | gerechtigheid, doende barmhartigheid aan onze broederen.~
25 14, 10| wat Haman gedaan heeft aan Achiachar, die hem opgevoed
|