Chapter, Verse
1 3, 2 | 2 Here, gij zijt rechtvaardig,
2 3, 5 | 5 En nu Here uw oordelen zijn vele en
3 3, 14| 14 Gezegend zijt gij, o Here mijn God, en gezegend zij
4 3, 15| 15 En nu Here, ik heb mijn ogen, en mijn
5 3, 17| 17 Gij weet Here, dat ik zuiver ben van alle
6 4, 6 | Gedenk, kind, alle tijd de Here onze God, en wil niet zondigen
7 4, 20| 20 Loof de Here te allen tijde, en begeer
8 4, 20| heeft raad bij zich; maar de Here zelf geeft al het goed,
9 5, 27| Want zulks als ons van de Here gegeven is om te leven,
10 7, 20| goede moed, dochter, de Here des hemels en der aarde
11 8, 4 | ons bidden, opdat zich de Here onzer ontferme.~
12 8, 7 | 7 En nu Here, niet om hoererij neem ik
13 8, 15| eniggeborenen; bewijs hun, o Here, barmhartigheid en voleindig
14 10, 13| Tobias: Lieve broeder, de Here des hemels brenge u weder;
15 10, 13| mij verheugen mag voor de Here. En zie ik geef u mijn dochter
16 13, 3 | wat leeft, gelijk hij onze Here is, en God onze Vader is
17 13, 5 | uw mond, en gij zult de Here der gerechtigheid loven,
18 13, 11| 11 Dankt de Here, want hij is goed, en looft
19 13, 15| worden, en zij zullen de Here der rechtvaardigen loven.~
20 14, 5 | En hij voer voort God de Here te vrezen, en beleed hem
21 14, 8 | bekeerd worden, om God de Here te vrezen, en zullen hun
22 14, 8 | alle heidenen zullen de Here loven; en zijn volk zal
23 14, 8 | loven; en zijn volk zal de Here belijden, en God zal zijn
24 14, 8 | verhogen; en allen die God de Here liefhebben, zullen zich
|